HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01001
Datum 16 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2024, nummer 20-002800-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het hoger beroep te laat is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is.
De stukken houden onder meer het volgende in. De verdachte is bij verstek veroordeeld door de politierechter. De inleidende dagvaarding is niet in persoon aan hem uitgereikt. Het vonnis van de politierechter is uitgesproken op 24 juli 2023. De verdachte heeft op 16 oktober 2023 hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:
“Verdachte kon volgens de wet hoger beroep instellen binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak hem bekend was.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat op 11 augustus 2023 gepoogd is de mededeling uitspraak uit te reiken aan [a-straat 1] te [plaats] . Blijkens de akte van uitreiking heeft verdachte geweigerd om de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen. Dat is een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak hem bekend was.
Nu het hoger beroep eerst op 16 oktober 2023, alzo na het verstrijken van evengenoemde termijn, is ingesteld dient de verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
Artikel 408 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(...)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
Het hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van een omstandigheid, vermeld in artikel 408 lid 1 Sv. Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de politierechter. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.)
Het oordeel van het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat onder 2.4 is overwogen. Het hof heeft immers uitsluitend vastgesteld dat op 11 augustus 2023 is geprobeerd de mededeling uitspraak aan de verdachte uit te reiken, waarbij de verdachte heeft geweigerd die mededeling uitspraak in ontvangst te nemen, maar het heeft niet vastgesteld dat de verdachte op die datum ook op de hoogte is gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. In dit opzicht verschilt deze zaak van het geval dat aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1160, waarin het hof had vastgesteld dat de verdachte, na zijn weigering om het stuk (de dagvaarding) in ontvangst te nemen, de inhoud daarvan is meegedeeld.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026.