ECLI:NL:HR:2026:822

ECLI:NL:HR:2026:822

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 24/00192
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:165
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:3746

Samenvatting

Medeplegen poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld van horloge, art. 312.2.2 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade, art. 6:106.b BW. Hoe moeten algemene regels over stellen en betwisten van feiten worden toegepast in elk van de in HR:2019:793 weergegeven 3 categorieën van gevallen waarin rechter moet oordelen over vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in persoon ‘op andere wijze’? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. immateriële schadevergoeding wegens aantasting in persoon ‘op andere wijze’. Uitgangspunt is dat slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade v.zv. wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke beperking van recht op schadevergoeding brengt mee dat als rechter vergoeding van immateriële schade toekent, grondslag daarvoor aandacht verdient. Rechtsoverweging 2.4.5 van HR:2019:793 heeft betrekking op beoordeling van vordering b.p. tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW. Het gaat dus om immateriële schade die niet voortvloeit uit lichamelijk letsel of aantasting van eer of goede naam van benadeelde. HR geeft uiteenzetting t.a.v. regels over stellen en betwisten m.b.t. 3 categorieën van gevallen waarin aantasting in persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen: er is sprake van geestelijk letsel, bestaan van geestelijk letsel kan niet naar objectieve maatstaven worden aangenomen en (in uitzonderlijke gevallen) zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van normschending. Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriële schade van b.p. als gevolg van bewezenverklaard medeplegen van poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld toegewezen tot € 2.000, vermeerderd met wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens verdachte gemotiveerd is betwist. Daarbij is van belang dat uit ’s hofs overwegingen niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van vordering b.p. heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. t.z.v. immateriële schade en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00192

Datum 2 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 januari 2024, nummer 23-002898-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf door de Hoge Raad en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de [benadeelde 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel wegens het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde.

Ten laste van de verdachte is in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaard dat hij:

“op 18 november 2019 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een horloge en/of andere goederen van hun gading toebehorende aan [benadeelde 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, op het hoofd van die [benadeelde 1] hebben geslagen en met een vuurwapen in de richting van de benen van die [benadeelde 1] hebben geschoten en tegen die [benadeelde 1] op dreigende toon hebben gezegd: “Klokjes afdoen” en “Geef mij jouw horloge” en “Geef mij je tas” en een vuurwapen op die [benadeelde 2] heeft gericht.”

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Dat verzoek houdt onder meer in:

“4a Welke gevolgen heeft het voorval voor u gehad?

Cliënt heeft ten gevolge van het schietincident immateriële schade geleden.

4b. Gegevens over de schade

De totale schade bestaat uit de volgende posten:

Omschrijving Bijlagen Bedrag

1 Immateriële schade € 5000,00.”

Bij de stukken bevindt zich ook een brief van de advocaat van de benadeelde partij van 29 september 2021. Deze brief houdt onder meer in:

“Op maandag 18 november 2019 is cliënt slachtoffer geworden van een poging tot moord, dan wel doodslag. Hij is daarbij van dichtbij beschoten en hij is met een wapen op zijn hoofd geslagen.

Cliënt was die betreffende dag samen met een vriend op stap om hun auto’s te wassen bij de wasstraat ‘ [A] ’ in [plaats] . Op enig moment is de auto van cliënt klemgereden door een Volkswagen Golf 7 en zag hij twee mannen uit deze auto stappen. De mannen zijn op hem afgelopen en cliënt hoorde hierbij het geluid van een vuurwapen dat werd doorgeladen. Ze schreeuwden dat hij zijn horloge af moest doen en richtten hierbij het vuurwapen op de vriend van cliënt. Cliënt weigerde echter om zijn horloge af te staan, waarna hij (een) klap(pen) op zijn hoofd heeft gekregen.

