Conclusie van den Advocaat-Generaal Mr. Tak.
Het ingesteld cassatieberoep is gericht tegen een vonnis der Arr .- Rechtbank te Utrecht van 11 Mei jl., waarbij requirant - en zulks met vernietiging eener beslissing van den Kantonrechter aldaar van 22 Februari bevorens - werd schuldig verklaard aan: „Het aandeelen in eene loterij, tot het aanleggen en houden waarvan de bij de wet vereischte toestemming niet is verleend, ten verkoop in voorraad hebben", met zijne veroordeeling deswege in eene geldboete van f 25 subsidiair vijf dagen hechtenis en vrijspraak van hetgeen hem meer of anders is ten laste gelegd dan als bewezen is aangenomen.
Bij pleidooi zijn tegen genoemd vonnis twee middelen voorgesteld, waarvan het eerste aldus geformuleerd is: „Schending, of verkeerde toepassing, van de artt. 211 jº. 221 Sv., 1, 2 sub 2 en 3 en art. 6 der Loterijwet 1905, omdat de Rechtbank veroordeelende wegens het primair ten laste gelegde ten verkoop in voorraad hebben van een aandeel in eene loterij, tevens vrijsprak van het subsidiair ten laste gelegde, dat het litigieuse stuk een verboden certificaat zou zijn, of wel aandeel en certificaat tegelijk, aldus een onderzoek instellende, wat niet ingesteld had mogen worden, daar het laatste onvereenigbaar is met het eerste".
Het verweer dankt zijne geboorte aan de conclusie van Mr. Besier, voorafgaande aan Uw arrest van 25 Mei jl. W. 9655, waarin betoogd wordt in aansluiting met de leer Uwer daarin aangehaalde arresten, dat de cassatievoorziening, gericht tegen eene niet- rechtsgeldige vrijspraak, waarvan hier de rede zijn zou, ontvankelijk is. Gelijk ik immers reeds zeide, werd van het onbewezen deel der aanklacht vrijgesproken, zoodat, waar de telastelegging in alternatieven vorm was gesteld, de Rechtbank na bewezenverklaring van het primaire, krachtens Uwe jurisprudentie zich te onthouden had van een onderzoek naar en dus ook van eene beslissing omtrent de overige feiten en mitsdien haar vonnis, dat Uwe zooeven geschetste leer negeert, op dien grond ook van de zijde van requirant als vrijgesprokene aantastbaar is. Intusschen nu evenmin als toen zal Uw Raad zich hebben te vermoeien over de vraag, of de gedachte van het arrest van 27 November 1893, W. 6436, ongewijzigd behoort te worden gehandhaafd, omdat requirant, blijkens de daarvan opgemaakte acte, zijne voorziening alleen gericht heeft tegen genoemd „te zijnen laste“ gewezen vonnis „voorzooveel zijne veroordeeling betreft", waardoor dus de gegeven vrijspraak kracht van gewijsde bekomen heeft en daaraan mitsdien ten onrechte door het middel is geraakt.
Als tweede verweer wordt gesteld: „Schending, of verkeerde toepassing, van de artt. 1, 2 sub 2 en 3 en art. 6 der Loterijwet 1905 en der artt. 211, 216 en 221, jis. 247 en 256 Sv. omdat de Rechtbank veroordeelde wegens het ten verkoop in voorraad hebben van een aandeel in eene loterij, hoewel in het vonnis eerst nadrukkelijk wordt beslist, dat een der essentialia - nl. het voldoen aan zekere voorwaarde - niet bewezen is".
