ECLI:NL:PHR:1979:AB7301

ECLI:NL:PHR:1979:AB7301, Parket bij de Hoge Raad, 01-06-1979, 11350

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 01-06-1979
Datum publicatie 04-11-2025
Zaaknummer 11350
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1979:AB7301
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001958

Samenvatting

Vraag of — respectievelijk onder welke omstandigheden — een werknemer die uitsluitend ten eigen genoegen d.m.v. een zelf meegebrachte draagbare radio muziek ten gehore brengt in een bedrijfsruimte waar ook andere werknemers die muziek kunnen horen, gezegd kan worden die muziek openbaar te maken in de zin van de Auteurswet 1912.

Uitspraak

L.

Nr. 11.350

Zitting 20 april 1979.

Mr. ten Kate.

Conclusie inzake:

BUMA

tegen:

" DE ZON " B.V.

Edelhoogachtbare Heren,

De Zon (verweerster in cassatie) exploiteert te Goes een wasserijbedrijf. In de grote hal van het bedrijf - ik volg hier de feitelijke vaststellingen van de Rechtbank in haar eindvonnis van 19 maart 1976 - werken 25 à 30 mensen. In de hal staan een aantal paktafels en persmachines opgesteld, welke laatste tijdens het werk in bedrijf zijn. Een van de werkneemsters van de Zon, welk bedrijf zelf geen installatie tot weergave van muziek heeft, heeft haar transistorradio meegenomen en op haar paktafel in gemelde hal neergezet. Bedoelde werkneemster zet deze radio geregeld aan en brengt aldus muziek ten gehore, waaronder het repertoire van de BUMA (eiseres tot cassatie). Deze muziek kan niet alleen door deze werkneemster worden gehoord doch ook door één of twee andere meisjes die met haar aan dezelfde mangel staan; dit als de radio zacht speelt. Staat de radio hard aan, dan kunnen nog ongeveer vier andere werkneemsters de muziek min of meer duidelijk horen. Gezien de beschrijving van de portable acht de Rechtbank het niet onwaarschijnlijk dat het geluid van de radio nog meer werknemers zal kunnen bereiken. Een van de getuigen heeft echter verklaard dat bij hard aanstaan van de radio de chef er wat van zegt. De beperking in de verbreiding van het geluid ontstaat door de onderlinge afstand waarop gewerkt wordt, en het lawaai van de machines.

De voormelde vaststellingen van de Rechtbank zijn weliswaar met betrekking tot het verdere bereik dan de eerst bedoelde twee meisjes die aan dezelfde mangel staan, in de appelgrieven 1 en 2 bestreden, doch het Hof heeft daarop niet beslist, zodat voor de beoordeling van het arrest in cassatie deze vaststellingen als waren zij juist, moeten worden beschouwd.

De BUMA meent in dit geding - na een in twee instanties zonder succes gevoerd desbetreffend kort geding van dezelfde strekking -, dat hier sprake is van uitvoering van tot haar repertoire behorende werken in het openbaar en vordert, nu voor deze uitvoering de vereiste toestemming van haar niet verkregen is, tegen de Zon onder meer een gebod te verhinderen dat zonder voorafgaande toestemming van de BUMA muziek behorende tot gemeld repertoire in enig voor het publiek - waaronder haar personeel begrepen - toegankelijke ruimte van haar bedrijf ten gehore wordt gebracht.

De Zon voert in hoofdzaak drie verweren. In de eerste plaats stelt ze dat hier niet van openbaarmaking kan worden gesproken. In de tweede plaats stelt ze dat de twee à drie in de eerste plaats betrokken meisjes goede vriendinnen zijn, zodat de uitzondering van art.12 lid 2 Auteurswet zich voordoet, nl. uitvoering in "familie- of vriendenkring of in een groep personen tussen wie banden van persoonlijke aard bestaan, die nauwelijks minder hecht zijn dan familiebanden en banden van vriendschap", zoals H.R. 9 maart 1979, R.v.d. W. 1979 no. 42 dit artikellid heeft geïnterpreteerd. In de derde plaats heeft ze doen aanvoeren dat de vordering van de BUMA moet worden afgewezen, omdat in de tegenwoordige tijd een werkgever in de bestaande arbeidsverhoudingen er niet toe gehouden is om te beletten dat een werknemer in een arbeidssituatie als in casu een meegebrachte portable voor eigen genoegen laat spelen. Vgl. omtrent de hiermee aan de orde gestelde problematiek onder meer H.R. 10 juni 1955, N.J.1955 no. 552 (L.E.H.R.), A.A. 1955-56 (v), p. 145 (C.P.); Drion c.s., "Onrechtmatige Daad IV, no. 177b; C.J.J.C. van Nispen, "Het Rechterlijk Verbod en Bevel", Prf. Leiden 1978 no. 82, no. 83 en no. 122.

