ECLI:NL:ORBAACM:2026:40

ECLI:NL:ORBAACM:2026:40

Instantie Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer CUR2026H00386
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:OGAACMB:2025:116

Samenvatting

Ontslag op grond van willekeurige verbreking van het dienstverband. Raad komt tot conclusie dat op latere datum dan in het ontslagbesluit is vermeld sprake is van willekeurige verbreking en dat dit betrokkene is toe te rekenen. Vernietiging aangevallen uitspraak voor zover daarbij is nagelaten zelf in de zaak te voorzien.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)

RAAD VAN BEROEP

Uitspraak

de Regering van Curaçao,

[Betrokkene],

Uitspraakdatum: 10 juni 2026

Zaaknummer: CUR2025H00386

IN AMBTENARENZAKEN

VAN CURAÇAO

op het hoger beroep van:

appellante (hierna: de Regering),

gemachtigde: mr. N.A. Evertsz, advocaat,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 24 november 2025, zaaknummer CUR202501292 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

geïntimeerde (hierna: [betrokkene]),

gemachtigde: mr. L. Sluiter, advocaat,

en

de Regering.

Procesverloop

De Regering heeft hoger beroep ingesteld.

[Betrokkene] heeft een verweerschrift ingediend.

De Regering heeft een nader stuk ingediend.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 23 april 2026. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door mr. S.V. James, adjunct-hoofd van dienst van de Inspectie Belastingen. [Betrokkene] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Waar gaat de zaak over?

1. Deze zaak gaat over de vraag of de Regering [betrokkene] heeft mogen ontslaan wegens willekeurige verbreking van zijn dienstverband per 29 februari 2024. Het Gerecht heeft het ontslagbesluit vernietigd, omdat niet zou zijn voldaan aan de eisen om het dienstverband met [betrokkene] te beëindigen wegens willekeurige onderbreking. Daartegen richt zich het hoger beroep van de Regering.

Wat ging er aan de zaak vooraf?

Betrokkene] is per 1 juli 2016 aangesteld bij de Inspectie Belastingen, als ambtenaar in de functie van Hoofd Aanslagregeling Inkomstenbelasting in vaste dienst.

Bij brief van 10 mei 2021 heeft het Hoofd van de Inspectie aan [betrokkene] een eerste dag ziektemeldingsplicht opgelegd, waarbij hij bij verzuim wegens ziekte zich moest melden bij de bedrijfsarts, Arbo Consult. De reden hiervoor was het ziekteverzuim van [betrokkene] tot dat moment.

Bij brief van 9 januari 2023 is [betrokkene] geattendeerd op zijn (te) hoge verzuim in 2022. Uit de verzuimadministratie is een onverantwoord verzuim gebleken van 587 uren, oftewel 73,5 dag. Daarbij is aangegeven dat de maatregel van “inkorten op het salaris” geen verandering teweeg heeft gebracht in het gedrag van [betrokkene]. Hem is opgedragen zich te gedragen zoals het een goed ambtenaar betaamt en zich te houden aan de werkuren. Bij herhaald verzuim en afwijkend gedrag worden disciplinaire maatregelen in het vooruitzicht gesteld.

Bij brief van 3 mei 2023 is [betrokkene] gewezen op het aantal verzuimuren over het eerste kwartaal van 2023, namelijk 100 uur. Geconstateerd wordt dat [betrokkene] zijn gedrag niet heeft gewijzigd. De brief bevat een tweede waarschuwing met de aankondiging van disciplinaire maatregelen als [betrokkene] zijn gedrag niet wijzigt.

Bij brief van 17 november 2023 is [betrokkene] gewezen op zijn verzuim in de periode april tot en met oktober 2023, te weten meer dan 250 uren en afwezigheid op 11 dagen. Uit die brief blijkt dat [betrokkene] tijdens een gesprek op 30 oktober 2023 is aangesproken op zijn gedrag en dat zijn verzuimgedrag onaanvaardbaar is en moet stoppen.

Op 16 januari 2024 heeft [betrokkene] zich ziekgemeld. Wegens een niet correcte melding is dit gecorrigeerd in een (wel correcte) ziekmelding op 24 januari 2024. [betrokkene] is door Arbo Consult arbeidsongeschikt verklaard van 23 januari 2024 tot en met 30 januari 2024. Hij heeft op 31 januari 2024 verlof aangevraagd.

