N.E.
Nr. 82.380
Zitting 15 december 1987
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
Mr. P.A.M. Hoek, advocaat te Amsterdam heeft voor de verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam, waarbij deze wegens opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 3,3 gram heroïne in hoger beroep was veroordeeld tot, onder meer, drie maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
Bij schriftuur is door evengenoemde advocaat één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt aangevoerd dat nu van een redelijk vermoeden van schuld aan het strafbaar feit (van verdenking dus waardoor de verzoeker verdachte werd in de zin van art. 27 Sv.) geen sprake was, de verbalisanten de bevoegdheid misten om de verzoeker aan zijn kleding te onderzoeken. Die bevoegdheid toch wordt bij art. 9 lid 5 van de Opiumwet slechts gegeven aan opsporingsambtenaren jegens een persoon die verdacht wordt van een bij de Opiumwet strafbaar gesteld misdrijf. Daartoe is overigens ook "het bestaan van ernstige bezwaren" noodzakelijk. Zie ook art. 56, lid 2 Sv. Ook reeds de aanhouding van de verzoeker was om soortgelijke redenen volgens de steller van het middel onrechtmatig.
Bij (mondeling) vonnis van 4 december 1984 had de politierechter in de rechtbank te Amsterdam blijkens een zgn. extract vonnis de verzoeker vrijgesproken.
"daar het telastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen".
Van dat op tegenspraak gewezen vonnis kwam de officier van justitie bij die rechtbank in hoger beroep waarna deze bij appelmemorie onder meer aanvoerde dat verdachte was vrijgesproken
"onder de (niet in het extract vonnis tot uitdrukking gebrachte) overweging dat het bewijs niet rechtmatig zou zijn verkregen nu het door de politie verrichte onderzoek aan verdachtes kleding werd ingesteld op een moment dat betrokkene nog niet kon worden aangemerkt als een terzake van overtreding van de Opiumwet verdacht persoon en/of dat alstoen geen ernstige bezwaren tegen hem waren gerezen."
Met deze (niet in het vonnis uitgedrukte) motieven voor de vrijspraak - en dus ook met de vrijspraak - kon de Officier van Justitie zich niet verenigen op in de memorie nader uitgewerkte gronden.
In hoger beroep is de verzoeker niet verschenen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 17 oktober 1986 blijkt ook, dat op die zitting wel aanwezig was de raadsvrouw van de verzoeker die verklaarde
"dat zij niet weet waar haar cliënt zich bevindt".
Van een verzoek van de raadsvrouw om buiten aanwezigheid van de verzoeker diens verdediging te voeren - of van een beslissing van die strekking door het hof, blijkt niet. Daarom kon ook afstand worden gedaan van het horen van niet-verschenen getuigen alléén door de procureur-generaal.
Uiteraard is een eventueel in eerste aanleg gevoerd verweer inzake onrechtmatigheid van de bewijsgaring in hoger beroep niet herhaald. In het algemeen brengt dit mee dat het hof de rechtmatigheid van het gebezigde bewijsmateriaal niet behoeft te motiveren. Dat is anders wanneer uit de stukken van het geding een rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat het onderzoek aan de kleding van de verzoeker had plaatsgevonden met overschrijding van de in art. 9 lid 5 Opiumwet omschreven bevoegdheid (HR 28 mei 1985, NJ 1985, 876). Anders gezegd uit de stukken zou (zulk) vermoeden, dat van ernstige bezwaren geen sprake was, moeten rijzen.
Dat is hier niet het geval. Bij vergelijking van de feiten en omstandigheden welke de Hoge Raad in HR 1985, 876 in aanmerking nam (ter fundering van zijn oordeel dat het hof had kunnen aannemen dat er sprake was van ernstige bezwaren in de zin van art. 9, lid 5, van de Opiumwet) springt in het oog, dat in het nu berechte geval die feiten en omstandigheden sterker spreken. Deze feiten en omstandigheden zijn opgenomen in bewijsmiddel 1 (blz. 2 van het arrest van het hof). Wat betreft de aan het onderzoek aan de kleding uiteraard voorafgaande aanhouding waren op dezelfde grond ook voldoende ernstige bezwaren aanwezig, althans dit kon het hof aannemen. Daar het bestaan van "ernstige bezwaren" rechtens méér eist, dan het uit feiten of omstandig- heden voortvloeiend redelijk vermoeden van schuld, dat voor aanhouding buiten het geval van ontdekking op heterdaad nodig is (art. 54, lid één en lid drie, Sv.), is met de rechtmatigheid van het onderzoek aan de kleding, die van de aanhouding mede gegeven.
Ik acht het middel niet doeltreffend en concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,