ECLI:NL:PHR:1973:AC5390

ECLI:NL:PHR:1973:AC5390, Parket bij de Hoge Raad, 21-12-1973, 10.709

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-12-1973
Datum publicatie 23-09-2025
Zaaknummer 10.709
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1973:AC5390
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Kan bij een testamentaire boedelverdeling als bedoeld in de artt. 1167 e.v. BW, een legitimaris daartegen opkomen met de inkortingsactie van art. 967 dan wel is hij daarin verhinderd door de uitsluitende toepasselijkheid van art. 1170?

Uitspraak

L.

Nr. 10709

Zitting 8 november 1973.

Mr. Langemeijer.

Conclusie inzake :

[eiser] / [verweerster].

Edelhoogachtbare Heren,

De vraag waar het in deze zaak om gaat is of bij een boedelverdeling als bedoeld in artikel 1167 en volgende van het Burgerlijk Wetboek een legitimaris tegen de daarbij naar zijn mening op zijn rechten gemaakte inbreuk kan opkomen met de inkortingsaktie van artikel 967 dan wel daarin verhinderd is door de uitsluitende toepasselijkheid van de regeling van artikel 1170.

Het Hof heeft het laatste aangenomen en op die grond de eiser tot cassatie, van wie het vaststelde dat hij zuiver de actie van artikel 967 had ingesteld, door bevestiging van het vonnis van de Rechtbank niet ontvankelijk verklaard. Het middel komt hiertegen op.

Voor goed begrip zij opgemerkt dat het testament waarom het ging een verdeling inhield volgens welke de weduwe van de erflater alle baten van de boedel zou ontvangen en verplicht zou zijn aan de overige erfgenamen hun zuivere erfdelen uit te keren, echter eerst ten tijde van haar overlijden en zonder over het uit te keren bedrag rente verschuldigd te zijn. De eiser (oorspronkelijk en tot cassatie) heeft zijn zuiver erfdeel vrij van laatstgenoemde twee lasten van de weduwe opgevorderd.

Naar mijn mening bestrijdt het middel de zienswijze van het Hof terecht en deze mening steunt op de volgende overwegingen. De boedelverdeling van artikel 1167 e.v. is door onze wet behandeld als een bijzondere wijze van boedelverdeling (dit anders dan in de Code civil). Dit betekent dat zij in beginsel veronderstelt dat reeds vaststaat welke maatstaf van verdeling zal gelden. Deze maatstaf kan die van het intestaat erfrecht zijn, zij kan ook testamentair worden vastgesteld. Dit laatste kan natuurlijk bij hetzelfde testament geschieden waarbij de boedelverdeling plaats vindt, maar blijft een daarvan wel te onderscheiden beschikking. Zo gezien verzet het karakter van de boedelverdeling zich ertegen daarin stilzwijgend een van het intestaat-erfrecht afwijkende maatstaf van verdeling opgesloten te achten. In het gegeven geval doet trouwens de formulering van het testament duidelijk genoeg blijken dat de erflater niet bedoeld heeft aan de overige erfgenamen een ander evenredig deel van de nalatenschap toe te kennen dat uit het intestaat-erfrecht voortvloeit.

Gaat men uit van deze gezichtspunten, dan valt verder naar mijn mening niet aan te nemen dat de regeling van de artikelen 1167 e.v. de strekking kan hebben dat door haar enkele toepassing de rechten van de erfgenamen met name die van de legitimarissen materieel zouden kunnen worden verminderd. Dat dit niet de bedoeling is blijkt trouwens duidelijk uit de tweede volzin van het eerste lid van artikel 1170.

Men kan dus nog slechts vragen of het bestaan van artikel 1170 betekent dat wél verandering gebracht zou zijn in de formeelrechtelijke mogelijkheid om de genoemde rechten geldend te maken, aldus dat dit slechts zou kunnen geschieden door de vordering tot vernietiging die naar men algemeen aanneemt in dit artikel wordt toegekend.

Dit nu kan men naar mijn mening niet aannemen en wel om deze reden dat erkenning van een regel van die inhoud - die nergens is uitgesproken - in bepaalde gevallen als onvermijdelijke reflexbeweging toch weer een verandering in de materiële rechtspositie van de legitimarissen zou meebrengen. Immers, men behoeft maar het geval te veronderstellen dat de erflater aan zijn kinderen slechts hun legitieme zou hebben toegekend om tot de slotsom te komen, dat zij dan voor hen onereuse bepalingen van de verdeling slechts zouden kunnen aantasten, indien daardoor het hun toekomende zou dalen beneden drie vierden van hun legitieme (tenzij men dit geval bij analogie gelijk zou stellen het de casuspositie die in de tweede volzin van artikel 1070, lid 1 is voorzien). De berekening waarmee de geëerde pleiter voor verweerster wilde aantonen dat de legitimarissen door uitsluitende toepassing van artikel 1070 niet in een slechtere positie geraken, gaat dus in ieder geval niet op, nog geheel afgezien van de moeilijkheid dat zij bij die toepassing de contante waarde van de op hun erfdeel rustende last zullen moeten berekenen, wat onder omstandigheden moeilijk kan zijn.

Ook de overige moeilijkheden, die pleiter zag voor het geval dat men aan artikel 967 zijn werking zou laten, schijnen mij allerminst onoverkomelijk. In het bijzonder zal men moeten aannemen dat de mogelijkheid van ouderlijke boedelverdeling wél het recht van de legitimaris doorbreekt om zijn legitieme te ontvangen in goederen van de nalatenschap.

Welhaast ten overvloede zij tenslotte opgemerkt dat Uw arrest van 19 september 1969, N.J. 1969, no. 402 hier niet in het geding is. Immers, uit dit arrest blijkt voor ons onderwerp niet meer dan dat eiser op grond van hetzelfde bezwaar tegen de boedelverdeling ook de actie van artikel 1170 had kunnen instellen (waarbij het slagen dan zou hebben afgehangen van de contante waarde van het uitstel van de uitkering van zijn erfdeel), maar in het geheel niet dat deze weg de enige zou zijn.

Uit het voorafgaande volgt dat ik het middel in beide onderdelen gegrond acht. Dit brengt weer mede dat nog onderzocht zal moeten worden, of de bepalingen van het testament inderdaad inbreuk op eisers legitieme maken dan wel gewettigd worden door de in het testament uitgedrukte bedoeling om in het levensonderhoud van de weduwe van de erflater te voorzien.

Met het oog hierop concludeer ik dat Uw Raad het arrest waarvan beroep vernietige en de zaak terugwijze naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde haar met inachtneming van Uw arrest op het bestaande hoger beroep verder te behandelen en te beslissen onder veroordeling van verweerster in cassatie in de op het beroep gevallen kosten.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1974, 308 met annotatie van W.M. Kleyn
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?