Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[Appellante],
De Regering van Curaçao,
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Zaaknummer: CUR2026H00019
IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAÇAO
op het hoger beroep van:
appellante (hierna: [appellante]),
gemachtigde: mr. A.V.E. Vilchez,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 17 december 2025, CUR202502379 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:
[appellante]
en
(hierna: de Regering),
gemachtigde: mr. S.M. Concincion-Quirindongo.
Procesverloop
[Appellante] heeft hoger beroep ingesteld.
De Regering heeft een contramemorie ingediend.
De Raad heeft de zaak op de zitting van 23 april 2026 behandeld. [Appellante] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Deze zaak gaat over de vraag of [appellante] terecht is ontslagen uit haar functie van medewerker beveiliging bij het Sentro Detenshon i Korekshon Korsou (SDKK). Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante] was sinds 1 februari 2012 in de functie van medewerker beveiliger werkzaam bij het SDKK.
Naar aanleiding van een melding van een collega van [appellante] op 2 juni 2021 dat zij op de dienstcomputer via Facebook Messenger gesprekken voert met een gedetineerde, heeft een lid van het Projectteam Veiligheidszorg SDKK, belast met integriteitsonderzoeken bij het SDKK (projectteam), een onderzoek ingesteld. In het kader van het onderzoek zijn de tussen [appellante] en de betrokken gedetineerde via Facebook Messenger gevoerde gesprekken in de periode van 5 april 2021 tot en met 31 mei 2021 uitgelezen. Vervolgens is [appellante] op 17 juni 2021 ondervraagd over de inhoud van de gesprekken met de gedetineerde. Van de ondervraging is op dezelfde dag een proces-verbaal opgemaakt, dat per bladzijde is ondertekend door [appellante].
Appellante] is in het belang van het onderzoek met ingang van 2 juni 2021 de toegang ontzegd tot het SDKK en met ingang van 1 november 2021 geschorst uit haar functie. [Appellante] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
De bevindingen van het onderzoek van het projectteam zijn neergelegd
in het rapport “Zaak “[naam appellante]” van 24 september 2021. Het projectteam heeft op grond van de bevindingen onder andere geconcludeerd dat [appellante] regelmatig zowel op als buiten het werk gesprekken voert met de gedetineerde, dat zij allerlei spullen (telefoon, drank, eten, touw, pollepel en zelfgemaakte maaltijden) voor hem meeneemt, dat zij de gedetineerde waarschuwt indien er een controle plaatsvindt op het bezit van telefoons en dat zij niet heeft gemeld dat hijzelf een telefoon heeft.
De Regering heeft [appellante] met het landsbesluit van 17 april 2024, ontvangen door [appellante] op 6 juni 2024, in kennis gesteld van het voornemen haar te ontslaan. Daarbij is zij in de gelegenheid gesteld om op het voornemen tot ontslag te reageren. [Appellante] heeft vervolgens verzocht om inzage in het dossier. Op 7 augustus 2024 heeft [appellante] haar dossier ingezien. Hierover heeft zij op 12 augustus 2024 naar voren gebracht dat sommige stukken uit het dossier zeer moeilijk leesbaar waren. Ook heeft zij gemeld dat zij tijdens de ondervraging op 17 juni 2021 onwel was geworden door haar suikerziekte.
Met het ontslagbesluit van 20 mei 2025, nr. 25/1178, heeft de gouverneur [appellante] met ingang van 1 juni 2025 ontslagen. Het ontslag is primair gebaseerd op functionele ongeschiktheid en subsidiair op een vertrouwensbreuk (artikel 103, eerste lid, onder f, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht). Volgens de gouverneur is uit de bevindingen van het onderzoek gebleken dat [appellante] niet beschikt over eigenschappen, mentaliteit en instelling voor het op goede wijze vervullen van haar functie.
Wat is het oordeel van het Gerecht?
2. Het Gerecht heeft in de aangevallen uitspraak het bezwaar van [appellante] tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft, samengevat, overwogen dat de gedragingen van [appellante] zodanig ernstig zijn dat [appellante] niet geschikt moet worden geacht voor haar functie en een verbeterkans niet zinvol is.
Wat heeft [appellante] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?
3. [ Appellante] heeft allereerst bestreden dat zij ongeschikt is voor haar functie. Volgens haar heeft de Regering niet vastgesteld dat haar gedragingen leiden tot een duurzaam en structureel gebrek aan eigenschappen, mentaliteit of instelling voor haar functioneren. Daarbij moet betrokken worden dat zij ziek was tijdens de ondervraging op 17 juni 2021, onder druk het proces-verbaal heeft getekend en dat zij sinds 2012 een goede staat van dienst heeft. [Appellante] wijst nog op de gebrekkige inzage in de dossierstukken in augustus 2024 en stelt dat haar ten onrechte een verbeterkans is onthouden. Gelet op de omstandigheden is ontslag in haar situatie een te zwaar middel. [Appellante] vindt tot slot dat het tijdsverloop tussen de gedragingen in 2021 en het ontslag in 2025 in de weg staat aan het ontslag.
Hoe oordeelt de Raad?
Maatstaf van ongeschiktheid
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 februari 2023, ECLI:NL:ORBAACM:2023:4) moet het bestuursorgaan de ongeschiktheid voor het vervullen van een functie, zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn, aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Verder is volgens vaste rechtspraak ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en niet in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is volgens eveneens vaste rechtspraak anders in de uitzonderlijke situatie dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is.
Was de Regering bevoegd tot het geven van ongeschiktheidsontslag?
De Raad is van oordeel dat de Regering op grond van het gedrag en de houding van [appellante] bevoegd was om haar functioneel ongeschiktheidsontslag te verlenen. De Raad licht zijn oordeel als volgt toe.
De Raad volgt [appellante] niet voor zover zij betoogt dat zij niet kan worden gehouden aan haar verklaringen, opgenomen in het proces-verbaal van de ondervraging op 17 juni 2021. [Appellante] heeft immers op elke bladzijde van het proces-verbaal haar handtekening gezet, zonder daarbij enig voorbehoud te maken of een wijziging aan te brengen. [Appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij onder druk heeft getekend of tijdens de ondervraging zo onwel is geworden dat zij daardoor onjuist heeft verklaard. Dit is ook niet uit het proces-verbaal op te maken. Daarnaast vindt de verklaring van [appellante] van 17 juni 2021 steun in de uitgelezen versie van de gesprekken die [appellante] en de gedetineerde met elkaar hebben gevoerd.
Nu [appellante] in de bezwaarprocedure de beschikking heeft gehad over de dossierstukken gaat de Raad voorbij aan de door haar aangevoerde grond dat zij onvoldoende inzage heeft gehad in haar dossier in augustus 2024.
Uit het onderzoeksrapport van het projectteam van 24 september 2021 komt een beeld van gedragingen van [appellante] naar voren dat niet verenigbaar is met de functie van medewerker beveiliging binnen een penitentiaire inrichting, zoals het SDKK. Het gaat niet om een eenmalige misstap, zoals [appellante] lijkt te betogen, maar om een patroon van handelen gedurende in ieder geval een aantal weken. In deze periode had [appellante] intensief en ongeoorloofd contact met de gedetineerde, bracht zij goederen, eten en drinken voor hem mee naar het SDKK, waarschuwde zij hem voor een controle en liet [appellante] na melding te maken van zijn verboden bezit van een telefoon. Van [appellante], als medewerker beveiliging, had bij uitstek een onkreukbare en integere houding mogen worden verwacht, het bewaren en bewaken van professionele distantie tot gedetineerden en het handelen met het oog op het belang van de handhaving van orde en veiligheid binnen het SDKK. [Appellante] is hierin ernstig tekortgeschoten. Door haar handelwijze, waarbij haar eigen belangen en de belangen van de gedetineerde de overhand kregen, is gebleken dat zij niet beschikt over de voor haar functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling. Hieruit volgt dat [appellante] ongeschikt was voor haar functie van medewerker beveiliging.
De goede staat van dienst van [appellante] betekent niet, anders dat zij heeft betoogd, dat de Regering coulance had moeten betrachten. Juist van een zeer ervaren medewerker als [appellante] had mogen worden verwacht dat zij zich bewust was van de geldende integriteitsnormen en de veiligheidsrisico’s verbonden aan het hebben van persoonlijk contact met gedetineerden.
Appellante] is geen verbeterkans geboden. De Raad overweegt daarover dat in dit geval sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol was. De gedragingen van [appellante] vormen een ernstige schending van de integriteit. Het gaat daarnaast om gedragingen die het vertrouwen in haar als medewerker beveiliging hebben aangetast. Onder deze omstandigheden heeft de regering kunnen en mogen oordelen dat herstel van dat vertrouwen niet meer mogelijk was en [appellante] niet een verbeterkans behoefde te worden geboden.
Mocht de Regering gebruik maken van haar bevoegdheid?
Vervolgens ligt de vraag voor of de Regering gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid [appellante] ontslag te verlenen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
De Raad volgt [appellante] niet in haar betoog dat het tijdsverloop tussen haar gedragingen in 2021 en het ontslagbesluit in 2025 aan de uitoefening van de ontslagbevoegdheid in de weg staat. De Raad stelt vast dat de besluitvorming over het ontslag van [appellante], mede gelet op de fouten in de eerdere ontslagbesluiten niet voortvarend is verlopen en in zoverre geen schoonheidsprijs verdient. Dit tijdsverloop brengt echter niet mee dat de Regering [appellante] niet mocht ontslaan. [Appellante] heeft van dit tijdsverloop namelijk geen nadeel ondervonden. Daarbij acht de Raad van belang dat [appellante] feitelijk al vier jaar, vanaf juni 2021 tot 1 juni 2025, geen werkzaamheden meer heeft verricht, terwijl haar salaris over die periode is uitbetaald en haar pensioenopbouw tot de ontslagdatum is voortgezet.
Het betoog van [appellante] dat het ontslag te zwaar is, merkt de Raad aan als een beroep op strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Raad stelt daarbij voorop dat een ongeschiktheidsontslag niet gelijk te stellen is met een - in zwaarte te variëren - disciplinaire maatregel. Het betoog dat met een minder zware maatregel had kunnen worden volstaan gaat dan ook niet op. Wel dient te worden beoordeeld of het ontslag, gelet op alle omstandigheden, niet onevenredig is.
De Raad is van oordeel dat van onevenredigheid geen sprake is. [Appellante] heeft met haar gedragingen ten aanzien van een gedetineerde blijk gegeven van een ernstige schending van de voor de functie van medewerker bewaking essentiële integriteit en professionele distantie. Daarmee is het voor de functie vereiste vertrouwen ernstig aangetast, hetgeen aan een behoorlijk functioneren van de dienst in de weg staat. Onder deze omstandigheden kon en kan van de Regering niet worden gevergd [appellante] in haar functie te handhaven. Daarom weegt het belang van de Regering om het dienstverband met [appellante] te beëindigen zwaarder dan het belang van [appellante] bij het behoud van haar functie.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat de hoger beroepsgronden niet slagen. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat de Regering bevoegd was om [appellante] wegens ongeschiktheid voor haar functie en het ontbreken van het vereiste vertrouwen te ontslaan en dat de Regering van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. M.A. Evertsz en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.F.G. Maes, griffier.