HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/04340
Datum 12 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[Beschermingsbewindvoerder] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [schuldenaar] ,
kantoorhoudende te [plaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de beschermingsbewindvoerder,
advocaten: J. van Weerden en E.J.H. Zandbergen,
tegen
[WSNP-bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsanering van [schuldenaar] ,
kantoorhoudende te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de WSNP-bewindvoerder,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/344557 / HA RK 25-137 van de rechtbank Limburg van 19 november 2025.
De beschermingsbewindvoerder heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De WSNP-bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in zijn beroep.
De advocaten van de beschermingsbewindvoerder hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De goederen van de schuldenaar zijn onder bewind gesteld. Nadien is de schuldenaar toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
(ii) Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling heeft de beschermingsbewindvoerder gevraagd om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het zogeheten vrij te laten bedrag. Dit verzoek is afgewezen op de grond dat bijzondere bijstand voor deze kosten kon worden aangevraagd.
(iii) Het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van de beschermingsbewindvoering is afgewezen. Het bezwaar tegen die beschikking is ongegrond verklaard, evenals het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank.
De rechter-commissaris heeft in de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure geen aanleiding gezien om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het vrij te laten bedrag. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de rechter-commissaris een verzoek daartoe van de beschermingsbewindvoerder afgewezen. Een herhaald verzoek met gelijke strekking heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 11 augustus 2025 afgewezen.
De beschermingsbewindvoerder heeft bij de rechtbank hoger beroep ingesteld van de beschikking van de rechter-commissaris van 11 augustus 2025. De rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2025 de beschermingsbewindvoerder ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en het hoger beroep verworpen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Tegen een beschikking van de rechter-commissaris als hier aan de orde staat geen hoger beroep open (art. 315 lid 2 Fw en art. 295 lid 3 Fw). Dat kan anders zijn wanneer zich een doorbrekingsgrond voordoet. De beschermingsbewindvoerder heeft een beroep gedaan op doorbrekingsgronden, waardoor hij kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden slaagt evenwel, waardoor het hoger beroep moet worden verworpen. (rov. 4.2-4.10)
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking waarin is geoordeeld dat de aangevoerde gronden voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 315 lid 2 Fw in verbinding met art. 295 lid 3 Fw niet slagen, en het hoger beroep daarom moet worden verworpen. Tegen zodanige uitspraak staat beroep in cassatie open zonder dat daarvoor – opnieuw – doorbrekingsgronden behoeven te worden aangevoerd. De vraag ligt voor welke termijn in dat geval geldt voor het instellen van beroep in cassatie.
De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod of voor het instellen van een cassatieberoep tegen een daarop gedane uitspraak. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is de termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw gegeven beschikking van de rechtbank waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw wordt beoogd, acht dagen na de dag van de uitspraak. Met het oog op de hanteerbaarheid in de praktijk van de in dit verband in acht te nemen termijnen moet voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 315 lid 2 Fw is afgewezen van dezelfde termijn worden uitgegaan.
Het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank van 19 november 2025 is ingesteld op 28 november 2025 en dus niet binnen acht dagen na de dag van de uitspraak. De beschermingsbewindvoerder is daarom niet ontvankelijk in dat beroep.
Overigens zijn de in het middel aangevoerde klachten ongegrond, op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1-4.6.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 12 juni 2026.