21 december 1973
E.K.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 10.709 van
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 januari 1973, vertegenwoordigd door Mr. J.L.W. Sillevis Smitt, advocaat bij de Hoge Raad,
t e g e n
[verweerster] , wonende te [woonplaats] , verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. E.D. Wiersma, mede advocaat bij de Hoge Raad ;
Gehoord partijen;
Gehoord de Procureur-Generaal in zijn conclusie tot vernietiging van het arrest waarvan beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage onder veroordeling van verweerster in cassatie in de op het beroep gevallen kosten;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt:
dat eiser tot cassatie - [eiser] - bij exploot van 10 april 1968 verweerster in cassatie - [verweerster] - heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage en haar veroordeling heeft gevorderd om aan [eiser] uiterlijk tien dagen na het te wijzen vonnis het bedrag zijner legitieme portie, zijnde f 1.801,50, uit te betalen, met rente en kosten, daartoe onder meer stellende:
"1. dat op 1 oktober 1965 te Leiden is overleden de Heer Prof. Dr. J. [eiser] ;
2. dat Professor [eiser] in eerste echt gehuwd is geweest met [betrokkene 1] , welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden en uit welk huwelijk geboren en in leven zijn: eiser en twee andere meerderjarige kinderen;
3. dat Professor [eiser] vervolgens buiten iedere gemeenschap van goederen is gehuwd met [verweerster] , uit welk huwelijk geboren en in leven zijn vier kinderen, van wie een meerderjarig is en drie minderjarig zijn;
4. dat Professor [eiser] over zijn nalatenschap heeft beschikt bij akte, op 31 augustus 1962 voor [notaris] te Leiden verleden en daarbij beschikte als volgt:
"Ik herroep alle vroegere uiterste wilsbeschikkingen. Als nu opnieuw beschikkende verklaar ik, ter nakoming van de op mij rustende verplichting tot verzorging van mijn echtgenote [verweerster] , aan haar, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1167 en volgenden van het Burgerlijk Wetboek, toe te delen alle activa van mijn nalatenschap, onder de verplichtingen voor haar rekening te nemen alle passiva voor mijn nalatenschap, de kosten van lijkbezorging, de bij mijn overlijden verschuldigde successierechten en de kosten van boedelafwikkeling en om uit te keren aan mijn andere erfgenamen hun zuivere erfdelen, welke erfdelen echter eerst opvorderbaar zullen zijn bij het overlijden van mijn genoemde echtgenote en ter zake van welke erfdelen geen rente zal verschuldigd zijn";
5. dat Professor [eiser] derhalve als erfgenamen heeft achtergelaten [verweerster] en zijn kinderen, ieder voor een achtste gedeelte;
6. dat de erflater, bepalend dat de erfdelen eerst opvorderbaar zullen zijn bij het overlijden van zijn huidige echtgenote, in strijd met artikel 960 van het Burgerlijk Wetboek heeft beschikt over de legitieme portie van [eiser] en zijn broers en zusters;
7. dat [eiser] zich niet met de aantasting van zijn legitieme kan verenigen;
8. dat voor toelaten van inbreuk op de legitieme ook geen enkele rechtsgrond aanwezig zou zijn daar [verweerster] , buiten iedere gemeenschap met de erflater gehuwd geweest en in het bezit van eigen vermogen, in het geheel niet in behoeftige omstandigheden of onvoldoende verzorgd zou zijn achtergebleven zonder aantasting van de legitieme;
9. dat alleen al haar weduwenpensioen, gelet op de meer dan twintig dienstjaren van de erflater als gewoon hoogleraar voor de verzorging van [verweerster] toereikend is;
10. dat [eiser] zich bij schrijven van 1 september 1967 tot [verweerster] , bij testament benoemd tot uitvoerster der uiterste wil, bezorgster van de begrafenis en beredderaarster van de boedel, heeft gewend, zijn bezwaren tegen de inbreuk op zijn legitieme kenbaar heeft gemaakt en het bedrag van zijn legitieme portie, zijnde f 1.801,50, vrij heeft opgeëist;
11. dat in der minne geen overeenstemming was te bereiken";
dat na verweer van [verweerster] de Rechtbank bij vonnis van 8 februari 1971 [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering heeft verklaard, daartoe overwegende:
"dat hier aanwezig is een "ouderlijke boedelverdeling" waarbij de erflater:
a. alle tot zijn nalatenschap behorende activa heeft toegedeeld aan zijn echtgenote ( [verweerster] ), onder verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen alle tot zijn nalatenschap behorende passiva, begrafeniskosten, boedelkosten en de successierechten en voorts onder verplichting om wegens de aldus ontstane overbedeling aan ieder van de overige erfgenamen in contanten uit te keren, hetgeen aan ieder hunner toekomt, naar rato van zijn erfdeel;
b . heeft bepaald dat de uitkeringen wegens overbedeling eerst opvorderbaar zullen zijn bij het overlijden van zijn echtgenote, [verweerster] , en geen rente zullen dragen;
dat [eiser] met een beroep op zijn recht als legitimaris vordert dat de sub b vermelde clausule nietig wordt verklaard en hem zijn legitieme portie ad f 1.801,50 wordt uitbetaald; dat [eiser] die clausule bestrijdt met de stelling, dat zij, voor zover betrekkelijk op zijn legitieme portie, inbreuk maakt op zijn recht de legitieme portie onbezwaard te ontvangen;
dat [eiser] zich namelijk op het standpunt stelt, dat die clausule zelve met een beroep op de legitieme kan worden aangetast, met instandhouding van de "eigenlijke" boedelverdeling;
dat dit standpunt wordt ondersteund door de door [eiser] advocaat bij pleidooi vermelde schrijvers;
dat de literatuur er immers van uitging, dat al hetgeen door de erflater wordt bepaald omtrent de opeisbaarheid en het al of niet rente dragen der vorderingen wegens overbedeling re vera buiten de boedelverdeling staat en dat daarom de clausule van niet-opeisbaarstelling met het wapen der
legitieme portie voor de legitieme fractie kan worden doorbroken;
dat evenweergegeven standpunt is achterhaald door het door beide partijen besproken arrest van de Hoge Raad van 19 september 1969 (gepubliceerd in NJ 1969/402, met noot Wiersma, in Ars Aequi 1970/bladzijde 110, met noot Luijten en in het "Maandblad voor het Notariaat", met noot van der Ploeg, oktober 1969 bladzijde 241);
dat immers bij dat arrest is beslist, dat de aan de vorderingen op de langstlevende toegevoegde clausule van niet-opeisbaarheid en renteloosheid deel uitmaakt van de boedelverdeling en niet kan worden beschouwd als een naast die boedelverdeling staande beschikking van de erflater;
dat deze beslissing tot consequentie heeft, dat een dergelijke clausule slechts te doorbreken valt met een op artikel 1170 van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde vordering tot vernietiging van de ouderlijke boedelverdeling;
dat [eiser] vordering, blijkens de bij pleidooi gegeven toelichting, uitdrukkelijk niet op vernietiging van de boedel verdeling doch slechts op vernietiging van de clausule van niet-opeisbaarheid gericht is;
dat [eiser] dienovereenkomstig ook niet alle mededeelgenoten heeft gedagvaard en niet heeft gesteld één der gronden van artikel 1170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, te weten benadeling voor meer dan 4 ofwel verkorting van het wettelijk erfdeel ten gevolge van de gecombineerde werking van hetgeen aan sommigen der erfgenamen met vrijstelling van inbreng gegeven is en de wijze waarop de ouder de boedel verdeeld heeft;
dat [eiser] daarom in zijn vordering niet kan worden ontvangen;
dat nog ten overvloede inderdaad de beslissing, dat de clausulering van de overbedelingsuitkering deel uitmaakt van de boedelverdeling, op zich zelve genomen, met zoveel woorden, niets zegt over de vraag, of de aldus bezwaarde toedeling soms strijdt met de legitieme;
dat het antwoord op die vraag, gezien in het licht van het vorenoverwogene, zonder praktisch belang is, omdat de bewuste clausule, als deel uitmakend van de boedelverdeling, slechts in de gevallen in artikel 1170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, kan worden bestreden;
dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , ter plaatse als door [eiser] advocaat vermeld, in wezen de onhoudbaarheid van deze gevolgtrekking uit het bewuste arrest niet aantonen;
dat met name de eerste deze gevolgen ongewenst voorkomen en hij zich daarom richt tegen de beslissing dat de bewuste clausule deel uitmaakt van de boedelverdeling";
dat [eiser] van deze uitspraak in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage;
dat het Hof bij het bestreden arrest het vonnis van de Rechtbank heeft bekrachtigd, na dienaangaande te hebben overwogen:
"1) dat volgens de vierde grief de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ingestelde vordering, blijkens de bij pleidooi gegeven toelichting, uitdrukkelijk op vernietiging van de clausule van niet-opeisbaarheid is gericht;
2) dat deze grief gegrond is in zoverre als [eiser] bij inleidende dagvaarding het bedrag zijner legitieme portie, zonder vernietiging van de clausule van niet-opeisbaarheid te vorderen, rauwelijks heeft opgeëist en in dit opzicht zijn eis niet heeft gewijzigd; dat de grief echter niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep kan leiden, zoals uit het ondervolgende zal blijken;
3) dat namelijk met de overige grieven wordt opgekomen tegen de beslissing der Rechtbank, dat de clausule van niet- opeisbaarheid slechts te doorbreken valt met een op artikel 1170 van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde vordering tot vernietiging van de ouderlijke boedelverdeling;
4) dat de onderhavige testamentaire beschikking luidt, als weergegeven onder 4 van de dagvaarding; dat de bewoordingen van deze beschikking er geen twijfel aan laten bestaan, dat de bepalingen "welke erfdelen echter eerst opvorderbaar zullen zijn bij het overlijden van mijn genoemde echtgenote en ter zake van welke erfdelen geen rente zal verschuldigd zijn" wezenlijk deel uitmaken van de door de erflater gemaakte boedelverdeling, zodat ook deze bepalingen slechts langs de weg van artikel 1170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek - ten opzichte van artikel 960 van dat Wetboek als lex specialis te beschouwen - kunnen worden aangetast; dat [eiser] , naar ten processe vaststaat, deze weg niet heeft bewandeld, weshalve de Rechtbank hem in zijn rauwelijks ingestelde vordering tot uitkering van zijn legitieme portie terecht niet- ontvankelijk heeft verklaard";
Overwegende dat [eiser] deze uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
"Schending van het recht, doordien het Hof heeft over- wogen en beslist zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 2 (slot) en 4 van het bestreden arrest, waarnaar hier wordt verwezen, en op de daarin vermelde gronden heeft bekrachtigd het vonnis waarvan beroep, waarbij [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn oorspronkelijke vordering, ten onrechte en om de navolgende redenen:
a. In een geval als het onderhavige, waarin de erflater bij testament (of notariële akte) een ouderlijke boedelverdeling heeft gemaakt overeenkomstig de bepalingen van artikel 1167 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en op een wijze als in rechtsoverweging 4 weergegeven, staat het een legitimaris, die van oordeel is dat door en ten gevolge van deze verdeling inbreuk is gemaakt op de legitieme portie, welke de bepalingen van artikel 960 en volgende van het Burgerlijk Wetboek hem toekennen vrij een vordering op de voet van artikel 967 van het Burgerlijk Wetboek in te stellen tegen degeen, die door de desbetreffende verdeling ten koste van zijn legitieme portie is bevoordeeld, zulks geheel onafhankelijk van de vraag, of de desbetreffende verdeling ook grond geeft voor een betwisting op de voet van artikel 1170 van het Burgerlijk Wetboek. Het Hof heeft dan ook ten onrechte aangenomen, dat artikel 1170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek ten opzichte van artikel 960 van het Burgerlijk Wetboek als lex specialis dient te worden beschouwd. Noch de bewoordingen, noch doel en strekking, noch de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1170 (lid 1) van het Burgerlijk Wetboek geven steun aan de door het Hof gehuldigde opvatting, doch veeleer aan het tegendeel daarvan. Reeds om deze redenen had het Hof niet tot bekrachtiging van het vonnis a quo, waarbij [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard in zijn oorspronkelijke vordering, mogen komen.
b. In ieder geval staat het in een geval als het onderhavige, waarin de legitimaris slechts wenst op te komen tegen de bepalingen in de ouderlijke boedelverdeling, dat de - onder meer aan hem uit te keren - zuivere erfdelen eerst opvorderbaar zullen zijn bij het overlijden van de echtgenote van de erflater en dat ter zake daarvan geen rente verschuldigd zal zijn (zoals door het Hof in rechtsoverweging 4 weergegeven), doch voor het overige de ouderlijke boedelverdeling intact wenst te laten, de legitimaris vrij zijn legitieme portie op de voet van artikel 967 van het Burgerlijk Wetboek - zoals het Hof het uitdrukt - rauwelijks in contanten op te vorderen van degeen, die door de ouderlijke boedelverdeling ten koste van de legitieme portie is bevoordeeld.
Het Hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld, dat de hierbedoelde bepalingen van het testament slechts langs de weg van artikel 1170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden aangetast";
Overwegende omtrent dit middel:
dat het Hof op grond van de vaststelling dat de betreffende testamentaire bepalingen over de niet-opeisbaarheid en de renteloosheid van de vorderingen van de kinderen van de erflater op diens weduwe ter zake van overbedeling een "wezenlijk deel uitmaken van de door de erflater gemaakte boedelverdeling", concludeert dat ook deze bepalingen slechts langs de weg van artikel 1170, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden aangetast, en wel omdat genoemd wetsvoorschrift "ten opzichte van artikel 960 van dat Wetboek als lex specialis te beschouwen" zou zijn;
dat het middel deze opvatting terecht bestrijdt;
dat de mogelijkheid van een boedelverdeling als voorzien in de artikelen 1167 en volgende van het Burgerlijk Wetboek slechts in zóver een inperking meebrengt van het aan legitimarissen in de artikelen 960 en volgende toegekende recht op hun wettelijk erfdeel, dat zij in geval van een zodanige boedelverdeling er geen aanspraak op kunnen maken, hun wettelijk erfdeel in goederen van de nalatenschap te ontvangen; dat deze mogelijkheid dus onverlet laat de aanspraak van legitimarissen op de verkrijging van waarden tot het beloop van hun wettelijk erfdeel;
dat de in artikel 1170 voorziene bevoegdheid tot het betwisten van een ouderlijke boedelverdeling in de in dat artikel aangegeven gevallen, andere rechtsgevolgen heeft - immers de nietigheid van de boedelverdeling - dan een vordering tot inkorting tegen degeen door wiens bevoordeling aan het wettelijk erfdeel te kort is gedaan;
dat dan ook noch aan de strekking van de in artikel 1167 geregelde boedelverdeling, noch aan de in artikel 1170 voorziene mogelijkheid tot betwisting een argument kan worden ontleend om legitimarissen, aan wier wettelijk erfdeel als een gevolg van een zodanige verdeling te kort wordt gedaan, de hiervoor bedoelde vordering tot inkorting te ontzeggen;
dat daaraan ook niet af kan doen, dat de testamentaire bepalingen waardoor een legitimaris in zijn wettelijk erfdeel wordt verkort, een wezenlijk deel uitmaken van de door de erflater gemaakte boedelverdeling; dat dit laatste immers wel van belang kan zijn voor de toepassing van artikel 1170 op de betreffende verdeling, maar niet voor de vordering van een legitimaris tot inkorting tegen degeen wiens bevoordeling aan het wettelijk erfdeel te kort doet;
dat onderdeel a van het middel dus gegrond is en onderdeel b geen bespreking behoeft;
Vernietigt het bestreden arrest;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt [verweerster] in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op f 174, -- aan verschotten en f 1.350, -- voor salaris. Aldus gedaan door Mrs. Wiarda, President, de Meijere, Hollander, Minkenhof en Drion, Raden, en door de President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de een en twintigste december 1900 drie en zeventig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Berger.