V.
Nr. 10.683.
Zitting 18 mei 1973.
Mr. Berger.
Conclusie inzake:
[eiser c.s.] /GEMEENTE AMSTERDAM.
Edelhoogachtbare Heren,
Toen verweerster in cassatie (de Gemeente) had besloten met ingang van 20 maart 1972 het drinkwater in haar gemeente vanuit het door haar geƫxploiteerde (en haar in eigendom toebehorende) waterleidingbedrijf te fluorideren door toevoeging aan het af te leveren drinkwater van een hoeveelheid kiezelfluorwaterstofzuur (overeenkomstig de bij de door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid gegeven beschikking van 10 januari 1968, houdende goedkeuring fluoridering drinkwater, gestelde voorwaarden), hebben de eisers tot cassatie ( [eiser c.s.] ) de Gemeente bij exploit van 14 maart 1972 in kort geding gedagvaard voor de President van de Amsterdamse Rechtbank. Hetgeen eisers bij de inleidende dagvaarding hebben gesteld, komt in feite hier op neer, dat zij tegen het verbruik van gefluorideerd drinkwater overwegende bezwaren hebben wegens medische, biologische, ethische en andere redenen, dat de Kroon heeft beslist, dat tot fluoridering van drinkwater niet mag worden overgegaan, zolang voor verbruikers, die overwegende bezwaren hebben tegen het gebruiken van gefluorideerd drinkwater, de praktische mogelijkheid ontbreekt over ongefluorideerd drinkwater te beschikken, dat de Gemeente geen althans onvoldoende voorzieningen heeft getroffen, waardoor voor de bezwaarden de praktische mogelijkheid wordt gegeven zuiver (dat wil zeggen ongefluorideerd) drinkwater te verkrijgen, weshalve gezien de monopoliepositie van het waterleidingbedrijf van de Gemeente de fluoridering van het af te leveren drinkwater is onrechtmatig althans onzorgvuldig tegenover [eiser c.s.] . Op deze gronden hebben [eiser c.s.] gevorderd een verbod aan de Gemeente tot fluoridering van het drinkwater over te gaan, zolang zij niet aan de bezwaarden ongefluorideerd drinkwater aflevert, althans zolang niet de Kroon heeft beslist over wat onder vorenbedoelde "praktische mogelijkheid" dient te worden verstaan, althans gedurende een te bepalen termijn om die beslissing af te kunnen wachten.
De President heeft na de door de Gemeente voorgenomen voorziening te hebben getoetst aan art. 1401 B.W. de vorderingen van eisers afgewezen. Bij het bestreden arrest heeft het Hof het vonnis van de President bekrachtigd.
In het eerste onderdeel van het middel wordt het Hof verweten, dat het niet is ingegaan op het omstandig betoog van [eiser c.s.] , dat gefluorideerd drinkwater niet is aan te merken als deugdelijk drinkwater als bedoeld in art. 4 lid 1 van de Waterleidingwet (WLW), althans dat gefluorideerd drinkwater stoffen bevat in zodanige hoeveelheid per eenheid water, dat deze stoffen voor de gezondheid nadelig kunnen zijn en aldus in strijd is met art. 4 lid 1 van het Waterleidingbesluit (WLB). Naar mijn mening mist dit verwijt goede grond. Zoals uit de inhoud van dagvaarding blijkt, zoals deze althans kennelijk door de President en het Hof is begrepen, was de grondslag van de vorderingen van eisers niet gelegen in de ondeugdelijkheid en de schadelijkheid van gefluorideerd drinkwater, maar in het ontbreken van de praktische mogelijkheid voor eisers om over ongefluorideerd drinkwater te beschikken tot levering waarvan zij de Gemeente zowel krachtens de wet als krachtens overeenkomst gehouden achtten. Nadat het Hof naar aanleiding van de desbetreffende grieven had vastgesteld, dat met betrekking tot de aan het te leveren drinkwater te stellen eisen de contractuele verplichtingen van de Gemeente met die uit hoofde van de wettelijke voorschriften samenvielen, heeft het Hof vastgesteld, dat het litigieuze drinkwater aan de wettelijke voorschriften - voor zover ten toets komend - voldeed, zodat het tot de Gemeente gerichte verwijt van wanprestatie goede grond miste. Terecht heeft, naar het mij voorkomt, het Hof te dezen doorslaggevende betekenis gehecht aan de beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 10 januari 1968, waarbij aan de Gemeente de in art. 4 lid 3 WLB bedoelde goedkeuring tot drinkwaterfluoridering is verleend. Aldus is immers de fluoridering van het drinkwater geeffectueerd met inachtneming van het desbetreffende wettelijke voorschrift, zodat de Gemeente aan haar wettelijke verplichtingen en derhalve aan haar contractuele heeft voldaan. Toegegeven kan worden, dat de goedkeuring van de Staatssecretaris op zichzelf niet bepalend is voor de kwaliteit van het drinkwater, doch een toetsing daarvan en met name aan art. 4 lid 1 WLB kwam in het onderhavig geding niet aan de orde. [eiser c.s.] hebben de ondeugdelijkheid en de schadelijkheid van gefluorideerd drinkwater met klem van redenen naar voren gebracht niet om de Gemeente in het algemeen te doen verbieden gefluorideerd drinkwater te leveren maar om de Gemeente te doen noodzaken overeenkomstig de aangehaalde K.B.'s de praktische mogelijkheid te creƫren voor de bezwaarden om ongefluorideerd drinkwater te verkrijgen. Ik moge hier met name verwijzen naar hetgeen [eiser c.s.] als appellanten bij memorie van grieven o.m. ter inleiding van hun grieven hebben gesteld:
"Is derhalve een algemeen verbod om in Nederland te fluorideren niet mogelijk, appellanten hebben wel steun gekregen van de zijde van de Raad van State die, in een analoge situatie als de Amsterdamse heeft bepaald dat voor de aangeslotene op het waterleidingnet die om welke reden dan ook verschoond wensen te blijven van dit twijfelachtige water, de praktische mogelijkheid moet worden geschapen om ongefluorideerd drinkwater te verkrijgen.
Appellanten menen dat de voorzieningen die de gemeente Amsterdam heeft genomen onvoldoende zijn (een paar "tappunten" voor het gehele Amsterdamse gebied) om aan hen die bezwaren hebben tegen het gebruik van gefluorideerd water -- waaronder zich natuurlijk juist velen met een door ziekte of ouderdom zwakke gezondheid bevinden -- een in de praktijk te verwezenlijken mogelijkheid te bieden om aan vers ongefluorideerd water te komen. Om die reden ( onderstreping van onderget.) hebben zij op de 14de maart 1972 de gemeente Amsterdam gedagvaard voor de President te Amsterdam enz. . " Toetsing aan de wet van de fluoridering van het drinkwater leidde in casu tot positief resultaat, weshalve, naar het Hof terecht heeft vastgesteld, de Gemeente geen wanprestatie kon worden verweten. Naar de door [eiser c.s.] gestelde ondeugdelijkheid en onschadelijkheid van gefluorideerd drinkwater behoefde het Hof geen nader onderzoek te doen, omdat zij overeenkomstig de stellingen van [eiser c.s.] reeds als grond voor de gerechtvaardigheid hunner bezwaren waren aanvaard, op grond daarvan leidend tot gehoudenheid van de Gemeente tot het scheppen van de praktische mogelijkheid over ongefluorideerd drinkwater te beschikken.
Dat art. 4 lid 3 WLB onverbindend zou zijn als niet steunend op art. 4 lid 2 WLW lijkt mij een - hoewel met zwaarwegende argumenten te steunen - niet noodzakelijk te aanvaarden standpunt. Men kan er m.i. van uit gaan, dat voor de inwerkingtreding van de WLW de eigenaar van een waterleidingbedrijf de bevoegdheid had om aan het water stoffen toe te voegen met het doel deze door middel van het drinkwater aan de verbruikers te doen toekomen. Dat door deze toe te voegen stoffen de hoedanigheid van het af te leveren drinkwater mede kan worden bepaald komt mij niet aan twijfel onderhevig voor. Welnu als eis, waaraan tenminste moet worden voldaan met betrekking tot deze mede de hoedanigheid van het drinkwater bepalende stoffen, is de goedkeuring van de Minister voorgeschreven. Dit vastgesteld zijnde is tevens aan het in dit onderdeel van het middel gedaan beroep op art. 8 van het Verdrag van Rome tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, daargelaten dat dit beroep voor het eerst in cassatie gedaan is, de grondslag komen te ontvallen. Overigens ben ik met Prof. Leenen ("Fluoridering van het drinkwater" N.J.B. 1972 bldz. 677 e.v.) van mening, dat het bepaaldelijk voorkeur verdient een zo belangrijke en omstreden aangelegenheid als de fluoridering van het drinkwater bij formele wet te regelen. Tenslotte zij naar aanleiding van dit onderdeel van het middel nog aangevoerd, dat er van mag worden uitgegaan, dat fluor geen wezensvreemd element in "natuurlijk" drinkwater is. Het gaat in het algemeen slechts om verhoging van de concentratie in het belang van de volksgezondheid. Het is, naar ik meen, niet uitzonderlijk, dat voor het menselijk lichaam noodzakelijke mineralen, die in "natuurlijk" drinkwater plegen voor te komen, aan langs een bepaalde weg gewonnen drinkwater (bijv. door distillatie uit zeewater) in het belang van de volksgezondheid moeten worden toegevoegd, omdat zij bij het winningsproces geheel of gedeeltelijk te loor zijn gegaan.
Het tweede onderdeel van het middel - gericht tegen r.o. 12 van het bestreden arrest - zal, naar het mij voorkomt, moeten afstuiten op het feitelijk karakter van 's Hofs derbetreffende op de uitleg der dingtalen steunende overweging. Het Hof heeft vastgesteld, dat [eiser c.s.] onvoldoende hadden gesteld, dat de Gemeente tegenover hen in redelijkheid niet heeft kunnen volstaan met de gegeven mogelijkheden tot verkrijging van ongefluorideerd drinkwater. Dienaangaande is inderdaad in de stukken niets te vinden, doch dit daargelaten: bedoeld oordeel is aan het Hof voorbehouden.
Daar het middel, naar mijn mening, geen doel kan treffen, moge ik concluderen tot verwerping van het beroep met de veroordeling van de eisers tot cassatie in de kosten op de voorziening gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,