Op enig moment probeerde cliënt weg te rennen en zag hij dat één van de mannen het wapen op zijn benen richtte en een schot lostte. Cliënt werd hierbij gelukkig niet door de kogel geraakt. Ondertussen werd de vriend van client nog steeds onder schot gehouden door de andere man. Uiteindelijk besloten de twee verdachten in hun auto te stappen en weg te rijden. Terwijl zij wegreden, zag cliënt nog dat één van de mannen het wapen op cliënt en zijn vriend richtte en de trekker meerdere keren overhaalde. Cliënt hoorde gelukkig “slechts” een klikkend geluid.

Immateriële schade

Cliënt heeft als gevolg van de gebeurtenis op 18 november 2019 immateriële schade geleden. Cliënt vreesde dat hij en/of zijn vriend zou(den) komen te overlijden. Cliënt is zich er terdege van bewust dat dit evengoed een geheel andere afloop had kunnen hebben.

Cliënt acht, gelet op het (psychische) leed dat hem door toedoen van de verdachten is aangedaan, een vergoeding ten laste van de verdachten op zijn plaats. (...)

Namens cliënt is er gezocht naar zaken met een vergelijkbaar feitencomplex, waarbij het slachtoffer is beschoten en niet is geraakt. Wij verzoeken uw rechtbank aansluiting te zoeken bij deze uitspraken. Gegeven het feit dat in onderliggende zaak sprake was van een volstrekt willekeurig slachtoffer, op wie het incident grote impact heeft gehad, verzoekt cliënt uw rechtbank over te gaan tot het toewijzen van een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade.

(...)

Cliënt verzoekt uw rechtbank om de schadevordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, hoofdelijk toe te wijzen.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 30 september 2021 houdt onder meer in:

“De advocaat licht de vordering toe en verklaart daarbij, zakelijk weergegeven:

Het incident heeft grote impact gehad op [benadeelde 1] . Hij heeft nadien in meerdere hotels geslapen. Daar zijn geen rekeningen van. Hij is eenmaal bij de huisarts geweest. Een nader hulptraject is niet ingezet omdat hij dat te confronterend vindt.

(...)

De advocaat van de benadeelde partij wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt dat de officier van justitie ten aanzien van de vordering inneemt.

Gepersisteerd wordt bij de vordering. Subsidiair is verzocht gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Evident is dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daar last van hebben en dat dit impact op hen heeft.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Benadeelde partij

134. Verzocht wordt een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 500,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

135. De verdediging betwist de vordering en verzoekt u primair de vordering benadeelde partij integraal niet-ontvankelijk te verklaren. In de eerste plaats omdat wij u verzoeken cliënt vrij te spreken van feit 1. In de tweede plaats omdat de vordering tot op de dag van vandaag in zijn geheel niet is onderbouwd.

136. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde gesteld dat het incident grote impact op de aangever heeft gehad. Hij is daarom eenmaal bij de huisarts gewest en heeft nadien in meerdere hotels geslapen. In de vordering zelf wordt geen toelichting gegeven.

137. Impliciet stelt aangever dat hij bang is geweest en niet thuis heeft durven slapen, maar dit wordt op geen enkele manier onderbouwd. Bovendien wordt dit tegengesproken door het PV over het Funx interview, waarin hij aangeeft dat hij er niet van schrikt dat op hem is geschoten, dat hem dit ook al vaker is overkomen en dat het incident bij de wasstraat ‘kleine dingetjes’ zijn.

138. De rechtbank heeft impliciet geoordeeld dat afgeweken kan worden van de vereiste onderbouwing van psychisch letsel, omdat sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. De rechtbank stelt dat “aannemelijk [is] dat men psychische schade ondervindt wanneer men zomaar wordt beschoten”.

139. Van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106 BW is in beginsel enkel sprake wanneer het slachtoffer geestelijk letsel heeft opgelopen, in de zin van een psychische beschadiging. Van geestelijk letsel is in beginsel sprake als de benadeelde een in de psychiatrie erkend ziektebeeld heeft opgelopen dat objectief kan worden vastgesteld. Indien het slachtoffer slechts ‘psychisch onbehagen’ ervaart, dan heeft hij in beginsel geen recht op immateriële schadevergoeding wegens aantasting in de persoon op andere wijze.