De schriftelijke toelichting, zooals ik die hierboven weergaf, is eenigszins verward. Blijkens het beroepen vonnis werd de beslissing des Kantonrechters geacht nietig te zijn, omdat deze ten onrechte wettig en overtuigend bewezen had verklaard, gelijk was ten laste gelegd, dat het recht tot mededinging naar prijzen of premiën in geld afhankelijk was van „de betaling van een bepaald bedrag". Na dien vervolgt de Rechtbank hare resumptie der getuigenverklaringen, erkentenis en inhoud der inbeslaggenomen stukken, om vervolgens in de zevende overweging vast te stellen hetgeen zij als bewezen aanneemt, waaronder niet is opgenomen „de betaling van een bepaald bedrag" als voorwaarde voor mededinging, waarvan wordt vrijgesproken. Nu geeft het middel uiterlijk geheel den schijn, alsof het gericht is tegen de motiveering der uitgesproken vernietiging van 's Kantonrechters uitspraak, terwijl het werkelijk bedoeld is tegen dat deel van het beroepen vonnis, waarbij - ongeacht het onbewezene der verplichte betaling van een zeker bedrag als voorwaarde voor mededinging - werd schuldig verklaard aan en veroordeeld wegens bovengemelde overtreding der Loterijwet 1905. In dien geest opgevat is het middel toelaatbaar, doch gelezen als tegen de uitgesproken vernietiging gericht, moet het worden gepasseerd, omdat daarin blijkens den inhoud der voorziening is berust en dus die cassatie in kracht van gewijsde is gegaan (vgl. arr. H. R. 25 Mei 1914, W. 9655).
Het pleidooi heeft intusschen de richting aangegeven, waarin het verweer zich wenscht te bewegen, waarbij bleek, dat de aanhaling van den vernietigingsgrond slechts diende ter betere markeering van den aanval, waarbij wordt uitgegaan van deze gedachte, dat art. 1 der Loterijwet 1905 als levensvoorwaarde voor het begrip „loterij" en dus ook voor „aandeel in eene loterij" de „voldoening aan zekere voorwaarde" stelt ter mededinging naar prijzen of premiën in geld òf goed. Aan de hand der parlementaire geschiedenis, waaruit blijkt, dat geen toestemming wordt vereischt tot het houden van verlotingen, waarin de deelneming zoogenaamd gratis wordt verstrekt, wordt dit standpunt nader toegelicht, terwijl vervolgens daaruit deze conclusie wordt getrokken, dat door de vrijspraak der telastelegging, dat de mededinging afhankelijk was van „de betaling van een bepaald bedrag", van het bewezen deel der aanklacht had moeten worden ontslagen van rechtsvervolging. Dit alles lijkt nu wel oppervlakkig heel juist en is dit ook inderdaad, voorzooveel de historie betreft, doch de inhoud der dagvaarding en ook die van het bewezene wordt daarbij geheel verwaarloosd. Immers aan requirant is ten laste gelegd en te zijnen aanzien als bewezen aangenomen, dat hij de later als loterijaandeelen gequalificeerde stukken „ten verkoop in voorraad heeft gehad, waarin dus reeds de voldoening aan zekere voorwaarde - het koopen met al de daaraan verbonden verplichtingen - is belichaamd, welke voorwaarde, nader toegelicht ten aanzien van het bedrag, geheel ex superabundanti nog eens herhaald wordt door de zinsnede „tegen betaling van een bepaald bedrag", ofschoon reeds door het bewezen verklaard verwijt van het ten verkoop in voorraad hebben dier stukken iedere gedachte aan een gratis-loterijaandeel was uitgesloten. De geschiedenis trouwens en de bewoordingen der Loterijwet 1905 rechtvaardigen niet eene zoo ruime opvatting, als de geachte raadsman daarin leest, waar hij betoogde dat de gratis-loterij onaantastbaar is. Zij is dit alleen, in zooverre en zoolang de voldoening aan zekere voorwaarde niet is gesteld. Verkoopt men echter zulk een kosteloos ontvangen lot, dan wordt dit door dien verkoop een verboden loterijaandeel met betrekking tot den verkooper, terwijl hetzelfde geldt bij het ten verkoop in voorraad hebben daarvan, omdat daarvoor betaling van den bedongen prijs substantieel is. Waar derhalve ten onrechte aan de Rechtbank wordt verweten, dat zij eene veroordeeling uitsprak, ofschoon het bewezene niet strafbaar was, daar een der elementen daarin wordt gemist, ontbeert dit middel feitelijken steun.
Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep.