Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[Appellant],
Uitspraakdatum: 3 december 2025
Zaaknummer: AUA2024H00210
IN AMBTENARENZAKEN
VAN ARUBA
op het hoger beroep van:
wonend in Aruba,
appellant, (hierna: [appellant]),
procederend in persoon,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 1 juli 2024, zaaknummer AUA202302458 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Appellant]
en
De minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisatie, Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening,
geïntimeerde (hierna: de minister),
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak op de zitting van 8 oktober 2025 behandeld, tegelijkertijd met de zaken van partijen met de nummers: AUA2024H00211, AUA2025H00014 en AUA2025H00015 en AUA2024H00169. [Appellant] is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De Raad heeft in alle zaken vandaag uitspraak gedaan.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
Voor een uitgebreide weergave van relevante feiten in deze zaak verwijst de Raad naar zijn uitspraak van vandaag met de zaaksnummers AUA2024H00211, AUA2025H00014 en AUA2025H00015. De Raad volstaat hier met het volgende.
Op 11 mei 2023 heeft [appellant] de minister verzocht hem te plaatsen in de functie van juridisch medewerker bij de Dienst Technische Inspectie (DTI) dan wel in de functie van beleidsmedewerker bij het Korps Politie Aruba (KPA).
Tegen de weigering om op dit verzoek te beslissen heeft [appellant] op 7 juli 2023 bezwaar gemaakt bij het Gerecht.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
Op 20 mei 2024 is tijdens de bezwaarprocedure de sollicitatie van [appellant] bij de DTI afgewezen. Het Gerecht heeft om die reden het bezwaar van [appellant] tegen de weigering om te beslissen op zijn verzoek om bij de DTI geplaatst te worden niet-ontvankelijk verklaard.
Het Gerecht heeft het bezwaar tegen de weigering om te beslissen op het plaatsingsverzoek bij het KPA gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen drie maanden op het plaatsingsverzoek bij het KPA te beslissen.
Wat heeft [appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3. [Appellant] heeft in hoger beroep gewezen op een beslissing van 17 juli 2024, waarbij de Korpschef zijn verzoek om geplaatst te worden in de functie van beleidsmedewerker bij het KPA heeft afgewezen.
[Appellant] is het met de beide afgewezen plaatsingsverzoeken niet eens. Hij meent aan het Protocol Sociaal Statuut Setar 2002 (Protocol) het recht te kunnen ontlenen op een vaste formatieplaats in overheidsdienst. Het Gerecht heeft zich hierover ten onrechte niet uitgelaten volgens [appellant].
Hoe oordeelt de Raad?
De Raad stelt voorop dat de bezwaarprocedure zag op de weigering te beslissen op de plaatsingsverzoeken van [appellant]. Nu inmiddels op beide verzoeken is beslist, heeft [appellant] geen belang meer bij een oordeel over zijn hoger beroep.
Aan een bespreking van de inhoudelijke gronden die [appellant] tegen de afgewezen plaatsingsverzoeken heeft aangevoerd komt de Raad niet toe omdat dit buiten de omvang van dit geding valt. De Raad verwijst voor een inhoudelijke bespreking naar de zaak AUA2024H00215, waarin de Raad vandaag uitspraak doet.
Conclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, voorzitter, en mr. A.H.M. van de Leur en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.