De beide laatste weren zijn in cassatie niet aan de orde, nu het Hof, anders dan de Rechtbank, de vordering reeds heeft afgewezen, omdat in casu van openbaar maken in de zin der wet geen sprake is.

Hiertegen is het cassatiemiddel gericht.

Een van de eerste rechten van de maker van een werk is het exclusieve recht dit openbaar te maken (art. 1 Auteurswet van 23 september 1912 S.308). De term "openbaarmaking" is op zichzelf niet nader omschreven. Men liet het op de natuurlijke betekenis van dit woord aankomen. Wel is het begrip in art. 12 Auteurswet (art. 11 in het ontwerp) nader uitgewerkt. Men meende dat naast de natuurlijke betekenis een afgeleide stond, die voor een goede bescherming van de auteur niet gemist kon worden. Vgl. M. v.T. p. 9 r.k., V.V. p.20 r.k., M.v.A. p. 25 (Zitting Tweede Kamer 1911-1912-227, stuk nr. 3, 4 resp. 5). Wellicht was deze toevoeging overbodig (vgl. Drucker-Bodenhausen-Wichers Hoeth, "Kort begrip van het recht betreffende de industriële en intellectuele eigendom" 1976, p. 221/222), doch voor het onderhavige geschil komt het daarop aan.

Het gaat in casu immers om ten gehore brengen van muziek in besloten kring, namelijk voor in het bedrijf werkzame personen. Het geding betreft derhalve art. 12 lid 2 Auteurswet, welk lid voor de besloten kring een afbakening inhoudt tot het begrip "openbaar" uit het eerste lid onder 3º. Uit deze laatste bepaling blijkt dat met "openbaarmaking", voor zover hier van belang, bedoeld is "uitvoering in het openbaar". De vraag, waarvoor het cassatiemiddel Uw Raad plaatst, is derhalve of in casu sprake is van "uitvoering in het openbaar".

Bij de vraag, wie uitvoert, besliste Uw Raad (H.R. 11 juni 1920, N.J. 1920 p. 718) dat "uitvoering" moet worden begrepen naar de betekenis in het dagelijks leven: "het feitelijk ten gehore brengen".

Nu is het luisteren naar haar radio door genoemde werkneemster op zichzelf niet in strijd met vermeld, door de BUMA uitgeoefend recht, ook al geschiedde dit luisteren op haar werk. De vraag is derhalve, waar dit luisteren op zijn beurt overgaat in uitvoering in het openbaar, in zgn. verdere openbaarmaking (vgl. Drucker- Bodenhausen-Wichers Hoeth t.a.p., p.219) of "tweedegraads-openbaarmaking (van Lingen, "Auteursrecht in hoofdlijnen" 1975,p.43 en p. 46). Zoals Uw Raad H.R. 6 mei 1938, N.J. 1938 no. 635 (E.M.M. ) overwoog met betrekking tot een caféhouder die zijn radio in zijn voor het publiek toegankelijke localiteit aanzette, omvat de bewilliging in de uitzending van het werk door de radio niet, behoeft althans niet te omvatten, "bewilliging voor derden om door middel van het ontvangtoestel het werk ten gehoore van het publiek te brengen". Vgl. Pfeffer-Gerbrandy, "Kort commentaar op de Auteurswet 1912" (1973), p.106-114; Komen-Verkade, "Compendium van het auteursrecht" (1970), p.51-53. In art.27 slot van de Franse wet van 11 maart 1957 "sur la propriété littéraire artistique" is dit laatste geval rechtstreeks voorzien. Het vindt zijn grens in art. 41 lid 1 onder 1° van die wet in de "représentations privées et gratuites effectuées exclusivement dans un cercle de famille".Men zie hierover : Desbois, "Le Droit d'Auteur en France" (1978), nr. 256, p.327, nrs. 265-268, p. 335 e.v .; Le Tarnec, "Manuel de la propriété littéraire et artistique", 2e druk (1966), nrs. 87, 89 en 91.