Op 1 februari 2024 was [betrokkene] afwezig wegens autopech, op 5 februari 2024 wegens een bezoek aan de huisarts met zijn dochter, op 21 februari 2024 wegens verlof, op 23 februari 2024 omdat hij met zijn moeder naar de dokter moest en op 27 februari 2024 om thuis studiemateriaal door te nemen.

Op 29 februari 2024 heeft [betrokkene] zich via een mail bij de Afdeling Human Resources en bij het waarnemend hoofd van de Inspectie ziekgemeld. Hij heeft zich die dag niet ziekgemeld bij Arbo Consult.

Op 4 maart 2024 heeft [betrokkene] zijn leidinggevende gemeld dat hij onderweg was naar het laboratorium voor onderzoeken.

Op 8 maart 2024 heeft het Hoofd van dienst [betrokkene] per Whatsapp benaderd met de vraag naar de stand van zaken. Daarbij is [betrokkene] gevraagd of hij bij Arbo Consult was geweest. Ook is [betrokkene] verzocht verklaringen van Arbo Consult door te sturen naar de werkgever.

Op 11 maart 2024 heeft [betrokkene] per mail zijn leidinggevende bericht dat hij in verband met vervolgonderzoeken een afspraak had met de verzekeraar, dat hij die dag vrij zou nemen en dat hij de volgende dag weer op kantoor aanwezig zou zijn. [betrokkene] is op 12 maart 2024 niet op het werk verschenen.

Pogingen van de werkgever op 13 maart 2024 om telefonisch met [betrokkene] in contact te komen, zijn mislukt. Naar aanleiding van een verzoek om informatie heeft de bedrijfsarts van Arbo Consult de Belastingdienst op 13 maart 2024 bericht dat [betrokkene] zich recentelijk niet heeft gemeld en dat [betrokkene] verschillende keren is meegedeeld dat hij zich dient te houden aan de verzuimprocedure. De werkgever is geadviseerd om maatregelen te treffen als hij zich wederom niet aan de afspraken houdt.

Betrokkene] stelt in zijn brief van 11 maart 2025, dat hij ongeveer anderhalve week na 1 maart 2024, dat wil zeggen medio maart 2024, door zijn werkgever (HR-afdeling) is gebeld in verband met een afspraak met Arbo Consult. [betrokkene] stelt toen gevraagd te hebben of Arbo Consult bij hem thuis kon langskomen, omdat hij wegens zijn ziekte niet in staat was zich daar te melden.

betrokkene] heeft op 18 maart 2024 zijn huisarts bezocht. De huisarts heeft in een memo van 10 maart 2025, dat wil zeggen een jaar later, verklaard dat [betrokkene] op 18 maart 2024 vroeg in de ochtend bij hem langs was geweest, dat hij een gespannen en depressieve indruk maakte, en dat [betrokkene] was geadviseerd in de middag terug te komen voor een consult. In een memo van 17 februari 2026 heeft de huisarts verklaard dat [betrokkene] op 18 maart 2024 arbeidsongeschikt was. “Hij zag er slecht uit met 16 kg minder gewicht dan normaal.”

Op 21 maart 2024 heeft [betrokkene] zijn werkgever per mail verzocht om twee verlofdagen.

Bij brief van 23 juli 2024 heeft het Hoofd van Dienst [betrokkene] bericht dat hij zonder opgaaf van redenen al geruime tijd niet op het werk is verschenen, zich niet meldt bij Arbo Consult en niet reageert op alle pogingen om met hem in contact te treden. In de brief wordt meegedeeld dat het salaris wegens ongeoorloofd verzuim per 1 juni 2024 is stopgezet en dat zijn gedrag aanleiding is nadere maatregelen te overwegen, waarbij ontslag niet is uitgesloten.

Betrokkene] heeft zich op 24 juli 2024 gemeld bij Arbo Consult. Toen is een afspraak gemaakt voor een bezoek op 31 juli 2024 bij psycholoog O. Dalnoot. [Betrokkene] heeft zich op 31 juli 2024 gemeld bij de Sectie Psychosociale zorg van Arbo Consult. Die dag is een vervolgafspraak gemaakt voor 14 augustus 2024. Op 14 augustus 2024 heeft de Arbo-arts [betrokkene] aanbevolen een gesprek aan te gaan met de werkgever over de werkrelatie en zijn arbeidsverzuim. De bedrijfsarts heeft voor het verzuim van [betrokkene] geen arbeidsongeschiktheidsverklaring afgegeven.

Met zijn mail van 20 augustus 2024 heeft [betrokkene] naar aanleiding van zijn bezoek aan Arbo Consult op 14 augustus 2024 zijn leidinggevenden gevraagd om een persoonlijk onderhoud.

Bij brief van 24 september 2024 aan zijn werkgever maakt [betrokkene] bezwaar dat hij sinds 1 juni 2024 geen loon meer heeft ontvangen. Daarin is vermeld dat hij zich op 29 februari 2024 vanwege gezondheidsklachten heeft ziekgemeld. “Helaas ben ik tot op heden nog niet in staat om mijn werkzaamheden te hervatten. Het is mij wegens mentale klachten niet gelukt om mij tijdig te melden bij de ARBO.” En “Zodra ik weer hersteld ben, zal ik per direct mijn werkzaamheden hervatten.”

Uit de brief van het Hoofd van de Inspectie van 13 november 2024 aan [betrokkene] volgt dat Arbo Consult op 14 augustus 2024 contact heeft opgenomen met de werkgever. Daaruit blijkt dat Arbo Consult [betrokkene] psychologische hulp heeft geboden omdat zij (lees: Arbo Consult) dat nodig achtte. Tevens wordt vermeld: “U werd bij de Arbo Consult niet toegelaten omdat zij van mening waren dat u eerst een gesprek met uw werkgever moest hebben, aangezien u langere tijd afwezig bent geweest en zich ook niet eerder bij de Arbo Consult ziek had gemeld.” In deze brief geeft de werkgever [betrokkene] uitleg over de stopzetting van zijn salaris per juni 2024. Ook staat daarin dat de Regering is verzocht een procedure in gang te zetten tot ontslag wegens willekeurige verbreking door [betrokkene] van het dienstverband. Uit deze brief volgt ook dat [betrokkene] op 17 september 2024 onaangekondigd op kantoor is verschenen voor een gesprek met het Hoofd van de Inspectie en het waarnemend hoofd. Daarover staat in de brief: “U heeft tijdens het gesprek aangegeven dat u ernstig ziek was en niet in staat om te werken. Ondanks het feit dat u een eerste dag ziektemeldingsplicht heeft bij Arbo Consult heeft u zich maandenlang niet bij Arbo Consult gemeld.” Daarin is voorts vermeld dat het niet is gelukt om een aan [betrokkene] geadresseerde brief af te geven op zijn woonadres: “Uw moeder wilde namelijk de brief niet aannemen. Hierop reageerde u dat u op verschillende adressen verblijft en noemde u zichzelf “Juan 7 porta”.” In de aanvullende gronden van het hoger beroep heeft de Regering vermeld (nr. 3.24 en 3.25) dat [betrokkene] tijdens het gesprek heeft aangegeven niet over zijn persoonlijke problematiek te willen spreken, dat hij geen vast woonadres heeft en dat het hem wegens mentale klachten niet was gelukt om zich bij Arbo Consult te melden.

Uit een memo van 22 oktober 2024 volgt dat [betrokkene] die dag het spreekuur van een psychiater heeft bezocht.

Uit een ‘Conformation of residential treatment’ van 27 januari 2025 blijkt dat [betrokkene] gedurende de periode 17 december 2024 tot 28 januari 2025 vrijwillig is behandeld in een verslavingskliniek in Zuid-Afrika.

Het bestreden ontslagbesluit

3. Bij Landsbesluit van 31 december 2024 heeft de regering [betrokkene] eervol ontslagen per 29 februari 2024 wegens willekeurige verbreking van zijn dienstverband, met toepassing van het bepaalde in artikel 103, eerste lid, aanhef en onder h, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma). Daarbij is vermeld dat [betrokkene] met zijn handelingen en gedragingen heeft laten blijken geen verplichtingen met de organisatie te willen hebben en geen prijs te stellen op het continueren van zijn dienstverband met de overheid c.q. zijn dienstverband met de overheid willekeurig te hebben verbroken per 29 februari 2024.

De uitspraak van het Gerecht

4. Met de uitspraak van 24 november 2025 heeft het Gerecht het bezwaar van [betrokkene] tegen het ontslagbesluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Volgens het Gerecht heeft [betrokkene] onweersproken gesteld dat hij zich op 1 maart 2024 telefonisch heeft ziekgemeld bij de HR-afdeling en dat hij vanwege mentale klachten niet naar Arbo Consult kon. Op de verzoeken van 20 en 27 augustus 2024 van [betrokkene] om een gesprek is door de werkgever niet gereageerd. Onder deze omstandigheden kan volgens het Gerecht niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat [betrokkene] zich aan zijn verplichtingen heeft onttrokken of dat dit hem valt aan te rekenen. Voor de toepassing van ontslag wegens willekeurig verbreken van het dienstverband bestaat naar oordeel van het Gerecht geen grond. Het gevolg daarvan is dat het dienstverband van [betrokkene] met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van het ontslag dient te worden hersteld en dat doorbetaling van zijn salaris met terugwerkende kracht tot die datum dient plaats te vinden, aldus het Gerecht.

Het hoger beroep van de Regering

Volgens de Regering is bij [betrokkene] geen sprake van ziekte, maar van ongeoorloofd verzuim. De Regering wijst erop dat [betrokkene] een lange geschiedenis heeft van ongeoorloofd verzuim, waarvoor hij meerdere waarschuwingen heeft gekregen. Aan [betrokkene] was een eerste dag ziekmeldingsplicht bij Arbo Consult opgelegd, waar hij zich niet aan heeft gehouden. Na de ziekmelding op 29 februari 2024 bij HR en zijn diensthoofd heeft hij zich pas op 24 juli 2024 gemeld bij Arbo Consult. Niet is gebleken waarom [betrokkene] wel zijn huisarts kon bezoeken op 18 maart 2024, maar niet in staat zou zijn zich te melden bij Arbo Consult. Voor het verzuim van [betrokkene] in de periode van 29 februari 2024 tot 24 juli 2024 is door Arbo Consult geen arbeidsongeschiktverklaring afgegeven.

De Regering heeft nog aangevoerd dat [betrokkene] nimmer tegenover zijn leidinggevenden een verklaring heeft willen geven voor zijn verzuimgedrag. Pas tijdens de procedure bij het Gerecht heeft [betrokkene] gesteld verslaafd te zijn (geweest) aan alcohol. Niet is echter gebleken van stukken waaruit blijkt dat hij kampte met een structureel alcoholprobleem, waardoor hij ziek en arbeidsongeschikt was. En als al zou moeten worden aangenomen dat [betrokkene] verslaafd was, dan had van hem verwacht mogen worden dat hij dit tijdig had aangekaart bij zijn werkgever en actief had meegewerkt aan herstel. [Betrokkene] heeft dit nagelaten. De Regering stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding was nader onderzoek te verrichten naar de gezondheidsklachten van [betrokkene]. Juist van een functionaris met een leidinggevende positie als [betrokkene] had verwacht mogen worden dat hij zich aan de hem opgelegde regels hield. Dat heeft hij niet gedaan. De Regering concludeert dat [betrokkene] ernstig en toerekenbaar heeft verzuimd en dat hij zijn dienstverband willekeurig heeft verbroken.

Wat oordeelt de Raad van Beroep?

De ontslaggrond

De Raad stelt vast dat [betrokkene] langdurig en ernstig heeft verzuimd door zonder geldige reden niet op het werk te verschijnen. Hij heeft zich niet gedragen als een goed ambtenaar betaamt. Gelet op de eerder gegeven waarschuwingen en de eerder getroffen maatregelen van inhouding van salaris was [betrokkene] een gewaarschuwd mens. Door desondanks veelvuldig te verzuimen en zich niet te houden aan de hem opgelegde verplichting zich rechtstreeks ziek te melden bij de bedrijfsarts Arbo Consult heeft hij zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, dat hem kan worden toegerekend. De minister was dan ook bevoegd een disciplinaire maatregel op te leggen, waaronder ontslag. Daarmee is wel gedreigd, maar uiteindelijk heeft de Regering gekozen voor ontslag op een andere grond, te weten willekeurige verbreking van het dienstverband. De Raad zal daarom beoordelen, net als het Gerecht, of ontslag op die grond de rechterlijke toets kan doorstaan.

Aan willekeurige verbreking van het dienstverband te stellen eisen

Op grond van artikel 103, eerste lid, aanhef en onder h, van de LMA kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van het willekeurig verbreken van het dienstverband door de ambtenaar. Op grond van het tweede lid wordt een dergelijk ontslag steeds eervol verleend en kan het niet vroeger ingaan dan de dag, volgende op die, waarop de reden voor het ontslag voor het eerst is geconstateerd. Zoals ook door het Gerecht is aangehaald, heeft de Raad in zijn uitspraak van 5 mei 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:13, overwogen dat bij de toepassing van de ontslaggrond willekeurige verbreking van het dienstverband grote terughoudendheid moet worden betracht. Aan die bepaling kan slechts toepassing worden gegeven wanneer:- met voldoende zekerheid vaststaat dat betrokkene zich onttrekt aan de verplichtingen van het dienstverband, - dit betrokkene toe te rekenen valt, en- er evenredigheid bestaat tussen de ernst van die onttrekking en de zware maatregel van ontslag. De ontslaggrond van de willekeurige verbreking kan in ieder geval niet worden toegepast in gevallen die in aanmerking komen voor ongeschiktheidsontslag als gevolg van ziekte of gebrek, of andere gronden van ongeschiktheid.

Gelet op dit wettelijke kader ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of de Regering ten tijde van het ontslagbesluit op 31 december 2024 terecht tot de conclusie is gekomen dat [betrokkene] al op 29 februari 2024 zijn dienstverband willekeurig heeft verbroken. De Raad zal echter eerst bespreken of [betrokkene] in aanmerking kwam voor ongeschiktheidsontslag wegens ziekte of gebrek, of wegens functionele ongeschiktheid, omdat als een van die gronden zich voordoet ontslag wegens willekeurige verbreking niet mag worden toegepast.

Ongeschikt als gevolg van ziekte of gebrek?

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat [betrokkene] in aanmerking zou komen voor een ongeschiktheidsontslag wegens ziekte of gebrek. Daarvoor is vereist dat op objectieve wijze – bij voorkeur door een arts - wordt vastgesteld dat de ambtenaar duurzaam ongeschikt is wegens ziekte of gebrek zijn werkzaamheden te vervullen. Verder moet er geen uitzicht zijn op herstel.

Die situatie doet zich bij [betrokkene] niet voor. Weliswaar heeft hij zich ziekgemeld en stelt hij wegens mentale klachten buiten staat te zijn (geweest) zijn werkzaamheden te vervullen, maar dit is door de bedrijfsarts niet bevestigd. Er is geen enkele medische verklaring overgelegd waaruit blijkt dat [betrokkene] sinds 29 februari 2024 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest wegens ziekte of gebrek. De in 2025 en 2026 afgegeven verklaringen door de huisarts over het bezoek van [betrokkene] op 18 maart 2024 zijn daarvoor onvoldoende, omdat het niet aan de huisarts is om te bepalen of iemand arbeidsongeschikt is, en omdat de verklaringen zien op de situatie van [betrokkene] op 18 maart 2024, maar niets zeggen over de vraag of hij op 29 februari 2024 en in de daaropvolgende maanden wegens ziekte of gebrek buiten staat was zijn werkzaamheden te verrichten.

Ook het feit dat [betrokkene] in het najaar van 2024 een psycholoog en later een psychiater heeft bezocht is geen reden om duurzame arbeidsongeschiktheid aan te nemen wegens ziekte of gebrek per 29 februari 2024. Dat geldt ook voor de periode dat [betrokkene] opgenomen is geweest in de verslavingskliniek. Dat hij gedurende die opname arbeidsongeschikt was wegens ziekte of gebrek, is niet bevestigd door een verklaring van een arts of de bedrijfsarts. Verder zegt die tijdelijke opname in december 2024/ januari 2025 niets over het antwoord op de vraag of [betrokkene] sinds 29 februari 2024 wegens ziekte of gebrek duurzaam buiten staat was zijn arbeid te vervullen.

Ongeschikt op andere gronden?

De Raad beantwoordt de vraag of [betrokkene] op andere gronden in aanmerking zou komen voor een ongeschiktheidsontslag eveneens ontkennend. Dat hij tot 29 februari 2024 zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgeoefend is gesteld noch gebleken.

Is sprake van onttrekking?

De Raad beantwoordt de vraag of met voldoende zekerheid vaststaat dat [betrokkene] zich per 29 februari 2024 heeft onttrokken aan de verplichtingen van zijn dienstverband ontkennend. Wel ziet de Raad in het hiervoor vermelde samenstel van feiten en omstandigheden aanleiding te oordelen dat per 17 september 2024 voldoende duidelijk was dat [betrokkene] zich duurzaam onttrok aan zijn verplichtingen. De Raad acht hiervoor het volgende van belang.

De Raad stelt vast dat [betrokkene] een historie heeft van verzuimgedrag, vaak zonder opgave van redenen of met dubieuze redenen. Verder staat vast dat hij zich op 29 februari 2024 niet op correcte wijze heeft ziekgemeld en dat hij weliswaar heeft gesteld wegens mentale klachten buiten staat te zijn geweest om naar de bedrijfsarts te gaan, maar dat dit niet door een verklaring van de bedrijfsarts wordt bevestigd. Die verklaring is ook niet verstrekt nadat hij zich in juli 2024 uiteindelijk toch nog bij de bedrijfsarts had gemeld. In dit kader is van belang dat de Raad niet inziet waarom [betrokkene] wel in staat was op 18 maart 2024 zijn huisarts te bezoeken, maar niet in staat zou zijn geweest zich toen te melden bij de bedrijfsarts. Voorts is van belang dat [betrokkene] op 11 maart 2024 zijn werkgever meedeelde op 12 maart 2024 weer op het werk te zullen verschijnen, om vervolgens niet te komen opdagen, en dat hij op 21 maart 2024 heeft verzocht om twee dagen verlof. Al met al is [betrokkene] vanaf 29 februari 2024 tot de datum van het ontslagbesluit niet meer aan het werk geweest, zonder dat door een keurend arts is vastgesteld dat hij arbeidsongeschikt was.

De Raad stelt tevens vast dat [betrokkene] ook na zijn ziekmelding op 29 februari 2024 contact bleef zoeken met zijn werkgever. Dit blijkt onder meer uit de berichten van 4 en 11 maart 2024, waarin hij zijn leidinggevenden informeert over de reden van zijn verzuim. Op 21 maart 2024 heeft [betrokkene] zijn werkgever per mail verzocht om twee verlofdagen. Via een mail van 20 augustus 2024 heeft [betrokkene] zijn leidinggevenden naar aanleiding van zijn bezoek aan Arbo Consult gevraagd om een persoonlijk onderhoud. Deze berichten en verzoeken zijn naar het oordeel van de Raad tekenen dat [betrokkene] wenste vast te houden aan zijn dienstverband en zich per 29 februari 2024 niet heeft onttrokken aan zijn verplichtingen.

Terugkijkend op het gehele samenstel van feiten en omstandigheden zijn er aanwijzingen dat [betrokkene] aan het afglijden was. Daarvoor is allereerst van belang zijn toegenomen verzuim in de periode voorafgaand aan 29 februari 2024. Verder de verklaringen van de huisarts, waarin deze aangeeft dat [betrokkene] op 18 maart 2024 vroeg in de ochtend bij hem langs was geweest, dat hij een gespannen en depressieve indruk maakte, dat “hij er slecht uit zag met 16 kg minder gewicht dan normaal.” Daar komt bij dat Arbo Consult [betrokkene] in juli 2024 heeft verwezen naar psycholoog Dalnoot, omdat – zo blijkt uit de brief van 13 november 2024 - de bedrijfsarts psychologische hulp aangewezen achtte. Ook maken beide partijen er melding van dat [betrokkene] destijds heeft aangegeven wegens mentale klachten buiten staat te zijn om zijn werkzaamheden te hervatten. Daar komt bij dat de Raad in het dossier voldoende aanwijzingen ziet dat [betrokkene] kampt c.q. kampte met verslavingsproblematiek. En dat de verklaring voor zijn verzuim mogelijk (deels) daarin is gelegen.

De Raad is van oordeel dat de Regering kansen onbenut heeft gelaten om te achterhalen wat er met [betrokkene] aan de hand was. Een meer actieve opstelling richting [betrokkene] en de bedrijfsarts was passend geweest. Zo is verzuimd te reageren op het verzoek van [betrokkene] op 20 augustus 2024 om een persoonlijk onderhoud. De Raad komt gelet op dit samenstel van feiten en omstandigheden enerzijds tot de conclusie dat [betrokkene] ernstig heeft verzuimd, maar anderzijds dat er geen reden is om te oordelen dat hij al op 29 februari 2024 zijn dienstverband willekeurig heeft verbroken.

De Raad ziet in de feiten en omstandigheden vanaf medio 2024 wel grond te oordelen dat [betrokkene] zijn dienstverband willekeurig heeft verbroken. Daarvoor is van belang dat [betrokkene] op 14 augustus 2024 zijn tweede en laatste afspraak had bij de psycholoog van Arbo Consult, die kennelijk toen geen reden zag een vervolgafspraak te maken. Omdat [betrokkene] evenmin arbeidsongeschikt is geacht, had hij zich de eerstvolgende werkdag moeten melden bij zijn werkgever. Dat heeft hij niet gedaan. Arbo Consult heeft [betrokkene] aangeraden contact op te nemen met zijn werkgever om te spreken over zijn verzuimgedrag. Dat heeft hij gedaan met zijn mail van 20 augustus 2024, maar toen daar geen reactie op kwam, heeft hij het daarbij gelaten tot zijn onaangekondigde bezoek aan zijn leidinggevenden op 17 september 2024, dat wil zeggen bijna een maand later.

Tijdens het gesprek op 17 september 2024 heeft [betrokkene] geen opheldering willen verschaffen over de redenen van zijn verzuimgedrag. Dat had wel van hem mogen worden verwacht, ook – of juist - als hij toen kampte met alcoholproblematiek en meende dat die hem belette zijn werk te hervatten. Ook omdat hem inmiddels ontslag in het vooruitzicht was gesteld bij verder verzuim en de uitbetaling van zijn salaris was stopgezet, had van [betrokkene] – die een leidinggevende positie met een voorbeeldfunctie - een andere houding en meer gevoel van verantwoordelijkheid mogen worden verwacht.

Hoewel het bepalen van de datum van onttrekking een enigszins arbitrair karakter heeft, ziet de Raad voldoende aanwijzingen om te oordelen dat [betrokkene] zich vanaf 17 september 2024 aan zijn verplichtingen uit zijn dienstverband onttrok. Daarbij is van belang dat hij ook na 17 september 2024 zijn werkzaamheden niet heeft hervat en zijn werkgever in het ongewisse heeft gelaten over zijn situatie en de redenen van zijn voortgezette verzuim. Pas met de brief van 11 maart 2025 heeft [betrokkene] zich tot zijn werkgever gewend, oftewel enkele maanden na het ontslagbesluit.

Conclusie

De Raad komt tot de conclusie dat [betrokkene] zich niet per 29 februari 2024 aan zijn dienstverband heeft onttrokken. Hem is dan ook ten onrechte met ingang van die datum ontslag verleend. De uitspraak van het Gerecht komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

De Raad is van oordeel dat per 17 september 2024 wel sprake was van willekeurige verbreking van het dienstverband door [betrokkene] en dat dit hem valt toe te rekenen. Gelet op het aanhoudend verzuimgedrag van [betrokkene] ook in het najaar van 2024 acht de Raad ontslag per 17 september 2024 niet onevenwichtig. Om redenen van finale geschilbeslechting zal de Raad daarom de uitspraak van het Gerecht vernietigen voor zover daarbij is nagelaten zelf in de zaak te voorzien en bepalen dat [betrokkene] per 17 september 2024, met toepassing van artikel 103, eerste lid, letter h, van de LMA, eervol ontslag wordt verleend uit ‘s Landsdienst.

8. Voor vergoeding van proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De Raad van Beroep

- vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 24 november 2025 voor zover daarbij is nagelaten zelf in de zaak te voorzien;- bepaalt dat [betrokkene] per 17 september 2024, met toepassing van artikel 103, eerste lid, letter h, van de LMA, eervol ontslag wordt verleend uit ’s Landsdienst;- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. M.A. Evertsz, en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.F.G. Maes, griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.J. van Ettekoven

Griffier

  • mr. M.F.G. Maes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand