GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202501097
Beschikking van 16 juni 2025
in de zaak van [verzoekster], wonende in [woonplaats], verzoekster, gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en L.J.C. Frias,
tegen
SPIGT DUTCH CARIBBEAN N.V.,
gevestigd in Curaçao,
verweerster,
gemachtigden: mr. K. de I’Isle.
Partijen worden hierna [verzoekster] en Spigt genoemd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift van 2 april 2025, met producties;
het verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek, met producties;
de mondelinge behandeling van 19 mei 2025;
de pleitnotitie van [verzoekster];
de pleitnotitie met bijlagen van Spigt.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Waar gaat de procedure over?
In het geschil staat centraal de vraag of de arbeidsovereenkomst is geëindigd met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
Volgens het gerecht is dat het geval en het zal hierna uitleggen hoe het tot dit oordeel komt, na eerst de feiten te hebben vermeld.
3. De feiten
verzoekster], geboren op [datum] 1960, is op 1 november 2007 bij Spigt in dienst getreden in de functie van [functie 1].
In artikel 3.4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:
“In alle gevallen zal de arbeidsovereenkomst eindigen op 23 maart 2020, in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.”
Met ingang van 1 maart 2013 is de wettelijke pensioenleeftijd in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering verhoogd van 60 jaar naar 65 jaar.
verzoekster] is na 23 maart 2020 blijven werken. Op 27 november 2024 stuurde de heer [betrokkene] (hierna [betrokkene]) een e-mail aan [verzoekster] met de tekst:
“Zullen wij een dezer dagen een afspraak inplannen? De aanleiding is dat jij volgend jaar 65 wordt, en dat is de pensioengerechtigde leeftijd.”
Op 7 januari 2025 heeft [betrokkene] in een e-mail aan [verzoekster] geschreven:
“Dank je voor ons gesprek. We spraken af dat je in je laatste maanden bij ons 4 dagen per week gaat werken, met behoud van je huidige salaris, en dat je arbeidsovereenkomst 31 maart as. eindigt. (…)
Jij zou ook nog nadenken over wat jij een leuk afscheid van kantoor zou vinden. Zullen we daar eind deze week of begin volgende week nog even contact over hebben?”
Op 20 januari 2025 heeft [verzoekster] gereageerd op de e-mail van 7 januari 2025. Zij heeft onder meer geschreven:
“Je begrijpt hopelijk dat ik een en ander goed moet uitzoeken en me goed wil laten voorlichten over mijn juridische en financiële positie voordat ik een beslissing kan nemen over jouw voorstel. (…)
Gaarne word ik ook geïnformeerd omtrent mijn recht op cessantia en de eindafrekening, indien de arbeidsovereenkomst eindigt zoals wordt voorgesteld.
(…)”
4. Het geschil
het verzoek van [verzoekster]
verzoekster] verzoekt – samengevat – dat het gerecht de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbindt wegens gewichtige redenen met veroordeling van Spigt tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoekster] en met veroordeling van Spigt in de kosten van de procedure.
verzoekster] legt aan het verzoek het volgende ten grondslag. De arbeidsovereenkomst is na 23 maart 2020 stilzwijgend voortgezet voor onbepaalde tijd. Zonder toestemming van SOAW kon Spigt de arbeidsovereenkomst niet opzeggen. Het handelen van Spigt is in strijd met het goed werkgeverschap. [verzoekster] is hierdoor genoodzaakt het gerecht te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden.
het voorwaardelijke verzoek van Spigt
Spigt verzoekt, voor zover de arbeidsovereenkomst niet al van rechtswege is geëindigd en het verzoek van [verzoekster] wordt afgewezen, de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te beëindigen wegens gewichtige redenen zonder toekenning van een vergoeding en met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure.
Spigt baseert haar verzoek op het volgende. Volgens Spigt is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd per 25 maart 2025 omdat [verzoekster] toen de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Als het gerecht anders beslist en het verzoek [verzoekster] wordt afgewezen dan vraagt Spigt het gerecht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Die leeftijd wordt politiek en maatschappelijk gezien als het moment waarop een beroepsleven eindigt.
5. De beoordeling
het verzoek van [verzoekster]
In deze zaak staat de vraag centraal of de arbeidsovereenkomst op 25 maart 2025 van rechtswege is geëindigd. Dat geldt voor zowel het verzoek van [verzoekster] als het voorwaardelijke verzoek van Spigt. Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord komt het gerecht niet toe aan de beoordeling van de (voorwaardelijke) ontbindingsverzoeken.
Het gaat hier om de uitleg van het pensioenontslagbeding in de door partijen in 2007 gesloten arbeidsovereenkomst, in het bijzonder wat wordt bedoeld met ‘pensioengerechtigde leeftijd’. Dat wordt bepaald aan de hand van het Haviltex-criterium. Van belang is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Toen het beding werd overeengekomen was de pensioengerechtigde leeftijd in Curaçao 60 jaar. In het beding is de datum waarop [verzoekster] 60 jaar werd ook specifiek genoemd. Tijdens het dienstverband (in 2013) is de pensioengerechtigde leeftijd in Curaçao verhoogd van 60 naar 65 jaar.
De rechtvaardiging voor het pensioenontslag is er in gelegen dat het nog altijd maatschappelijk wenselijk wordt geacht dat een werkgever zijn werknemer kan verplichten om op een zeker moment plaats te maken voor een jongere collega en een vaste leeftijd maakt die doorstroming meer voorspelbaar en objectief. Ook wordt door het ontslag te binden aan een op voorhand bekend moment voorkomen dat de werkgever en werknemer verzeild reiken in lastige discussies over de vraag of laatstgenoemde nog altijd de prestaties kan leveren die de baan van hem vergt. Dat daarbij als grens de AOV-leeftijd wordt gehanteerd is deels ingegeven door een praktische overweging: op dat moment ontvangt de werknemer immers de uitkering die voor het merendeel van de werknemers van belang is om het zonder inkomen uit arbeid te kunnen stellen. Daarnaast wordt de AOV-leeftijd geacht een politieke en maatschappelijke meerderheidsopvatting tot uitdrukking te brengen over het moment waarop een beroepsleven, gelet op alle relevante economische, politieke en ook medische en demografische factoren zoals levensverwachting, eindigt.
De verhoging van de pensioenleeftijd naar 65 jaar betekent dat [verzoekster] op die leeftijd in aanmerking komt voor een AOV-uitkering. Spigt heeft daarnaast op enig moment een collectieve pensioenverzekering voor haar personeel gesloten. Ook hiervoor geldt dat [verzoekster] voor een pensioenuitkering in aanmerking komt met het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Onder die omstandigheden moet het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst zo worden uitgelegd dat met pensioengerechtigde leeftijd de huidige (tijdens de arbeidsovereenkomst gewijzigde) pensioengerechtigde leeftijd wordt bedoeld. Dit sluit immers aan op de leeftijd dat [verzoekster] in aanmerking komt voor pensioenvoorzieningen.
De door [verzoekster] bepleite uitleg zou namelijk – de stelling dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet buiten beschouwing gelaten - het onwenselijke gevolg hebben dat zij over een periode van vijf jaar geen inkomen zou hebben gehad, althans geen inkomen uit een AOV-uitkering en een pensioenuitkering. Een dergelijke uitleg zou dus nadelig zijn voor [verzoekster] als werknemer en mogelijk discriminatoir ten opzichte van andere collega’s die ná de wijziging van de pensioengerechtigde leeftijd een arbeidsovereenkomst met een pensioenontslagbeding zijn overeengekomen. Zij kunnen immers blijven werken tot zij 65 jaar worden en totdat zij aanspraak hebben op een AOV-uitkering.
Partijen hebben zich ook naar deze uitleg gedragen. De in het beding genoemde datum is verstreken zonder dat Spigt of [verzoekster] het beding ter sprake heeft gebracht. [verzoekster] is gewoon blijven werken. Partijen hebben daarmee ook gehandeld alsof de huidige geldende pensioengerechtigde leeftijd tussen hen geldt.
Het voorgaande leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst gelet op het overeengekomen pensioenontslagbeding en de uitleg die daaraan in de gegeven omstandigheden moet worden gegeven, van rechtswege is geëindigd met het bereiken van de 65-jarige leeftijd door [verzoekster], dat wil zeggen 25 maart 2025.
Omdat de arbeidsovereenkomst al is geëindigd wordt het ontbindingsverzoek van [verzoekster] afgewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde billijke vergoeding. Een grond hiervoor ontbreekt.
Opmerking verdient nog dat Spigt tijdens de zitting heeft toegezegd dat als blijkt dat [verzoekster] nog aanspraak heeft op cessantia zij dat aan [verzoekster] zal betalen.
Proceskosten
Het gerecht ziet aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat elke partij de eigen kosten draagt.
het voorwaardelijke verzoek van Spigt
Het gerecht komt daarom niet toe aan de behandeling van het ontbindingsverzoek van Spigt, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan. Er hoeft in dit verzoek daarom niet te worden beslist.
6. De beslissing
Het gerecht:
wijst het verzoek van [verzoekster] af;
compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Tubben, rechter, bijgestaan door
mr. A.F. Lipman, griffier, en in het openbaar uitgesproken.