Het is goed eerst bij de afbakening tot de reeds genoemde besloten kring van vrienden enz. even stil teestaan. Bij wet van 27 oktober 1972 S.579 heeft men namelijk de oude scheidslijn gewijzigd, omdat de oude in de hedendaagse samenleving niet meer voldeed en met name uitvoeringen in min of meer besloten kring aan de werking van het auteursrecht onttrok, terwijl de ratio van het auteursrecht zich ertegen verzet deze buiten de werkingssfeer daarvan te houden. In dit verband noemde de M.v.T. p. 2 r.k. (Zitting Tweede Kamer 1964-1965-7877 stuk nr.3) als voorbeeld "mechanische muziekuitvoeringen in bedrijfsruimten, cantines e.d.". Het onttrekken van dergelijke uitvoeringen "miskent", zo vervolgt de M.v.T .: "dat in beginsel de auteur tegen elk ongeautoriseerd gebruik, dat van zijn werk wordt gemaakt, beschermd behoort te zijn, behoudens wanneer een sociale noodzaak of behoefte bestaat zijn recht dienaangaande bij de wet (ik onderstreep; t.K. ) te beperken. Een dergelijke noodzaak of behoefte achten de ondergetekenden in de voormelde gevallen niet aanwezig".

Uit de vervolgens in het parlement gevoerde discussie blijkt dat men de voorgestelde omschrijving van de besloten kring, waarin werken uitgevoerd mogen worden zonder de toestemming van de auteur te behoeven, na aanvankelijke vragen in andere richting tenslotte op aandrang van de BUMA verder wilde beperken. Men zie: V.V. p. 2 r.k .; M.v.A. p.4 r.k. ; Verslag van een openbaar gehoor, stuk nr.8, p. 4 r.k .; nader V.V., stuk nr. 9, p. 3 1.k. ; nadere M. v.A., stuk nr. 11, p. 5 1.k .; Verslag van een openbaar gehoor, stuk nr. 14, p. 7 1.k .; Advies van de adviescommissie voor het auteursrecht, overgelegd bij derde Nota van wijzigingen, stuk nr. 17, p. 5 onder 15; Amendement Roethof c.s., stuk nr. 24; Mondelinge Behandeling Tweede Kamer 1972, p. 3283 r.k. 3425/3426, 3440 r.k. en voorts H.R. 9 maart 1979, R. v.d. W. 1979 no. 42 en de daaraan voorafgaande conclusie vam mijn ambtgenoot Berger.

Dit een en ander vond plaats tegen de achtergrond van de onomstreden ratio dat de auteur in beginsel tegen elk ongeautoriseerd gebruik van zijn werk beschermd behoort te zijn. Of de gebruiker van het werk aldus dit werk tevens exploiteert, is daarbij niet van belang. Wel was het feit van exploitatie, namelijk als men betaling verlangt, reden een anders als besloten aan te duiden kring niet langer besloten te achten (vgl. M.v.T. p. 3 1.k. ), doch dit motief om de uitzondering op de hoofdregel in te perken werd niet gebezigd om aan te geven dat naar de hoofdregel alleen in zodanig geval een uitvoering onder de werking van het auteursrecht dient te vallen. Zo blijkt b.v. bij de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer van de besproken wijzigingswet in de vergadering van 24 oktober 1972, p.24,25, p.31 1.k., dat men het erover eens was dat repetities ter voorbereiding van een uitvoering in beginsel onder het begrip uitvoering in het openbaar vallen - ook al vond men dit onjuist en zal de BUMA daarom voor dit soort repetities geen auteursrecht claimen -, zonder dat toch gezegd kan worden dat bij deze repetities reeds van exploitatie sprake is. Zo ook Pfeffer-Gerbrandy t.a.p., p. 4 onder 9, p. 93 en p. 110 midden; van Lingen, Auteursrecht in hoofdlijnen" (1975),p. 37 en p. 43. Vgl. hierover: van Isacker, "De exploitatierechten van de auteur" (1963), p. 233-234; Copinger-Skone James, "On Copyright" (1965), no. 514, p. 198/199; Report of the (Whitford) Committee to consider the Law on Copywright and Designs (1977), p. 95; Ulmer, "Urheber- und Verslagsrecht" (1960), p. 188-190 over het oude en toen nog komende Duitse recht; Hubmann, "Urheber- und Verlagsrecht" (1978), p. 129.

Uit deze wetshistorie volgt in ieder geval dat de wetgever het ten gehore brengen van muziek in bedrijfsruimten, cantines e.d., niet langer onttrokken wenste te zien aan de werking van het auteursrecht. In deze geschiedenis heeft geen rol gespeeld door wiens activiteit de muziek ten gehore werd gebracht. Gelet op voormelde ratio valt ook niet goed in te zien, dat van belang zou kunnen zijn, of de muziek ten gehore wordt gebracht door activiteit van de werkgever of door die van een of meer werknemers dan wel of daartoe een installatie van de werkgever wordt gebezigd of apparatuur van de betrokken werknemer(s). Het door de wetgever beoogde resultaat om muziek ten gehore gebracht in bedrijfsruimten onder de werking van de Auteurswet terug te brengen, zou dan ook al heel eenvoudig ontgaan kunnen worden.

Zo komt dan weer de kernvraag van dit geding aan de orde, waar het geautoriseerde luisteren naar de eigen radio op het werk overgaat in ten gehore brengen van de muziek aan het publiek, zodat voor dit gebruik van de radio bewilliging nodig is van de BUMA.

In de hier reeds eerder genoemde M.v.T. bij de wet van 27 oktober 1972 S.579 wordt uitgaande van voormelde ratio met instemming aangehaald "dat het begrip 'openbare uitvoering', welke aan toestemming van de auteur onderworpen is, behoort te worden geïnterpreteerd vanuit de tegenpool 'de privé-kring', waarbij dan wordt aangenomen, dat alle uitvoeringen e.d. toestemming van de auteur behoeven, behalve die, welke geschieden in de familie- of daarmee gelijk te stellen kring. (Vergelijk Hof Leeuwarden 16 december 1953, N.J. 1954, no. 680)".

Begin ik bij het laatste, dan mag geconstateerd worden - zoals ik hierboven reeds aannam -, dat de werknemer die naar zijn radio luistert op zijn werk, daarmee op zichzelf nog geheel binnen zijn privésfeer blijft, ook indien dit luisteren ter plaatse geschiedt, beperkt tot de kring van werknemers tussen wie banden bestaan als in art. 12 lid 2 Auteurswet bedoeld. Wil van uitvoering in het openbaar sprake zijn, dan zal daar iets bij moeten komen. Het enkele feit dat op het bedrijf naar de eigen radio geluisterd wordt, is niet voldoende. Veel zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Vgl. van Isacker, t.a.p., nr.256, p. 238. Zo zal van openbaarmaken in beginsel geen sprake zijn, indien de werknemer een eigen kamer heeft, ook al staan de ramen open of isoleren de muren het geluid slecht. Dat in zijn kamer geregeld andere werknemers komen of de telefoon wordt aangenomen, brengt in deze beoordeling naar mijn gevoelen al evenmin verschil.

Het probleem komt op, indien de werknemer op het bedrijf in een ruimte of buiten met andere werknemers werkt, of indien de werknemer in voormeld voorbeeld door de deuren van zijn kamer open te zetten zodanige eenheid schept. Enerzijds zal het ook dan niet zo zijn, dat de werknemer die in zodanige situatie werkt, in beginsel niet zonder bewilliging van althans zonder betaling aan de BUMA naar zijn radio zou mogen luisteren. Het betreft hier echter een samenwerkingsverband, waarin gevergd mag worden dat werknemers met elkaar rekening houden. Bij het doen spelen van de radio binnen het gehoor van andere werknemers zonder beperkt te zijn tot de kring bedoeld in art. 12 lid 2 Auteurswet zal evenzeer bedacht moeten worden dat het recht van de auteur zijn werk aan anderen te doen horen exclusief is.

Art. 28 van het "Vorentwurf der Expertencommission für ein Schweizerisches Bundesgesetz betreffend das Urheberrecht" houdt in: "1. Ein bekanntgemachtes Werk darf ......innerhalb eines privaten Kreises .......wenn es gesendet wurde, hörbar oder sichtbar gemacht werden. 2. Zum privaten Kreis im Sinn von Absatz 1 gehören nur Personen, welche unter sich oder mit dem Veranstalter persönlich eng verbunden sind, wie Verwandte oder Freunde, nicht aber Angehörige von religiösen oder weltlichen Gemeinschaften wie Kirche, Armee, Vereinen oder Betrieben". Zie daarbij de aantekening van Alois Troller in "Internationale Gesellschaft für Urheberrecht E. V.", Schriftenreihe Band 48 (1972), p. 28 en p. 43.

Ook in voormelde situatie is denkbaar dat niettemin geen sprake is van openbaar maken. De werknemer, die zijn radio niet kan missen, kan deze zo afstellen dat hij in feite de enige is die het geluid behoorlijk kan horen.

Het enkele feit dat hij, ofschoon toch meer anderen de muziek kunnen horen, geen openbaarmaking beoogt of slechts een openbaarmaking die voor een bepaalde besloten groep, vallende onder de uitzondering van art. 12 lid 2 Auteurswet, is bestemd (vgl. Hof Arnhem 1 februari 1972, N.J.1973 no. 424), is daarbij niet van belang. Zo ook Hof van Cassatie 27 februari 1975, R.W. 1974-1975, kolom 2553: het auteursrecht is beschermd zodra de uitzending openbaar en hoorbaar is. De intentie neemt op zichzelf het feit van het openbaar maken niet weg, terwijl de intentie geen bijkomend vereiste is. De intentie van de gebruiker is trouwens een in de praktijk moeilijk vaststelbaar en daarom niet erg bruikbaar gegeven ter onderscheiding.

Naar mijn gevoelen ligt de scheidslijn daar, waar de gegeven situatie kennelijk ertoe strekt dat meer personen de radio horen; er dus "publiek" is (vgl.Komen-Verkade, "Supplement bij het compendium van het auteursrecht" 1973, p. 13; van Lingen t.a.p., p. 47; van Isacker, "De exploitatierechten van de auteur" 1963, p. 236, p. 241), althans het publiek vrije toe- gang heeft al is het er in feite niet ( vgl. Pfeffer-Gerbrandy t.a.p., p. 116; Komen>Verkade, "Compendium" t. a. p., p. 51), of b.v. aan het publiek een middel beschikbaar is gesteld, hetwelk een ieder die daarvan op de daarvoor aangegeven wijze gebruik wil maken, in staat stelt werken die met het gehoor kunnen worden waargenomen, te beluisteren (vgl. H.R. 27 juni 1958, N.J. 1958 no. 405, A.A.1958-59 VIII, p. 217 m.nt. Hirsch Ballin). Ik kom hiermee in de buurt van 15 lid 3 van het Duitse Urheberrechtsgesetz van 9 september 1965 (BGBl. I S. 1273): "Die Wiedergabe eines Werkes ist öffentlich, wenn sie für eine Mehrzahl von Personen bestimmt (ik onderstreep; t.K.) ist, es sei denn, dasz der Kreis dieser Personen bestimmt abgegrenzt ist und sie durch gegenseitige Beziehungen oder durch Beziehung zum Veranstalter persönlich untereinander verbunden sind". Vgl. over dit begrip "bestimmt" von Gamm "Urheberrechtsgesetz" (1968), p. 331-332 alinea's 15 en 16, p. 377.

Dat de buurman de radio zijns ondanks hoort omdat ramen openstaan of tussenmuren onvoldoende isoleren, valt daarbuiten (vgl. van Isacker t.a.p., p. 239/240). Zo ook de slagersjongen op de fiets, die de nieuwste "topper" fluit (vgl. Pfeffer-Gerbrandy t.a.p., p. 103/104), of de strandganger die zijn radio laat schallen, dan wel de besteller, wiens autoradio door het open raam de muziek aan het passerende en gepasseerde publiek ten gehore brengt. Dit geldt ook het musiceren in kleine kring als amateuristische culturele activiteit (Nadere M.v.A. p. 5 l.k. bij de wet van 1972 S. 579, Zitting Tweede Kamer 1970-1971-7877, 7889 R 446, stuk nr. 11).

Dit verandert echter direct, indien voor het open raam of in de ruimte waar gemusiceerd wordt, stoelen of banken zijn opgesteld voor luisteraars (uit het toevallig passerende publiek) dan wel zich anderszins een zodanige situatie voordoet. Er is dan weer sprake van een vorm van "vrije toegang" en niet een gevolg van de uit onze samenleving in de gegeven omstandigheden onvermijdbaar voortvloeiende mogelijkheid dat anderen, gewild (wellicht zelfs opzettelijk langs sluipwegen) of ongewild, het ten gehore gebrachte ook horen.

Aldus zullen in dit verband beslissend zijn naar buiten blijkende feiten en omstandigheden, zoals onder meer: het op een vaste plaats staan van de radio dan wel het in de zak houden daarvan bij een kleine zakradio; de plaats waar de radio staat; het bereik en de gebruikelijke afstelling daarvan; de indeling van de werkruimte (binnen); de aard van de werkplaats (buiten); de plaats waar de andere werknemers zich voor hun werk bevinden; het op het werk heersende lawaai enz.

De vraag is, of naast voormeld criterium nog het aantal van de toehoorders doorslaggevend is. Juist is dat zodanig criterium noodzakelijkerwijze een element van willekeur bevat. Zodanig criterium is dan ook in de wet niet opgenomen. Het beslissend achten van het aantal, op welke mogelijkheid BUMA en STEMRA (Verslag van een openbaar gehoor, Zitting Tweede Kamer 1971-1972- 7877, 7889 R 446, stuk nr. 14, p. 7 1.k. ) subsidiair wezen, is om voormelde reden afgewezen in het door de Regering vervolgens overgelegde advies van de Adviescommissie voor het Auteursrecht, als bijlage bij de Derde Nota van Wijzigingen, Zitting Tweede Kamer 1971-1972-7877, stuk nr. 17, p.5 onder 15. Deze commissie voegt daaraan toe: "Het besloten karakter van een kring wordt immers in beginsel niet bepaald door het aantal leden daarvan; hoogstens zou men kunnen stellen dat bij bepaalde grote aantallen de waarschijnlijkheid dat een kring als besloten zal kunnen worden aangemerkt afneemt. Het verdient daarom de voorkeur de huidige tekst van het ontwerp te handhaven".

Wellicht zou men mogen eisen dat het ten gehore brengen geschiedt aan meer dan één ander, die niet telkens vervangen wordt of kan worden, zoals b.v. in het geval van de "Schallplatten- Expresso", alwaar men een kopje koffie kan gebruiken met een koptelefoon op, waarbij de individuele bezoeker telkens de plaats van zijn keuze kan laten opzetten (vgl. Pfeffer-Gerbrandy t.a.p., p. 117; von Gamm t. a. p., p. 333).

Gelet op het vorenstaande, zou ik het hanteren van een criterium als voormeld niet juist achten. Er is geen absolute maatstaf in het algemeen te geven. (vgl. von Gamm t.a.p., p.332- 333 alinea 17, vooral slot). Wel kan het aantal wellicht, indien dit zeer klein is, als vermoeden meewerken aan de beslissing dat de gegeven situatie er niet toe strekt dat meer personen de radio horen. In dit verband gaat het dan niet om en relatief gegeven. Kan in een zaal slechts een klein deel van een groot aantal personen dat zich daar bevindt, de uitvoering van een bepaald werk horen, dan doet dat aan het karakter van de uitvoering als uitvoering in het openbaar in beginsel niets af. Is het aantal van hen, die de uitvoering kunnen horen, op zichzelf zeer klein, dan kan het - zoals gezegd - wellicht wel meewerken als vermoeden dat de gegeven situatie er niet toe strekt dat meer personen deze uitvoering horen. Maar op zichzelf kan het in het licht van het een en ander toch niet beslissend geacht worden. Vgl. van Isacker t.a.p., p. 236, p. 240 midden; Report of the Whitford-Committee t.a.p., p. 94 onder nrs. 372 en 373.

Dit een en ander brengt mee dat de stelling in de subsidiaire klacht van het cassatiemiddel, welke klacht de verst strekkende is, naar mijn oordeel te ver gaat. Onvoldoende wordt verdisconteerd dat in beginsel het luisteren naar de eigen radio geautoriseerd is.

De primaire klacht komt mij in zoverre gegrond voor, dat het Hof de voorgelegde vraag naar mijn mening inderdaad aan de hand van een onjuist criterium tot een oplossing heeft gebracht. Of in de gegeven omstandigheden sprake is van (verdere) openbaarmaking in de zin van de wet, zal na onderzoek van de feiten en omstandigheden, die ten dele bovendien nog omstreden zijn, aan de hand van het aangegeven criterium alsnog moeten worden vastgesteld. De stelling van het middel dat in casu wel degelijk sprake is van zodanige openbaarmaking, gaat in dit stadium te ver, doch ik meen dat voormelde minder ver gaande stelling in het middel besloten ligt.

Het cassatiemiddel in zover gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage met verwijzing van de zaak naar een ander Hof ten einde deze verder te behandelen en te beslissen met inachtneming van het door Uw Raad te wijzen arrest, met veroordeling van verweerster in cassatie ( De Zon ) als de in hoofdzaak in het ongelijk te stellen partij in de kosten op het beroep in cassatie aan zijde van eisers ( BUMA ) gevallen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1979, 470 met annotatie van L. Wichers Hoeth
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?