140. Als naar objectieve maatstaven (i.e. vaststelling van een psychiatrisch ziektebeeld door een deskundige) geen geestelijk letsel kan worden vastgesteld, kan toch van aantasting in de persoon op andere wijze sprake zijn als sprake is van een ernstige schending van een fundamenteel persoonlijkheidsrecht.

141. Dat sprake is van een enkele schending van een fundamenteel recht is onvoldoende, deze moet ernstig zijn. Degene die zich op deze uitzonderingsgrond beroept zal echter ook in dit geval de aantasting in zijn persoon moeten onderbouwen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

142. In HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Groningen Oudejaarsrellen) was die aantasting gelegen in de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot het lijf en goed van de benadeelden die een uren in hun woning een zeer bedreigende situatie hadden verkeerd omdat hun woning werd belaagd door relschoppers, terwijl een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie uitbleef. En in HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) bestond die aantasting in de ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder waardoor zij niet ervoor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen. We zien in de strafrechtspraak dat deze aantasting in de persoon ook wordt aangenomen bij zeer heftige gewelds- of zedendelict, waarvan het evident is dat daar een vorm van trauma uit voortkomt.

143. Een onrustige nacht, een onveilig gevoel of een afname in de concentratie zijn geen psychische klachten die zijn aan te merken als geestelijk letsel. Ook angstig zijn is geen psychische klacht in de zin dat sprake is van geestelijk letsel. Feit is dat hier geen hulp is ingeschakeld en dat uit de informatie die wij wel hebben lijkt dat aangever zegt dat het incident geen indruk op hem heeft gemaakt. Dat wordt bevestigd door de camerabeelden. Aangever heeft een neutraal gezicht tijdens het incident en rent loopt op een drafje van het incident weg. Als de auto wegrijdt loopt hij lachen op een drafje weer terug.

144. Onder die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat aannemelijk is dat aangever door de inbreuk psychische schade heeft opgelopen. Het is aangever om dit, gelet op deze omstandigheden, nader te onderbouwen.

145. Redenen waarom wij u verzoeken de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.”

Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt verder onder meer in:

“De gemachtigde van de benadeelde partij wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en de vordering toe te lichten. Deze verklaart:

Ik verwijs graag naar twee vergelijkbare zaken waarin er door het slachtoffer geen therapie is gestart maar het hof toch tot een immateriële schadevergoeding is gekomen en wens op te merken dat naar algemene ervaringsregels een beschieting nog lange tijd psychische gevolgen geeft. De benadeelde partij is onder de indruk van het feit, maar heeft zijn leven weer opgepakt en is druk met zijn (rap)muziek.

(...)

De gemachtigde van de benadeelde partij voert het woord als volgt:

Mensen kunnen van zenuwen of schrik gaan lachen. Het is evident dat als er op je geschoten wordt dat je psychisch letsel oploopt.”

Het hof heeft over de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00 ter zake immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de vordering in het geheel niet is onderbouwd en dat aangever door de inbreuk geen psychische schade heeft opgelopen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Hoewel er geen onderbouwing voor psychisch letsel is overgelegd, is het aannemelijk dat iemand psychische schade ondervindt als iemand op klaarlichte dag wordt beschoten en met een wapen op het hoofd wordt geslagen. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid schatten op € 2.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de normschending en de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Het hof houdt hierbij rekening met immateriële schadevergoedingen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden toegekend.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof tot slot de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade

(...)

Van (...) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

(...)

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

(...)

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.”

Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde hoe de algemene regels over het stellen en betwisten van feiten die hiervoor in 3.4 (onder 2.8.1 tot en met 2.8.7) zijn weergegeven, moeten worden toegepast in elk van de hiervoor in 3.4 (onder 2.4.5) weergegeven drie categorieën van gevallen waarin de rechter moet oordelen over een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Uitgangspunt daarbij is dat – anders dan geldt voor vermogensschade – slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade (nadeel dat niet in vermogensschade bestaat) voor zover de wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke beperking van het recht op schadevergoeding brengt mee dat als de rechter een vergoeding van immateriële schade toekent, de grondslag daarvoor aandacht verdient.

De hiervoor in 3.4 (onder 2.4.5) weergegeven rechtsoverweging heeft betrekking op de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Het gaat hier dus om immateriële schade die niet voortvloeit uit lichamelijk letsel of aantasting van de eer of goede naam van de benadeelde.

De eerste van de drie in 3.5.1 bedoelde categorieën betreft gevallen waarin sprake is van geestelijk letsel. Als de benadeelde zich beroept op het bestaan van geestelijk letsel zal hij, ook als het bestaan van dat geestelijk letsel niet door de verdachte wordt betwist, voldoende concrete gegevens moeten verschaffen waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, zodat de rechter het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan vaststellen. Doorgaans zal het dan gaan om een rapportage van een deskundige, zoals een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog. Niet is vereist dat in die rapportage een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld; voldoende kan zijn dat daaruit blijkt van geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.

Een aan de rechtspraak ontleend voorbeeld waarin sprake was van geestelijk letsel:

- een door een psychiater vastgestelde posttraumatische stress-stoornis na een diefstal met geweld en bedreiging met geweld uit een winkel waarin de benadeelde partij werkzaam is.

De tweede categorie betreft gevallen waarin het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar waarin de aard en de ernst a) van de normschending en b) van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Daarbij is het in beginsel aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit. Als de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet worden betwist, kan de rechter uitgaan van de juistheid daarvan. Voor zover de door de benadeelde partij gestelde gevolgen door of namens de verdachte wel worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer kunnen beoordelen of de gevolgen in voldoende mate zijn komen vast te staan. Als dat niet het geval is, kan de rechter, behoudens in de gevallen bedoeld in 3.5.6, geen aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aannemen. Datzelfde geldt als de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.

Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze tweede categorie:

- verlies van vertrouwen in anderen, beëindiging van sociale contacten en imagoschade als gevolg van langdurige en intensieve belaging;

- angst en gevoelens van onzekerheid na belaging;

- zich onveilig voelen op het werk en het ondergaan van EMDR-behandelingen in verband met een overval en bedreiging met een wapen;

- grote emotionele gevolgen en last daarvan tijdens de uitoefening van de werkzaamheden als gevolg van vrees voor het leven na op de snelweg met hoge snelheid in een politieauto van de weg te zijn gedrukt.

Naast de twee hiervoor besproken categorieën kan in uitzonderlijke gevallen ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. In deze – in 3.5.1 als derde aangeduide – categorie gaat het om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.

Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze derde categorie:

- verkrachting waarbij sprake was van geweld, andere feitelijkheden en bedreiging met geweld;

- woningoverval waarbij de slachtoffers zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt, zij met een vuurwapen zijn bedreigd en een van de benadeelden een klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met het afsnijden van zijn geslachtsdeel;

- verkrachting van een 16-jarig meisje na het heimelijk toedienen van GHB.

Opmerking verdient nog dat de concrete gevolgen van de normschending ook hier van belang kunnen zijn voor de begroting van de schade, die immers geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Als de rechter oordeelt dat op basis van de aard en de ernst van de normschending een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen, en de benadeelde partij de concrete gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad niet nader heeft toegelicht, kan de rechter in beginsel volstaan met toewijzing van een in het algemeen bij het geval passend bedrag dat strookt met bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Om aanspraak te maken op een specifieker op het concrete geval afgestemde vergoeding zal de benadeelde partij de rechter voldoende aanknopingspunten moeten bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade, door feiten en omstandigheden te stellen over de gevolgen die zij van het bewezenverklaarde feit heeft ondervonden. Als die feiten en omstandigheden door of namens de verdachte worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of zij in voldoende mate zijn komen vast te staan.

Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde medeplegen van een poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld toegewezen tot een bedrag van € 2.000, vermeerderd met de wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).

Het cassatiemiddel slaagt.

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing over de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze drie jaren, vijf maanden en twee weken, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren beloopt;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.E. du Perron, G.C. Makkink, C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand