ECLI:NL:HR:2026:846

ECLI:NL:HR:2026:846

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 25/02832
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2025:2297
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1332

Samenvatting

WSNP. Art. 350 Fw en art. 288 Fw. Verzoek van schuldeiser tot tussentijdse beëindiging. Feiten en omstandigheden die reden zouden zijn geweest verzoek tot toelating af te wijzen? Goede trouw-toets. Onverenigbare standpunten in juridische procedures? Geding na cassatie en verwijzing. Vervolg op HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:753. Motivering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02832

Datum 5 juni 2026

ARREST

In de zaak van

[de schuldeiser] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERES tot cassatie,

hierna: [de schuldeiser] ,

advocaten: M. van Tiel en M.J. van Basten Batenburg,

tegen

[de saniet] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: [de saniet] ,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. zijn arrest in de zaak 24/04666 (ECLI:NL:HR:2025:753) van 16 mei 2025;

b. het arrest in de zaak 200.355.565/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 augustus 2025.

[de schuldeiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[de saniet] heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 21 augustus 2025 en tot verwijzing.

De advocaten van [de schuldeiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In dit tweede cassatieberoep in deze procedure kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:753, rov. 2.1:

(i) De echtgenoot van [de saniet] , [de echtgenoot] (hierna: [de echtgenoot] ), en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) hebben via hun vennootschap 2SQR Holding B.V. (hierna: 2SQR) geïnvesteerd in een vastgoedportefeuille.

(ii) Ter gedeeltelijke financiering daarvan heeft een derde in 2009 aan Heusden Veste B.V. (hierna: Heusden Veste), een vennootschap waarvan [betrokkene 1] bestuurder was, een lening verstrekt van € 1,5 miljoen en heeft Heusden Veste een gedeelte ter grootte van € 1,25 miljoen doorgeleend aan 2SQR. [de echtgenoot] en [betrokkene 1] hebben zich als hoofdelijk medeschuldenaren naast Heusden Veste jegens de derde verbonden tot nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening. [de saniet] heeft op de voet van art. 1:88 BW toestemming verleend voor het aangaan van deze hoofdelijke aansprakelijkheid.

(iii) Begin 2011 heeft de derde haar vordering uit de overeenkomst van geldlening overgedragen aan Havic Holding B.V. (hierna: Havic).

(iv) In juni 2011 zijn [de saniet] en [de echtgenoot] – die aanvankelijk gehuwd waren in gemeenschap van goederen – huwelijkse voorwaarden overeengekomen. De huwelijkse voorwaarden bevatten een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en een zogenoemde Dozy-clausule, inhoudende dat ieder van de echtgenoten zich ten behoeve van de schuldeisers hoofdelijk aansprakelijk stelt voor alle schulden die op de huwelijksgemeenschap konden worden verhaald. [de saniet] en [de echtgenoot] hebben de tot de gemeenschap behorende goederen verdeeld.

(v) Op 23 januari 2012 is [de saniet] in kort geding als hoofdelijk schuldenaar veroordeeld tot betaling aan Havic van het openstaande bedrag uit de aan Heusden Veste verstrekte geldlening, met rente en kosten.

(vi) Op 30 januari 2013 is [de echtgenoot] failliet verklaard.

(vii) In oktober 2013, oktober 2014 en februari 2016 heeft [de schuldeiser] betalingen gedaan van in totaal ruim € 990.000,-- ter gedeeltelijke aflossing van de aan Heusden Veste verstrekte geldlening. [de schuldeiser] verkreeg aldus door subrogatie op de voet van art. 6:150, aanhef en onder c, BW een vordering op (onder meer) [de saniet] .

(viii) In maart 2017 heeft [de schuldeiser] een vordering tegen [de saniet] ingesteld tot verkrijging van betaling van, na eisvermindering, € 740.909,--. De vordering is uiteindelijk, na cassatie en verwijzing, toegewezen bij arrest van het gerechtshof ’sHertogenbosch van 19 december 2023. De procedure die tot dat arrest heeft geleid, zal hierna worden aangeduid als: de bodemprocedure.

(ix) In februari 2024 heeft [de saniet] een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij heeft daarbij een schuld aan [de schuldeiser] van € 782.979,94 vermeld, onder verwijzing naar het hiervoor onder (viii) genoemde arrest, waarvan een kopie was bijgevoegd. [de saniet] is op 20 maart 2024 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

[de schuldeiser] verzoekt in deze procedure de schuldsaneringsregeling van [de saniet] tussentijds te beëindigen. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [de saniet] bij haar toelatingsverzoek feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die onjuist zijn, althans onverenigbaar zijn met verweren die zij in de bodemprocedure heeft gevoerd en dat daarom niet is voldaan aan de eis dat aannemelijk is dat [de saniet] bij het aangaan en onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest.

De rechtbank heeft het beëindigingsverzoek afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing. Ook laatstgenoemd hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Tegen deze beslissing is het cassatieberoep gericht.

Aan zijn oordeel heeft het hof onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

Art. 288 lid 1 Fw bepaalt dat een verzoek tot toelating tot de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (hierna: Wsnp) slechts wordt toegewezen als onder meer voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. De goedetrouwtoets is mede geïntroduceerd om misbruik van de Wsnp te voorkomen. Bij de beoordeling of voldaan is aan de goedetrouwtoets kan de rechter alle relevante omstandigheden betrekken, zoals de omvang van de schulden en de mate waarin de schuldenaar een verwijt ervan gemaakt kan worden dat die zijn ontstaan en geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Hierbij kan ook worden gedacht aan de situatie dat de schuldenaar verhaalsacties van schuldeisers heeft gefrustreerd of gepoogd heeft dit te doen. Ook het tijdstip waarop en de frequentie waarmee de schulden zijn gemaakt, alsmede het betalingsgedrag van de schuldenaar nadien en eventuele pogingen zijn schulden te doen verminderen, zullen bij de oordeelsvorming een rol kunnen spelen. (rov. 3.6.1-3.6.3)

Op grond van art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw wordt de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd (onder meer) op verzoek van een of meer schuldeisers indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig art. 288 leden 1 en 2 Fw. (rov. 3.6.5)

Over de stellingen van [de schuldeiser] heeft het hof – samengevat en voor zover in cassatie van belang – het volgende overwogen.

Onwaarachtige stellingen lening

[de schuldeiser] heeft tegenover de betwisting door [de saniet] niet aannemelijk gemaakt dat [de saniet] in de bodemprocedure daadwerkelijk het bestaan van de lening en van haar instemming met de borgstelling door [de echtgenoot] heeft betwist. Dat blijkt in ieder geval niet uit het laatste arrest in de bodemprocedure. [de schuldeiser] heeft ook niet uiteengezet uit welke processtukken de betwisting van de lening en van de instemming op de voet van art. 1:88 BW van [de saniet] zou blijken. Ook voor het overige wordt het standpunt van [de schuldeiser] dat de desbetreffende verweren van [de saniet] (apert) onjuist en onwaarachtig waren, verworpen. Die verweren hebben standgehouden bij rechtbank en hof vóór verwijzing in de bodemprocedure. Pas door – deels – de beslissing in het verwijzingsarrest in de bodemprocedure en vervolgens na verwijzing zijn in de bodemprocedure de verweren verworpen. Daarom kan niet worden gezegd dat die verweren kansloos waren en dat [de saniet] die verweren tegen beter weten in heeft gevoerd. (rov. 3.7.1)

Ontstaan en opeising schuld uit lening

[de saniet] heeft op 29 januari 2024 verzocht te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Daarbij heeft [de saniet] melding gemaakt van de schuld aan [de schuldeiser] en dat die schuld op 19 december 2023 is ontstaan, de datum waarop het laatste arrest in de bodemprocedure is uitgesproken. Gelet op het feit dat [de saniet] de schuld niet zelf is aangegaan en dat zij pas bij dat arrest is veroordeeld tot betaling van de schuld, is die melding als zodanig niet onjuist. Niet aannemelijk is dat de toelatingsrechter een andere beslissing zou hebben genomen indien hij (uitdrukkelijk) op de hoogte was gesteld van de door [de schuldeiser] aangehaalde omstandigheden, in het bijzonder een hoofdelijke veroordeling in 2012 – twaalf jaar vóór behandeling van het Wsnp-verzoek – in kort geding naast haar echtgenoot [de echtgenoot] , die vervolgens in 2013 is gefailleerd. (rov. 3.7.3)

Wetenschap dat schuld niet voldaan kon worden

[de saniet] is de schuld niet zelf aangegaan, haar echtgenoot ( [de echtgenoot] ) heeft de zakelijke lening afgesloten ter financiering van een vastgoedportefeuille. [de saniet] heeft er in 2009 alleen mee ingestemd dat haar echtgenoot, met wie zij toen in gemeenschap van goederen was gehuwd, hoofdelijk aansprakelijk werd voor die schuld. Uit niets blijkt dat [de saniet] , die zich naar – onweersproken – eigen zeggen niet met de onderneming van haar echtgenoot bemoeide, toen wist of moet hebben geweten dat het project waarvoor [de echtgenoot] de lening was aangegaan een zodanige afloop zou hebben dat de schuld niet kon worden afgelost. [de schuldeiser] heeft dit niet onderbouwd. (rov. 3.7.4)

Verandering huwelijksvermogensregime

Tegenover de toedeling van goederen aan [de saniet] staat dat met de door [de saniet] en [de echtgenoot] overeengekomen Dozy-clausule [de saniet] hoofdelijk schuldenaar werd van de schulden van [de echtgenoot] die vóór de opheffing van de huwelijksgoederengemeenschap op het gemeenschappelijke vermogen konden worden verhaald en dat zij met haar eigen vermogen aansprakelijk werd voor die schulden. [de schuldeiser] heeft niet gesteld, en ook uit de stukken blijkt niet, dat die opheffing ondanks de Dozy-clausule in de gegeven omstandigheden (waaronder het faillissement van [de echtgenoot] en het vervolgens daarin bereikte akkoord tegen finale kwijting) daadwerkelijk voor [de schuldeiser] nadelige gevolgen heeft gehad. Niet aannemelijk is dat de toelatingsrechter een andere beslissing zou hebben genomen indien [de saniet] bij de aanvraag van de wettelijke schuldsaneringsregeling de rechter (uitdrukkelijk) zou hebben gewezen op de door [de schuldeiser] bedoelde omstandigheid dat de verandering verband hield met de geldlening. (rov. 3.7.5)

Vordering overbedeling

[de saniet] is op 28 juni 2011 overbedeeld toen zij en haar echtgenoot staande het huwelijk huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen en de tot de gemeenschap behorende goederen hebben verdeeld. Deze overbedeling is evenwel niet tegenstrijdig met de stelling van [de saniet] in de bodemprocedure dat aan haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toegekend. [de saniet] heeft in haar antwoordmemorie na cassatie in de bodemprocedure aangevoerd:

“(...) dit was enkel een vermogen ‘op papier’. Na het faillissement van [de echtgenoot] (uitgesproken op 30 januari 2013) heeft de curator van [de echtgenoot] onderzocht, of het zinvol was om deze wijziging van de huwelijksvoorwaarden aan te tasten. De curator heeft hiervan afgezien, omdat de aan [de saniet] toegedeelde vermogensbestanddelen geen reële waarde hadden. Hetzelfde gold overigens voor de aan [de echtgenoot] toegedeelde baten (met een nettowaarde van € 2.993.298,50). De zaken waren (over) verhypothekeerd terwijl (het aandeel van 40% in) de aandelen Nacoqudoca B.V. die voor een bedrag van € 2.833.755,20 waren gewaardeerd, in werkelijkheid een waarde nul hadden”.

In een voetnoot in die antwoordmemorie na cassatie staat vervolgens:

“Nacoqudoca was een “eigen” vennootschap van [de echtgenoot] die per datum faillissement (en trouwens ook daarna) geen positieve maar een negatieve waarde vertegenwoordigde. Overigens zijn de aandelen in deze vennootschap nimmer door [de echtgenoot] aan [de saniet] geleverd. Zij vielen dus in het faillissementsvermogen van [de echtgenoot] ".

In haar antwoordmemorie heeft [de saniet] verder aangevoerd:

“Zoals de A-G (terecht) overweegt, heeft de curator inderdaad onderzocht of en zo ja welke vermogensbestanddelen [de saniet] had verkregen als gevolg van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat deze slechts een negatieve waarde vertegenwoordigden.”

Uit deze citaten blijkt dat de overbedeling ‘op papier’ in 2011 en het standpunt van [de saniet] met betrekking tot de werkelijke waarde van de vermogensbestanddelen in 2013, mede gelet op het tijdsverloop tussen die momenten en de aard van de vermogensbestanddelen als aangegeven, niet tegenstrijdig waren. De overbedelingsvordering uit 2011 bleef vervolgens wel onverkort bestaan, ondanks het verdampen van de waardes als op papier verstrekt. (rov. 3.7.6)

Waarde aandelen en onroerende zaken

De stelling van [de schuldeiser] dat moet worden uitgegaan van de waardes opgenomen in het overzicht van verdeling per 28 juni 2011 (waarin voor de aandelen Nacoqudoca een waarde staat van € 7.077.142,--) en dat waardeveranderingen van latere datum buiten beschouwing moeten blijven, wordt verworpen voor zover het gaat om de weging in deze procedure van [de saniet] verweer in de bodemprocedure. [de saniet] heeft in de bodemprocedure aangevoerd dat de onroerende zaken, die onder water stonden, na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap executoriaal zijn verkocht en dat de aandelen Nacoqudoca nooit zijn geleverd en bovendien waardeloos waren geworden. [de schuldeiser] heeft deze stellingen niet, althans niet onderbouwd, weersproken. Niet kan worden geconcludeerd dat [de saniet] tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen in de relevante periode en dat zij daarom ten tijde van de indiening van het toelatingsverzoek, althans in de relevante periode, niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het aangaan van de schuld aan, of onbetaald laten van de vordering van [de schuldeiser] . (rov. 3.7.7)

Andere verweren

Het stond [de saniet] in beginsel vrij om juridisch verweer te voeren tegen de vordering van [de schuldeiser] in de bodemprocedure. Daaraan zou alleen kunnen worden afgedaan indien [de saniet] die verweren tegen beter weten in had gevoerd en zodoende misbruik van procesrecht had gemaakt. Daarvan is echter geen sprake geweest. Uit het feit dat de verweren van [de saniet] in eerste aanleg door de rechtbank zijn gehonoreerd en aanvankelijk deels ook in hoger beroep, blijkt daarnaast reeds dat die verweren niet zo kansloos waren als [de schuldeiser] wil doen geloven en dat [de saniet] niet ‘niet te goeder trouw als bedoeld in het kader van de schuldsaneringsregeling’ heeft geprocedeerd. Bovendien heeft het hof in de bodemprocedure nog moeten beslissen over een substantieel deel van de vordering van [de schuldeiser] ter grootte van € 311.363,-- aan hoofdsom, dat tot dan toe dus nog niet vaststond. Jegens haar andere crediteuren was [de saniet] juist gehouden de vordering van [de schuldeiser] op het juiste bedrag te laten vaststellen. (rov. 3.7.8)

Onderhandelingsruimte

[de saniet] kan niet worden verweten dat zij een schikkingsvoorstel heeft gedaan. Dat [de schuldeiser] dat voorstel niet reëel vond, maakt dat niet anders; kennelijk heeft [de schuldeiser] geen tegenvoorstel willen doen. Hoe [de saniet] vervolgens had moeten weten dat er nog ‘onderhandelingsruimte was’, los van de vraag of [de saniet] überhaupt – gezien het taxatierapport van de toen beperkte overwaarde van haar woning – meer had kunnen bieden, heeft [de schuldeiser] niet onderbouwd. Ook het ‘voorstel’ van [de echtgenoot] was voor [de schuldeiser] onvoldoende. In die omstandigheden kan [de saniet] niet worden verweten dat zij vervolgens gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die de wet haar biedt om te verzoeken te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De mededelingen over het minnelijke traject en in het bijzonder aangaande het aanbod aan [de schuldeiser] , als door [de saniet] tijdens de toelatingszitting gedaan, zijn aldus correct. (rov. 3.7.10)

Proceskostenveroordeling

Volgens [de schuldeiser] had [de saniet] de Wsnp-rechter explicieter moeten informeren over de proceskostenveroordeling in de bodemprocedure, en dus niet zomaar het vakje ‘niet van toepassing’ mogen aanvinken. Het hof verwerpt dat standpunt. Bij haar aanvraag om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft [de saniet] het laatste arrest in de bodemprocedure bijgevoegd. Daarmee was het voor de toelatingsrechter volstrekt duidelijk dat de in dat arrest uitgesproken kostenveroordeling ook een schuld van [de saniet] vormde en dat die schuld bij het uitspreken van het arrest op 19 december 2023 is ontstaan, en na verstrijken van de cassatietermijn, de dag voor het toelatingsvonnis, definitief is geworden. (rov. 3.7.13)

De slotsom is dat de door [de schuldeiser] aangevoerde omstandigheden, elk voor zich maar ook in samenhang bezien, niet tot het oordeel kunnen leiden dat [de saniet] niet te goeder trouw is geweest in de zin van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw, noch dat er op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestaande feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen als bedoeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw. Een groot deel van de argumenten van [de schuldeiser] is gebaseerd op de wetenschap achteraf dat de verweren die [de saniet] heeft gevoerd, aanvankelijk werden gehonoreerd maar uiteindelijk toch niet slaagden. In het bijzonder het argument van de “onverenigbare” standpunten in de bodemprocedure enerzijds en het toelatingsverzoek anderzijds – als centraal staand in de verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad naast de te hanteren gedragsmaatstaf en de te hanteren criteria –, heeft het hof nader onderzocht en ondeugdelijk bevonden. (rov. 3.8)

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1 van het middel voert onder meer aan dat het hof bij het beoordelen van de goede trouw van [de saniet] onvoldoende is ingegaan op enkele door [de schuldeiser] aangevoerde stellingen over de vraag of zij [de saniet] onverkort tot betaling heeft gehouden en over het nalaten van [de saniet] op te geven dat zij de proceskosten van de bodemprocedure moest voldoen.

Deze klacht faalt. Het hof heeft de stellingen van [de schuldeiser] op de in het onderdeel genoemde punten onder ogen gezien in rov. 3.7.10 en 3.7.13. Het heeft in rov. 3.8 overwogen dat de door [de schuldeiser] aangevoerde omstandigheden, elk voor zich maar ook in samenhang bezien, niet tot het oordeel kunnen leiden dat [de saniet] niet te goeder trouw is geweest in de zin van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw. Het hof was niet gehouden afzonderlijk in te gaan op alle omstandigheden die [de schuldeiser] ter onderbouwing van die stellingen had aangevoerd; de omstandigheden waarop het onderdeel ziet, zijn niet van dien aard dat het hof hetzij op grond daarvan tot een ander oordeel had moeten komen, hetzij zijn oordeel nader had moeten motiveren.

Onderdeel 2a klaagt dat het hof heeft miskend dat [de schuldeiser] het gezag van gewijsde van het laatste arrest in de bodemprocedure had ingeroepen ten aanzien van de waarde van de aandelen in Nacoqudoca. Het hof heeft in de bodemprocedure het verweer van [de saniet] gepasseerd dat zij bij de wijziging van gemeenschap van goederen naar koude uitsluiting enkel op papier vermogensbestanddelen van enige waarde toebedeeld had gekregen. Onderdeel 2b voegt hieraan toe dat het bij de bedoelde wijziging opgestelde overzicht van verdeling van 28 juni 2011 in deze procedure leidend is voor het bepalen van de waarde van de vermogensbestanddelen. Voor zover het hof van een andere datum uitgaat, is dat onjuist, aldus het onderdeel.

Onderdeel 2c betoogt dat het hof in rov. 3.7.6 de verkeerde tegenstelling heeft beoordeeld. Het gaat [de schuldeiser] om de tegenstelling tussen enerzijds het standpunt van [de saniet] in de bodemprocedure dat haar bij de omzetting van het huwelijksvermogensregime alleen ‘op papier’ waarde is toegekend, terwijl de vermogensbestanddelen eigenlijk waardeloos waren, en anderzijds het standpunt van [de saniet] in de procedure tot toelating tot de Wsnp dat [de echtgenoot] een vordering van € 438.061,-- op haar heeft op grond van overbedeling bij de verdeling ten tijde van die omzetting. Onderdeel 2d voegt daaraan toe dat [de saniet] zich nog in 2024 op de overbedeling beriep, terwijl zij in de bodemprocedure had aangevoerd dat hetgeen aan haar was toebedeeld waardeloos was. Dat had het hof moeten onderzoeken, aldus het onderdeel.

De onderdelen 2e en 2f voeren aan dat als de aandelen die aan [de saniet] zijn toebedeeld, geen waarde hadden, of niet aan haar zijn geleverd, of indien zij waarde hadden, deze waarde later is verdampt, onbegrijpelijk is dat [de echtgenoot] een vordering uit overbedeling op [de saniet] heeft verkregen, of nog steeds heeft. In het licht daarvan is het oordeel van het hof volgens het onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Dat geldt volgens onderdeel 2g eveneens voor het oordeel van het hof in rov. 3.7.7 ten aanzien van de aan [de saniet] toebedeelde woningen.

Bij de oordelen van het hof in rov. 3.7.6 en 3.7.7, waartegen de hiervoor in 3.2.1-3.2.3 genoemde klachten zijn gericht, gaat het om de vraag of [de saniet] tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen over enerzijds de overbedelingsvordering en anderzijds de later gebleken werkelijke waarde van de haar toebedeelde goederen, en daardoor niet te goeder trouw heeft gehandeld.

Het hof heeft in rov. 3.7.6 de notariële vastlegging van de verdeling in 2011 bepalend geacht voor de vordering uit overbedeling. Daarbij heeft het hof in rov. 3.7.6 in het midden gelaten welke waarde de aan [de saniet] toebedeelde goederen hadden ten tijde van de verdeling in 2011. Dat kon het hof doen, omdat het ging om de vraag of [de saniet] te goeder trouw was toen zij het bestaan van de vordering uit overbedeling vermeldde (zie ook rov. 3.7.7). Het oordeel van het hof komt erop neer dat [de saniet] deze vordering mocht vermelden, omdat deze in 2011 bij de verdeling notarieel was vastgelegd en in ieder geval formeel nog steeds bestond. Eventuele latere inzichten in de werkelijke waarde van de toebedeelde goederen, of veranderingen in die waarde, doen daaraan niet af. Met die inzichten staat immers nog niet vast dat [de saniet] niet gehouden was de in 2011 vastgestelde vordering uit overbedeling te voldoen. Op het voorgaande stuiten de hiervoor in 3.2.1-3.2.3 weergegeven klachten af.

Onderdeel 4 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.7.3 over de omstandigheid dat [de saniet] in haar toelatingsverzoek heeft vermeld dat de schuld aan [de schuldeiser] pas op 19 december 2023 is ontstaan. Het onderdeel betoogt onder meer dat [de saniet] in 2012 in kort geding is veroordeeld tot betaling aan Havic, de partij in wier rechten [de schuldeiser] is gesubrogeerd, dat zij desondanks bekendheid met de lening en haar toestemming ontkende, en dat zij [de schuldeiser] zo op kosten heeft gejaagd.

Deze klacht faalt. Het hof heeft in rov. 3.7.3 onder ogen gezien dat [de saniet] in 2012 in kort geding naast [de echtgenoot] tot betaling was veroordeeld, maar heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de toelatingsrechter een andere beslissing zou hebben genomen indien hij daarvan op de hoogte was gesteld. Dit oordeel moet worden begrepen tegen de achtergrond dat het om een veroordeling in kort geding ging en dat het [de saniet] volgens het hof in beginsel vrijstond in de bodemprocedure verweer te voeren tegen de vordering van [de schuldeiser] (zie rov. 3.7.8). Het oordeel is in dat licht niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Onderdeel 9 klaagt dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan de onjuiste mededeling van [de saniet] over het inkomen van [de echtgenoot] .

[de schuldeiser] heeft in de feitelijke instanties aangevoerd dat [de saniet] bij het verzoekschrift tot het aanvragen van de schuldsaneringsregeling heeft opgegeven dat [de echtgenoot] geen inkomsten heeft, terwijl [de echtgenoot] wel degelijk geld verdient. [de echtgenoot] heeft een inkomen, waaronder pensioeninkomen, en maakt er zelf melding van dat hij een baan heeft. Hij heeft [de schuldeiser] voorgesteld te participeren in een project waaruit miljoenen zouden kunnen voortvloeien en heeft kosten voor zijn rekening genomen, aldus [de schuldeiser] .

Het onderdeel wijst er met juistheid op dat het hof op de hiervoor in 3.4.2 genoemde stellingen van [de schuldeiser] niet is ingegaan. Het kan desondanks bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, gelet op het volgende. [de saniet] heeft in haar verklaring bij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vermeld dat de “inkomsten uit arbeid” van haar partner “0” waren. Zij heeft pensioeninkomsten van haar partner opgegeven voor een bedrag van € 2.314,14. Bij “overige inkomsten” is niets ingevuld. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek tot toelating, gedateerd 14 juli 2024, blijkt dat [de echtgenoot] heeft verklaard “ik heb een baan”. [de saniet] heeft aangevoerd dat daarmee is bedoeld dat [de echtgenoot] werkzaamheden als ondernemer verricht waaruit geen reguliere inkomsten voortvloeien en dat [de echtgenoot] geen dienstbetrekking heeft.

Anders dan [de schuldeiser] heeft aangevoerd, heeft [de saniet] bij het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dus niet opgegeven dat [de echtgenoot] geen inkomen heeft. De pensioeninkomsten van [de echtgenoot] zijn in de verklaring vermeld. Verder is tijdens de mondelinge behandeling aan de orde geweest dat [de echtgenoot] een baan heeft. De rechtbank was er destijds dus van op de hoogte dat [de echtgenoot] activiteiten had waaruit inkomsten konden voortvloeien. Uit het dossier blijkt niet dat [de saniet] inkomen van [de echtgenoot] of daarop gerichte activiteiten heeft verzwegen. Er is op grond van de stukken van het geding dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat de stellingen van [de schuldeiser] op dit punt niet tot het oordeel kunnen leiden dat [de saniet] niet te goeder trouw is geweest in de zin van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw.

Onderdeel 10 klaagt dat het hof niet is ingegaan op het bewijsaanbod dat [de schuldeiser] na cassatie en verwijzing heeft gedaan.

Het hof is aan het bewijsaanbod van [de schuldeiser] voorbijgegaan, klaarblijkelijk omdat het van oordeel was dat de door [de schuldeiser] te bewijzen aangeboden feiten, die het hof al in zijn beoordeling had betrokken, niet tot een andere uitkomst van de procedure konden leiden en het bewijsaanbod voor het overige zag op gevolgtrekkingen die zich niet voor bewijs lenen. Dat oordeel is in het licht van hetgeen het hof heeft overwogen over de standpunten van [de schuldeiser] niet onjuist of onbegrijpelijk.

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [de schuldeiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de saniet] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand