Zaaknummer: H-95/25
Parketnummer: 555.00050/25
Uitspraak: 21 mei 2026 Tegenspraak
Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 3 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] te Curaçao,
nu gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba (KIA).
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte ten aanzien van de onder 1 primair, impliciet subsidiair, en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. E.V.A. Bos, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. S.N. Zahedi, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van wat door/namens de benadeelde partijen [de benadeelde partijen] in het kader van hun vorderingen tot schadevergoeding naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:
FEIT 1
PRIMAIR. POGING DOODSLAG/ POGING MOORD
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [de slachtoffers] en/of hun (overige) familieleden van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:
waardoor in de woning, waarin voornoemde personen zich bevonden, brand is ontstaan en (deels) is afgebrand, terwijl de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid.
SUBISIDIAIR. ZWARE MISHANDELING
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffers 1 en 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk Letsel heeft toegebracht, te weten (onder meer):
(aan [slachtoffer 1])
en/of
(aan [slachtoffer 2])
- meerdere brandwonden aan rechterhand en beide benen
door opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade:
- ( (een) zogenaamde vuurwerkbom(men)/brandbom(men) en/of een zelfgemaakt ontploffingsmiddel, te weten (een) fles(sen) en/of (een)spuitbus(sen) bevattende insecticidespray althans een (brandbare) stof, in aanraking te brengen met open vuur, althans een brandbaar materiaal en/of brandbare vloeistof op brandbaar materiaal en/of brandbare vloeistof op enigerlei vorm of wijze aan te brengen en/of door een raam van de woning gelegen te [adres] te gieten en/of te gooien en/of vervolgens dit materiaal en/of die vloeistof tot ontbranding te brengen en/of te laten komen.
waardoor in de woning, waarin voornoemde personen zich bevonden, brand is ontstaan en (deels) is afgebrand
FEIT 2. BRANDSTICHTING
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij/in een woning gelegen te [adres], immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar opzettelijk:
in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan genoemde woning, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (alle goederen in en om) die woning en/of aangrenzende gebouwen en/of woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten is geweest, te weten voor (onder meer) [slachtoffers] en/of hun (overige) familieleden.
Vrijspraak van de tenlastegelegde feiten 1 en 2
Feiten en omstandigheden
In de vroege ochtend van 1 januari 2025, in de nieuwjaarsnacht, is opzettelijk brand gesticht in een woning aan de [adres]. Uit forensisch onderzoek blijkt – kort gezegd – dat met onder andere spuitbussen een ontploffingsmiddel is gemaakt. Dit ontploffingsmiddel is door de ruit van de keuken van de woning gegooid, waarbij vervolgens een hevige brand in de woning is ontstaan.
Naast de materiële schade die door deze woningbrand werd veroorzaakt, zijn de gevolgen van deze brand voor de bewoners van de woning ook zeer ernstig te noemen, met name voor de toen [leeftijd] [slachtoffer 1]. Uit medisch onderzoek is gebleken dat de brand bij hem een verbranding van 56% van het lichaamsoppervlak tot gevolg heeft gehad. Hij heeft vier maanden doorgebracht in een ziekenhuis in Colombia, waarvan hij de eerste maand in coma lag. Uit de ter terechtzitting getoonde foto’s en video’s en de bij het schadevergoedingsrapport gevoegde foto’s zijn de ernstige fysieke gevolgen van de brand voor [slachtoffer 1] duidelijk zichtbaar geworden. Uit de inhoud van deze stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 1] de fysieke en mentale gevolgen, veroorzaakt door de brand, mogelijk de rest van zijn leven met zich mee zal moeten dragen. De medische behandelingen met betrekking tot zijn verwondingen zullen zeker nog (minimaal) enkele jaren gaan duren. Met het oog daarop zal een deel van het gezin waarschijnlijk naar het buitenland (moeten) verhuizen. Naast [slachtoffer 1] liep ook de moeder van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], door de brand ernstige brandwonden op, met name aan haar benen en rechterarm. De overige aanwezigen in de woning hadden na de brand voornamelijk last van ademhalingsproblemen. De woningbrand en de gevolgen daarvan hebben nog steeds enorme impact op de familie.
De verdachte wordt verweten dat hij de brand heeft gesticht en dat hij daarmee ook heeft geprobeerd de bewoners van de woning om het leven te brengen. Het Gerecht heeft de verdachte veroordeeld voor de tenlastegelegde feiten. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ontkend de brandstichter te zijn geweest.
Standpunt van het openbaar ministerie en het oordeel van het Gerecht in eerste aanleg
Het openbaar ministerie en het Gerecht hebben feiten en omstandigheden genoemd waarop zij het daderschap van de verdachte baseren. Dit betreft in de eerste plaats dat de naam van de verdachte al tijdens de brand zou zijn genoemd als de vermeende dader. Ook zou de verdachte een motief hebben gehad om de brand te stichten, namelijk het feit dat zijn relatie met één van de bewoners van de woning, zijn ex-vriendin [slachtoffer 3], gespannen was. Dat zou onder meer blijken uit de door hen uitgewisselde tekstberichten kort vóór en na de brand. Daarnaast heeft de verdachte in 911-gesprekken op 3 en 4 januari 2025 – kort gezegd – zichzelf aangewezen als de dader en heeft hij op 9 maart 2025 een sms-bericht gestuurd naar de politie, met daarin onder andere de mededeling dat hij, de verdachte, bereid is zichzelf over te geven in ‘de zaak van [slachtoffer 3]’ (het Hof begrijpt: de woningbrand in de woning waar [slachtoffer 3] woont).
Het openbaar ministerie heeft in aanvulling hierop nog het volgende aangevoerd. De verdachte is in de nacht van de brand bij het huis van de getuige [getuige] geweest. Zij verklaarde dat de verdachte zich toen erg onrustig gedroeg en zou hebben gezegd dat hij ‘iets had gedaan’ maar niet meer wist wat. Toen hij sirenes hoorde zou hij hebben geschreeuwd dat er iets was gebeurd. De verdachte heeft voorts bij de politie steeds wisselende verklaringen afgelegd. De inconsistenties in de verklaringen, gecombineerd met verdachtes contact met de politie, vormen volgens het openbaar ministerie het bewijs dat de verdachte betrokken was bij de brand. Daaraan is ter terechtzitting in hoger beroep nog toegevoegd dat eveneens sprake is geweest van kennelijke leugenachtige verklaringen van de verdachte, gelet op zijn wisselende verklaringen over de 911-gesprekken en het sms-bericht, over het verloop van de nacht van 1 januari 2025 en over de vermeende betrokkenheid van anderen dan de verdachte. Het openbaar ministerie is dan ook van mening dat de verdachte deze wisselende verklaringen heeft afgelegd om de waarheid te bemantelen om daarmee zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten te verhullen.
Het openbaar ministerie komt in hoger beroep – net als het Gerecht in eerste aanleg – tot de conclusie dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich – in de kern – op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, nu objectief bewijs dat de verdachte de dader is geweest ontbreekt. Het dossier bevat volgens de verdediging namelijk geen enkel bewijs dat de verdachte vóór, tijdens en/of na de brand op de plaats delict is geweest. De voornoemde 911-gesprekken en het sms-bericht van de verdachte zijn ook volgens de verdediging opmerkelijk te noemen, maar deze omstandigheden maken niet dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om hem voor de tenlastegelegde feiten te veroordelen.
Oordeel van het Hof
Het Hof is van oordeel dat de verdachte zichzelf enorm heeft belast door de door hem gevoerde 911-gesprekken op 3 en 4 januari 2025 en het sms-bericht van 9 maart 2025, waarin hij – in de kern – aangaf dat hij de dader is geweest van de brandstichting. Ook zijn gedrag in de nacht van 1 januari 2025 in de woning van de getuige [getuige], vermoedelijk (zeer) kort na de woningbrand, is naar het oordeel van Hof opvallend te noemen. Zijn eigen wisselende (en deels ongeloofwaardige) verklaringen voor de 911-gesprekken, het verloop van de nacht van 1 januari 2025 en de vermeende betrokkenheid van anderen dan de verdachte, hebben de verdachte eveneens in een moeilijke positie gebracht. Deze omstandigheden maken ook naar het oordeel van het Hof dat de verdachte zonder meer als de verdachte van de tenlastegelegde feiten kon worden aangemerkt.
Hoewel in deze zaak er dus verschillende aanwijzingen zijn dat de verdachte de brandstichter is geweest, is het Hof – anders dan het Gerecht in eerste aanleg – van oordeel dat die aanwijzingen (die door het Gerecht zijn gebruikt voor het bewijs) tekortschieten om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. Het Hof overweegt daartoe als volgt.
In de eerste plaats overweegt het Hof dat forensisch bewijs ontbreekt waaruit verdachtes daderschap zou kunnen worden afgeleid. Op de plaats delict zijn, voor zover bij het Hof bekend, geen vingerafdrukken, DNA-sporen, dan wel andere biologische sporen aangetroffen die in de richting van de verdachte wijzen. Ook zijn onder de verdachte en/of tijdens de huiszoeking in zijn woning geen goederen aangetroffen die hem in verband met de brandstichting kunnen brengen, bijvoorbeeld soortgelijke spuitbussen en/of de aangetroffen tape waarmee het ontploffingsmiddel werd gefabriceerd.
In de tweede plaats bevat het dossier geen bewijs dat de verdachte (kort) vóór en/of gedurende en/of (kort) na de brand in de buurt van [de plaats delict] is geweest. Niemand heeft de verdachte of zijn auto die nacht in die omgeving gezien. Hoewel de bevindingen met betrekking tot de zendmastgegevens van de telefoon van de verdachte – die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd – vragen oproepen, is het Hof met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat er op basis van deze gegevens geen belastende conclusies kunnen worden getrokken, laat staan de conclusie dat de verdachte op de plaats delict is geweest op of rondom het tijdstip van de brandstichting.
In dit kader heeft het Hof onderzocht of het op basis van de zendmastgegevens voor de verdachte (in theorie) mogelijk moet zijn geweest om binnen een bepaald tijdsbestek naar de plaats delict te rijden, de brand te stichten en vervolgens terug te rijden naar de plek waar zijn telefoon weer een mast aanstraalde. In dit verband is het bepalen van het tijdstip van de (melding van) de brandstichting relevant. Over het precieze tijdstip van (de melding van) de brandstichting bestond bij het Hof twijfel, nu in het onderhavige dossier twee verschillende tijdstippen werden genoemd, namelijk 02:55 uur (onder andere) in de aangifte van [slachtoffer 2] (pagina 38) en de aangifte van haar partner [slachtoffer 3] (pagina 19), en 03:15 uur (in het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisanten] (pagina 67). Op verzoek van het Hof is een aanvullend proces-verbaal opgesteld waarin is gerelateerd dat de eerste telefonische melding van de brand om 02:56:03 uur is gedaan.
Uitgaande van dat tijdstip van (de melding van) de brandstichting geldt het volgende. Om 02:48 uur, 8 minuten vóór de melding om 02:56:03 uur, straalt de telefoon van de verdachte de zendmasten aan van Manikuiper, Zegu en Souax. Daarna straalt de telefoon gedurende ongeveer 16 minuten geen zendmast aan om vervolgens om 03:05:19 uur de zendmast te Souax aan te stralen. Het Hof stelt vast dat dit zendmasten zijn in de buurt van de woning van de verdachte en eveneens in de buurt van het begin van de Weg naar Westpunt (rotonde di Zegu). Het Hof is van oordeel dat – gelet op de bij het Hof bekende aanrijtijd naar de plaats delict, die ruim meer bedraagt dan 8 minuten – het:
1. onwaarschijnlijk is dat de verdachte in 8 minuten tijd van de rotonde di Zegu (dan wel in de omgeving daarvan) naar de plaats delict is gereden; en
2. dat het vrijwel onmogelijk is dat de verdachte binnen 16 minuten van de rotonde di Zegu (dan wel in de omgeving daarvan) naar de plaats delict is gereden, daar de brand heeft gesticht, en vervolgens weer naar (de omgeving van) Souax is gereden.
Het Hof acht het opmerkelijk dat de telefoon van de verdachte in de nacht van 1 januari 2025 tot twee maal toe voor een langere periode geen zendmast heeft aangestraald en dat dit beide keren gebeurde omstreeks het tijdstip van de brand. Uit het onderhavige dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft het Hof echter niet kunnen vaststellen wat hier de oorzaak van is geweest. Ook de verdachte heeft hier geen verklaring voor gegeven. Een scenario dat de verdachte zijn telefoon heeft uitgezet, dan wel de simkaart uit zijn telefoon heeft gehaald, teneinde in die periode onopvallend naar de plaats delict te rijden om daar de brand te stichten, kan naar het oordeel van het Gerecht – mede gelet op wat hiervoor is overwogen over de afstand en het tijdsbestek – op basis van deze zendmastgegevens dan ook niet, zonder ander bewijs, worden getrokken.
Het Hof heeft ook gekeken naar de mogelijkheid dat de verdachte zijn telefoon die nacht rondom het tijdstip van de brand niet bij zich had en mogelijk wel in de omgeving van de woning van de familie [naam familie] was. Voor dit scenario biedt het dossier echter geen aanwijzingen. Sterker nog, er zijn aanwijzingen dat de verdachte zijn telefoon die bewuste nacht van de brandstichting meerdere keren zelf gebruikt heeft en dus bij zich had.
Het openbaar ministerie heeft verder ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verklaringen van de verdachte op bepaalde punten als kennelijk leugenachtig kunnen worden gekwalificeerd. Weliswaar zijn de verklaringen van de verdachte wisselend en op een aantal punten bepaald niet geloofwaardig, maar van kennelijk leugenachtige verklaringen in de door de Hoge Raad bedoelde zin is, gelet op de overige inhoud van het dossier, geen sprake. Naar het oordeel van het Hof bevat het dossier geen bewijsmiddelen waaruit verdachtes leugenachtigheid volgt.
Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat het scenario dat de verdachte niet de brandstichter is geweest niet kan worden uitgesloten, nu gelet op al het voorgaande - in het bijzonder gelet op de resultaten van de zendmastgegevens – bij het Hof ernstige twijfel bestaat of de verdachte überhaupt in staat is geweest om op het tijdstip van de brandstichting op de plaats delict te zijn. Temeer nu ook anderszins geen bewijs voorhanden is dat de verdachte (kort) voorafgaand en/of gedurende en/of (kort) na de brand in de buurt van/aan de [plaats delict] is geweest.
De vraag waarom de verdachte zichzelf voor zijn aanhouding bij de 911-meldingen en het latere sms-bericht naar de politie op voornoemde wijze heeft belast, terwijl hij er naar eigen zeggen niets mee te maken had, is natuurlijk een terechte vraag. De verklaring van de verdachte dat hij dit deed omdat hij werd bedreigd wordt op geen enkele manier door de inhoud van het dossier ondersteund. Zoals uit al het voorgaande volgt ontbreekt echter ook (objectief) steunbewijs voor de inhoud van die 911-gesprekken en het sms-bericht.
Het Hof komt tot de slotsom dat op basis van het onderhavige dossier de drempel van wettig en overtuigend bewijs niet wordt gehaald.
De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Schadevergoeding
Na te noemen benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding tot na te noemen bedragen:
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn bij vonnis waarvan beroep grotendeels toegewezen.
Het Hof begrijpt goed dat de bewoners van de woning grote schade hebben geleden, zowel in materiële, fysieke, als mentale zin. De fysieke/mentale schade en de woede die met name door [slachtoffer 1] nog elke dag wordt ervaren als gevolg van de woningbrand, zijn uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting op indringende wijze naar voren gekomen. Het is de trieste en verdrietige werkelijkheid dat het leven van [slachtoffer 1] en die van zijn familieleden door de woningbrand nooit meer hetzelfde zal zijn.
Nu aan de verdachte voor het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, echter geen straf of maatregel wordt opgelegd en ook geen schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel wordt uitgesproken, kunnen de benadeelde partijen niet in de vordering worden ontvangen.
Het is mogelijk dat deze beslissing voor de benadeelde partijen moeilijk te begrijpen zal zijn. Maar omdat - zoals hiervoor is overwogen - niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is die deze tragedie heeft veroorzaakt, komt het Hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
In een aparte brief, gericht aan het minderjarige slachtoffer [slachtoffer 1], zal het Hof in voor hem begrijpelijke taal nadere uitleg geven over dit vonnis.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis van 3 juli 2025 van het Gerecht en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling;
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partijen] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. F.V.L.M. Wannyn en mr. Y.C. Bours, leden van het Hof, bijgestaan door mr. L. Witte, (zittings)griffier, en op 21 mei 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao (met een directe beeld- en geluidsverbinding met het Korrektie Instituut Aruba).