GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Appellant],
Uitspraak van 1 juli 2024
Gaza nummer AUA202302458
UITSPRAAK
op het bezwaar als bedoeld in de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
wonend in Aruba,
APPELLANT,
procederend in persoon,
tegen:
DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN, OVERHEIDSORGANISATIE, INNOVATIE, INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).
PROCESVERLOOP
Bij brief van 11 mei 2023 heeft klager verweerder verzocht om hem te doen plaatsen in de functie van juridische medewerker bij de Dienst Technische Inspectie (DTI) of in de functie van beleidsmedewerker bij het Korps Politie Aruba (KPA).
Tegen de weigering om op zijn verzoek te beslissen heeft klager op 7 juli 2023 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
Verweerder heeft op 31 mei 2024 stukken ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 10 juni 2024. Klager is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
OVERWEGINGENDe ontvankelijkheid
Artikel 35, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) bepaalt - voor zover van belang - dat een bezwaarschrift kan worden ingediend ter zake dat weigeringen om te beschikken of te handelen ten aanzien van de ambtenaar als zodanig door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden, of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Blijkens de memorie van toelichting op deze bepaling is hiermee beoogd de ambtenaar niet alleen te beschermen tegen daden, maar ook tegen verzuim, nalatigheid, achterwege blijven van handelingen of beschikkingen, opzettelijk of uit zorgeloosheid.
Artikel 41, eerste lid, van de La, bepaalt dat het bezwaarschrift tegen een weigering wordt ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering uitgesproken is.
Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep (vgl. RvBAz 29 juni 2012, ECLI:NL:ORBANAA:2012:BX4891) is sprake van een redelijke tijd zoals bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de La, na verloop van tussen de vier maanden en een jaar na het indienen van het verzoek, afhankelijk van de ingewikkeldheid van het verzoek en de bekendheid van het beschikkend orgaan met de desbetreffende materie.
2. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar moet onderscheid worden gemaakt tussen de tijdigheid van het bezwaar op het moment van indienen van het bezwaarschrift enerzijds en anderzijds de vraag of een rechtzoekende nog baat heeft bij een uitspraak op dat bezwaar. Voor de beantwoording van die laatste vraag zijn van belang de feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen ten tijde van die uitspraak.
De tijdigheid. Klager heeft bij brief van 11 mei 2023 verzocht om hem te doen plaatsen in de functie van juridische medewerker bij de Dienst Technische Inspectie (DTI) of in de functie van beleidsmedewerker bij het Korps Politie Aruba (KPA). Omdat verweerder op 7 juli 2023 geen beslissing had genomen op het op 11 mei 2023 ingediend verzoek van klager mocht hij, gelet op de aard van dat verzoek, ten tijde van het indienen van zijn bezwaarschrift aannemen dat verweerder heeft geweigerd op zijn verzoek te beslissen.
Procesbelang. Zoals hiervoor aangegeven is daarmee echter nog niet gegeven dat klager ook procesbelang heeft bij een uitspraak op zijn bezwaar. Daarvoor is relevant of inmiddels is beslist op het door klager gedane verzoek.
Klager heeft het hoofd DTI op 18 maart 2023 een motivatiebrief geschreven, waarin hij aangeeft in aanmerking te willen komen voor de functie van juridische medewerker DTI. Zoals hiervoor aangegeven heeft klager de minister van Algemene Zaken, Overheidsorganisatie, Innovatie en Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening bij brief van 11 mei 2023 gevraagd hem te willen plaatsen in de functie van juridisch medewerker DTI. Naar aanleiding daarvan hebben op 7 maart 2024 en 25 april 2024 gesprekken plaatsgevonden met klager. Bij mailbericht van 20 mei 2024 is klager bericht dat DTI heeft besloten de sollicitatie van klager af te wijzen, omdat klager niet voldoet aan de vereisten voor de functie van juridisch medewerker.
Aangezien klager inmiddels een inhoudelijke reactie heeft gekregen op zijn verzoek wat betreft de functie van juridisch medewerker DTI moet worden geoordeeld dat hij geen belang meer heeft bij een uitspraak van het gerecht op zijn bezwaar tegen de fictieve weigering te beslissen op dit deel van het verzoek van 11 mei 2023. Het bezwaar dient daarom in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Dat is anders wat betreft zijn verzoek om te worden geplaatst in de functie van beleidsmedewerker bij het Korps Politie Aruba (KPA). Een DRH-begeleider heeft al op 18 april 2023 de Korpschef gemaild met de vraag of hij openstaat om mee te werken aan de re-integratie van klager en een kennismakingsgesprek met hem te houden zodra hij solliciteert. Klager heeft op 10 mei 2023 via email een motivatiebrief naar het KPA gestuurd, waarin hij zijn interesse voor de functie van (junior) beleidsmedewerker kenbaar maakt en heeft gevraagd om een reactie en een uitnodiging voor een kennismakingsgesprek. Het KPA heeft niet gereageerd op deze e-mails.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting - desgevraagd - betoogd dat ook dit verzoek daarmee is afgehandeld. Het gerecht volgt dit standpunt niet. Klager heeft er recht op dat op zijn verzoek om te worden geplaatst in de functie van (junior) beleidsmedewerker bij het Korps Politie Aruba (KPA) een expliciete beslissing wordt genomen, die schriftelijk aan hem wordt meegedeeld. Het gerecht zal de minister daarom opdragen alsnog een reële beslissing te nemen op het bezwaar van klager voor zover het laatstgenoemde functie betreft.
Ter voorlichting aan klager merkt het gerecht nog op dat onderstaande beslissing niet betekent dat klager recht heeft op plaatsing in de functie van (junior) beleidsmedewerker bij het KPA. Wel heeft hij er recht op een behoorlijke begeleiding en een duidelijke beslissing of hij al dan niet voor de door hem geambieerde functie in aanmerking komt.
4. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het bezwaar van klager deels niet-ontvankelijk moet worden verklaard en deels gegrond. Het gerecht zal de fictieve weigering te beslissen op klagers verzoek vernietigen, maar alleen voor zover dat verzoek betrekking heeft op de functie van (junior) beleidsmedewerker bij het KPA. Verweerder zal worden opgedragen in zoverre alsnog een reëel besluit te nemen.
5. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Daarbij merkt het gerecht op dat weliswaar het inleidend verzoek namens klager is ingediend door zijn gemachtigde, doch dat het bezwaarschrift door klager zelf is opgesteld en ingediend en hij in persoon, zonder bijstand van zijn gemachtigde, op zitting is verschenen. Er zijn in de bezwaarprocedure dus geen proceshandelingen verricht door een professionele gemachtigde die voor vergoeding in aanmerking komen.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- draagt verweerder op om binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak alsnog schriftelijk te beslissen op het verzoek van klager te worden geplaatst in de functie van (junior) beleidsmedewerker bij het KPA.
Deze beslissing is op 1 juli 2024 in raadkamer gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, ambtenarenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. A. de Cuba.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:
Het beroepschrift moet worden ingediend bij:
De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de datum van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van beroep is geen griffierecht verschuldigd.