JM
Nr. 12.585
Zitting 13 december 1985
Mr. Biegman-Hartogh
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
E & L, EQUITY & LAW LEVENSVERZEKERINGEN
Edelhoogachtbaar College,
1. Dit is een zeer onbevredigende zaak, zowel uit processueel oogpunt, (zie hieronder sub 5), als materieelrechtelijk beschouwd (zie sub 7 en 10). Tussen eiser tot cassatie [eiser] en verweerster E & L zijn twee levensverzekeringen afgesloten, te weten: A. een gemengde verzekering op het leven van [eiser] , en B. een zuivere risicoverzekering op het leven van zijn echtgenote. Deze verzekeringen zijn echter neergelegd in één en dezelfde polis, waarin één verzekeringnemer wordt genoemd ( [eiser] ), één bedrag aan premie is vermeld en waaraan als aanhangsel (onder meer) is toegevoegd één geschrift, getiteld: "Algemene Voorwaarden van Verzekering, A.V.V.2."
2. De feiten zelf waren eenvoudig genoeg (zie rov. 2 t/m 4 van het arrest a quo): blijkens de polis is de overeenkomst tussen partijen ingegaan op 12-2-1975, de premie bedroeg f 1038, -- per half jaar, de premievervaldagen waren 12 februari en 12 augustus van ieder jaar t/m augustus 2001 en het verzekerd bedrag voor B. was f 100.000, --; [eiser] heeft zelden op tijd, en eenmaal zelfs meer dan acht maanden te laat, de premie voldaan zonder dat de polis door E & L is "afgevoerd" waarmee wèl is gedreigd; en zijn echtgenote is overleden op 15 november 1981, toen de premie per 12 augustus 1981 door [eiser] (nog) niet was betaald.
3. Voorts luidt art. 7 van de toepasselijke A.V.V.2, voor zover thans van belang:
"1. Alle premies moeten op de vervaldag of uiterlijk dertig dagen daarna aan E & L zijn voldaan. Geschiedt zulks niet, dan vervalt de verzekering van rechtswege, tenzij recht bestaat op afkoop of op een premievrije verzekering.
2. Bestaat recht op afkoop, dan blijft de verzekering van kracht zolang zij waarde heeft, echter niet langer dan gedurende een termijn van zes maanden na de vervaldag van de eerste onbetaalde premie. "
4. Met een beroep op lid 1 van dit artikel 7 heeft E & L geweigerd het in verzekering B. van de polis genoemde bedrag ad f 100.000, -- uit te keren, en [eiser] heeft haar vervolgens in rechte aangesproken. De grondslag van zijn vordering vermeldt het Hof in rov. 5:
" [eiser] . stelt dat partijen stilzwijgend aan de overeenkomst voor wat betreft artikel 7 A.A.V.2 een andere inhoud hebben gegeven. Hij mocht er - nu E & L te late betaling al zo dikwijls had geaccepteerd - op vertrouwen dat bij overschrijding van de betalingstermijn van 30 dagen na de vervaldatum de dekking toch in stand zou blijven".
5. Aangezien de boven sub 2 en 3 vermelde feiten tussen partijen vast stonden, leek de zaak voldoende uitgekristalliseerd om bij prorogatie aan het Hof voor te leggen. Achteraf bezien is dit echter, naar ik meen althans, niet zo'n goed idee geweest. Weliswaar stonden bepaalde feiten vast, maar geenszins de uitleg die partijen aan die feiten konden of mochten hechten. Uit de beperking van de procedure tot slechts één instantie vloeide naar mijn mening voort:
- dat het Hof van mening was dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld (zie rov. 10 en rov. 11, laatste zin) ;
- dat blijkbaar nog tijdens de re- en dupliek bij de pleidooien voor het Hof mondeling nieuwe feiten en stellingen zijn aangevoerd, waarop het Hof ten dele in zijn arrest is ingegaan (rov. 11, één na laatste zin), maar waarop partijen ook in cassatie nog doorgaan, zoals bijv. het beroep op het gezinsverzorgingsaspect van de polis (zie de cassatiedagvaarding p. 4 sub 2) en het beroep op art. 281 WvK (zie de pleitnotities in cassatie van [eiser] , p. 5 sub 6);
- dat de raadsman van E & L - m.i. niet steeds ten onrechte - tot viermaal toe in zijn pleitnota zich beroept op de regel dat nova in cassatie niet worden toegelaten, maar niettemin zelf nog niet eerder ter sprake gekomen bewijsmateriaal overlegt.
Een en ander had men wellicht kunnen voorkómen door de gewone rechtsgang in twee feitelijke instanties te volgen; in cassatie is het voor feitelijkheden nu eenmaal te laat. Maar onbevredigend acht ik het procesverloop i.c. wèl.
6. Juridisch bezien geeft, wat zich hier heeft voorgedaan, als ik het wel heb, het volgende beeld.
Er bestaan levensverzekeringen mèt, en zònder spaarelement. De laatste beogen uitsluitend een risico te dekken; indien het onzeker voorval zich niet voordoet, bestaat dus geen recht op uitkering. De eerstgenoemde verzekeringen daarentegen bevatten mede een spaarelement, zij geven na betaling van premiën gedurende zekere tijd in ieder geval recht op een zeker bedrag; dit bedrag wordt wel met de "waarde" van de verzekering aangeduid. Zuivere risico-verzekeringen bezitten in het algemeen géén "waarde" in deze assurantietechnische betekenis van het woord, en afkoop is dan ook niet mogelijk. Zie over een en ander: A. van Oven, Handelsrecht, 1981, p. 333 e.v., met name p. 334, laatste alinea, en p. 337, P.L. Wery, Hoofdzaken van verzekeringsrecht, 1984, p. 90 e.v., met name p. 93 en p. 96 sub c, Dorhout Mees III, 1980, nrs. 7.338 e.v., met name nr. 7.357 en Stigter/Ploeg, Levensverzekering, 1983, p. 46 - 48.
7. Een bron van verwarring in deze zaak, naar het mij toeschijnt, was de omstandigheid dat, hoewel door E & L aan [eiser] slechts één polis is afgegeven, waarin slechts één premiebedrag voorkomt, tussen partijen twéé verzekeringsovereenkomsten tot stand zijn gekomen: de gemengde verzekering A. en de zuivere risico-verzekering B. (zie ook boven sub 1). Art. 7 lid 1 A.V.V.2, boven sub 3 geciteerd, moet op de risico-verzekering betrekking hebben waar het spreekt van "verval van rechtswege" bij niet tijdig voldoen van de premie; maar de uitzondering aan het eind van lid 1: "tenzij recht bestaat op afkoop .... " kan alleen gelden voor de gemengde verzekering die "waarde" heeft om af te kopen.
Verzekering A. behoort hier verder zoveel mogelijk buiten beschouwing te blijven om de verwarring niet ook in cassatie te laten voortduren; het geschil betreft thans uitsluitend de vraag of E & L op verzekering B. het verzekerd bedrag dient uit te keren, ja dan nee.
8. Indien men er van uitgaat dat art. 7 A.V.V.2 zonder meer tussen partijen van kracht is dan betekent dit, naar mijn mening, dat reeds in 1975, toen [eiser] niet betaalde dan nadat "de vervaldag van de eerste onbetaalde premie" met (veel) meer dan dertig dagen was verstreken (zie de dagvaarding in eerste aanleg p. 4), verzekering B. van rechtswege is vervallen.
Het standpunt van E & L, zoals omschreven in rov. 6 van het Hof, is dat een premiebetaling die, ofschoon te laat, door E & L alsnog wordt geaccepteerd, voor de toekomst herstel van rechten, dus herleving van de dekking, meebrengt. Mij is niet duidelijk of hiermee wordt bedoeld dat partijen, na het "verval van rechtswege" telkens opnieuw verzekering B zijn aangegaan, dan wel of E & L de verzekering toch niet als vervallen, maar slechts als geschorst tijdens de perioden van te late betaling beschouwde.
[eiser] verdedigt het standpunt, weergegeven in rov. 5 van het arrest a quo (zie boven sub 4), dat nu E & L te late betaling steeds heeft geaccepteerd, partijen stilzwijgend aan art. 7 A.V.V.2 een andere inhoud hebben gegeven (bedoeld wordt m.i. opzijgezet), met dien verstande dat ook een premiebetaling die te laat werd gedaan, de dekking in stand hield.
9. Blijkens rov. 8 en rov. 9, eerste zin, heeft het Hof de A.A.V.2 (lees: A.V.V.2) onverkort op "de rechtsverhouding" tussen partijen van toepassing geacht. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verzekeringen A. en B., noch tussen een eventueel opnieuw aangaan van verzekering B. dan wel een "herleven" ervan.
Voorts heeft het Hof blijkens rov. 10 in casu geen omstandigheden aanwezig geacht die grond konden vormen voor het oordeel dat toepassing van het tussen partijen overeengekomene in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.
10. Naar mijn mening bestond in deze zaak een zodanige verstrengeling van de op de beide verzekeringen A. en B. toepasselijke regels - en dit niet alleen in de polis (zie boven sub 1) maar ook in de A.V.V.2 - dat een nauwkeurige juridische analyse nodig is om een en ander te ontwarren. En de verwarring is geenszins weggenomen door de inhoud van de aan de verzekeringnemer gezonden aanmaningsbrieven, waarin evenmin enig onderscheid is gemaakt tussen beide verzekeringen maar werd aangekondigd: bij niet betaling "zullen wij genoodzaakt zijn tot afvoer van deze polis over te gaan". In geen enkele van de overgelegde stukken trof ik daarbij een toevoeging aan als: "Bedenk wel, heer [eiser] , dat bij niet-betaling binnen 30 dagen na de vervaldatum uw verzekering B. in elk geval geen dekking meer biedt!" Dàt dit zo was, ervoer [eiser] pas op het moment dat hij uitkering vroeg. En daarin ligt mijns inziens het materieel onbevredigende van deze zaak.
11. Met het bovenstaande heb ik niet willen betogen dat het billijk zou zijn de verzekeraar, ondanks de slechte betalingsgewoonte van de verzekeringnemer, zonder meer te veroordelen tot uitkering op de risicoverzekering over te gaan. Maar evenmin ben ik overtuigd van de juistheid van de afwijzende beslissing, nu in het ongewisse is gebleven of [eiser] , gelet op de ondoorzichtigheid van de op het overeengekomene toepasselijke algemene voorwaarden van E & L en de onvolledigheid van de aan [eiser] gezonden aanmaningen, wel wist, althans heeft moeten of kunnen begrijpen dat verzekering B. geen dekking bood zodra meer dan een maand na de vervaldag zonder betaling was verstreken ( [eiser] was, blijkens de door E & L in cassatie overgelegde aanvraagformulieren, van beroep winkelier). Vergelijk de arresten van Uw Raad, vermeld in Contractenrecht (Blei Weissmann) nr. 25.
12. Na deze wat uit de hand gelopen inleiding kom ik nu toe aan het incidenteel verzoek en de drie cassatiemiddelen, namens [eiser] door zijn raadsman ingediend.
Het incidenteel verzoek van [eiser] strekt ertoe dat de door E & L bij pleidooi voor Uw Raad "ad informandum" overgelegde stukken, namelijk twee copieën van aanvraagformulieren voor een levensverzekering en een telex, niet tot de gedingstukken zullen worden gerekend. Betoogd wordt onder meer dat de stukken niet eerder in het geding ter sprake zijn gebracht, en dat zij bewijsmateriaal bevatten en feitelijk van aard zijn.
Aangezien echter niet wordt aangevoerd dat de stukken te omvangrijk zouden zijn, of niet tijdig tevoren ter kennis van de wederpartij gebracht, meen ik dat het incidenteel verzoek van [eiser] behoort te worden afgewezen, vergelijk HR 8-4-1983 NJ 1984, 717 sub 3 met conclusie mr. Franx sub 2, HR 6-1-1984 RvdW 1984, 20 rov. 3.8.3.3 en HR 19-10-1984 NJ 1985, 213 G.
Naar ik meen zal Uw Raad er evenwel geen acht op behoeven te slaan, daar de geschriften m.i. zijn overgelegd om het standpunt van E & L t.a.v de uitleg van der partijen overeenkomst aannemelijk te maken (overigens bezitten zij m.i. weinig waarde als bewijs tegen [eiser] , nu het om voorgedrukte en door de tussenpersoon ingevulde formulieren, en een van diezelfde persoon afkomstige telex gaat), terwijl het Hof omtrent dat standpunt reeds een - feitelijke - beslissing heeft genomen (rov. 11).
13. Middel I is gericht tegen rov. 11, waarin het Hof zijn oordeel geeft dat uit de polis duidelijk blijkt dat het om twee verzekeringen gaat. Deze uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen, is feitelijk van aard en in cassatie slechts met motiveringsklachten aan te tasten. [eiser] acht dan ook in onderdeel 2 van het middel de vermelde uitleg in tegenspraak met rov. 2, waarin het Hof als tussen partijen vaststaand aanneemt dat [eiser] "een levensverzekering heeft gesloten op zijn eigen leven en op dat van zijn echtgenote ... Op deze verzekering zijn de . .. A. V. V. 2 van E & L van toepassing."
In onderdeel 3 geeft [eiser] zelf de verklaring: hij heeft een (gemengde) verzekering afgesloten op zijn eigen leven en een andere (risicoverzekering) op het leven van zijn echtgenote. Maar hieraan voegt hij toe dat, indien dat al zo is, dit geen reden zou zijn de gehele premie, dus inclusief die voor de gemengde verzekering, te weigeren, zoals E & L deed.
Ik meen echter dat een weigering door E & L van het gehele premiebedrag bijna zeven jaar na het sluiten van de overeenkomst - ook al geschiedde dit ten onrechte - niet van invloed kan zijn op de uitleg van hetgeen partijen indertijd zijn overeengekomen.
Voor zover derhalve het Hof al gehouden zou zijn geweest op deze, voor het eerst bij pleidooi aangevoerde stelling in te gaan, zou de klacht toch niet hebben kunnen slagen.
14. Onderdeel 4 betoogt dat het Hof de strekking van art. 304 jo. 255 WvK heeft miskend door het bestaan van twee levensverzekeringen aan te nemen, alhoewel er slechts één polis is afgegeven, waarin slechts één premie wordt vermeld.
Ik heb reeds aangegeven (zie boven sub 10) dat ook ik de afgifte van één polis voor twee verzekeringen en het niet afzonderlijk vermelden van het premiebedrag per verzekering in dit geval niet gelukkig acht. En dat [eiser] uit de vermelding in de polis: "Tarief: 131, 010" had moeten afleiden dat het hier een samengestelde premie betrof (pleitnota E & L p. 5 sub 8), lijkt mij echt te veel gevraagd van een niet-deskundige op assurantiegebied. Niettemin meen ik dat het een noch het ander aan de geldigheid van hetgeen partijen zijn overeengekomen, kan afdoen; zo art. 304 WvK al de door [eiser] aangegeven strekking zou hebben, op nakoming ervan is nu eenmaal geen sanctie gesteld, zie Wery, a.w. p. 52 en Van Oven, a.w. p. 292; vergelijk ook art. 305 WvK.
15. Sub 6 van de namens [eiser] overgelegde pleitnotities wordt (ten overvloede) nog opgemerkt dat E & L t.a.v. verzekering B. in strijd met het bepaalde in art. 281 WvK zou hebben gehandeld. Dat door deze handelwijze de premievervaldagen zouden zijn verschoven kan, als novum in cassatie, m.i. door Uw Raad niet worden onderzocht, En het Hof behoefde niet te onderzoeken of art. 281 WvK juist was nageleefd; ook indien dit niet het geval was, zou dat immers niet van invloed zijn op de vraag waar het in dit geding om gaat: namelijk of verzekering B. nog van kracht was op het tijdstip dat het verzekerd voorval plaatsvond. Middel I acht ik ongegrond.
16. Middel II is gericht tegen rov. 10 waarin het Hof vaststelt dat [eiser] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat toepassing van het tussen partijen overeengekomene in casu in strijd zou zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid (vermoedelijk had het Hof hier art. 6.5.3.1 lid 2 NBW in gedachten).
In onderdeel 2 wordt uiteengezet dat het Hof aldus geen recht heeft gedaan op de stelling van [eiser] in zijn pleitnota voor het Hof sub 4, dat het hier een gezinsverzorgingspolis betrof.
Miskend wordt in dit onderdeel, naar ik meen, dat het in dit geding niet gaat om de polis in zijn geheel, waarin de beide verzekeringen A. en B. zijn neergelegd, maar uitsluitend om verzekering B. En deze verzekering is een zuivere risicoverzekering, waarop geen recht van afkoop bestaat, zodat art. 7 lid 2 A.V.V.2 daarop dan ook niet van toepassing is, zie boven sub 6 en 7. Het middel faalt.
17. Middel III tenslotte klaagt over schending van art. 48 Rv. doordat het Hof in rov. 11 in fine overwoog:
"Daarenboven heeft de tussenpersoon opdracht gehad dit duidelijk toe te lichten. [eiser] heeft niet gesteld en niet is gebleken dat een toelichting achterwege is gebleven".
Betoogd wordt dat de tussenpersoon in geen der gedingstukken ter sprake is gekomen, zodat het Hof feitelijke stellingen van partijen heeft aangevuld; [eiser] acht het eveneens onjuist dat op hem de last van tegenbewijs zou moeten rusten.
Beide klachten zijn naar mijn mening gegrond. In de gedingstukken ben ik geen verwijzing tegengekomen naar de rol die de tussenpersoon bij de voorlichting van [eiser] zou hebben gespeeld; en het Hof vermeldt niet dat dit punt tijdens de pleidooien mondeling te berde is gebracht.
Eveneens ben ik van mening dat het in dit geval op de weg van E & L zou hebben gelegen om aan te tonen, niet alleen dat aan de tussenpersoon opdracht is gegeven het in de polis (en m.i. ook in de A.V.V.2) neergelegde duidelijk toe te lichten - dat zo'n toelichting bepaald niet overbodig was, is in dit geding wel gebleken, dunkt mij -, maar ook dat die opdracht inderdaad behoorlijk is uitgevoerd.
Desalniettemin zal het middel naar het mij voorkomt, niet tot cassatie kunnen leiden, aangezien het is gericht tegen een overweging ten overvloede:
''Daarenboven....".
18. Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,