ECLI:NL:PHR:1991:AB9873

ECLI:NL:PHR:1991:AB9873, Parket bij de Hoge Raad, 05-04-1991, 7872 rek.nr

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 05-04-1991
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 7872 rek.nr
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1991:AB9873
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Omgangsrecht. Recht op inlichtingen betreffende kind. Motivering.

Uitspraak

Rekest nr. 7872

Parket, 21 februari 1991

Mr. Moltmaker

Conclusie inzake

[de vader]

tegen

[de moeder]

Edelhoogachtbaar College,

1 Feiten en procesgang

1.1 Uit het tussen partijen in 1981 door echtscheiding ontbonden huwelijk werden twee kinderen geboren in 1974 resp. 1977. Verweerster in cassatie (de moeder) werd tot voogdes benoemd en verzoeker tot cassatie (de vader) tot toeziend voogd.

1.2 Een aanvankelijk vastgestelde omgangsregeling werd in 1984 door de rechtbank ingetrokken. De vader heeft daarna nog enkele malen zonder succes bij de rechter om het opnieuw vaststellen van een omgangsregeling gevraagd. In 1988 werd hem bij vonnis in kort geding een straatverbod opgelegd en — kort gezegd — een verbod om op enigerlei wijze contact met de moeder en/of de kinderen te zoeken.

1.3 Bij inleidend verzoekschrift van 22 januari 1990 heeft de vader om een informatieregeling verzocht, welke door de kinderrechter is afgewezen.

1.4 De kinderrechter overwoog, dat onder de gegeven omstandigheden het verstrekken van informatie en foto's zoveel spanningen en onrust bij de kinderen teweeg zou brengen, dat dit hen zeer ten nadele zou komen. Bovendien zou het verstrekken van informatie en foto's zonder dat de kinderen daarvan op de hoogte zijn, volstrekt in strijd zijn met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, welk recht ook geldt voor jeugdigen van de leeftijd van deze kinderen.

1.5 In hoger beroep overweegt het hof, dat de beslissing van de kinderrechter terecht en op goede gronden is genomen, zodat die beschikking dient te worden bekrachtigd. Het hof voegt daar nog aan toe, dat ter zitting is gebleken, dat de kinderen tegen het verstrekken van de gevraagde informatie ernstige bezwaren hebben en dat zij beide in behandeling zijn bij het RIAGG, hetgeen er op wijst dat zij reeds aan spanningen onderhevig zijn. Onder die omstandigheden moet volgens het hof het recht van de vader om geïnformeerd te worden over het wel en wee van zijn kinderen wijken voor het recht van de kinderen overeenkomstig art. 8, lid 2, EVRM.

1.6 De vader heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. In het cassatiemiddel wordt betoogd, dat het recht op informatie een zo minimale vorm van het recht op gezinsleven is, dat ontzegging daarvan een zwaardere motivering eist dan die welke het hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.

1.7 De moeder heeft een verweerschrift in cassatie ingediend, waarbij zij tevens een voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel heeft voorgesteld, inhoudende dat het hof ten onrechte heeft aangenomen, dat de vader in beginsel een recht op informatie heeft.

2 Beoordeling van het principale cassatiemiddel

2.1 In overeenstemming met de beschikkingen van uw Raad van 8 febr. 1991, nrs. 7766 en 7818, is het hof er terecht van uitgegaan, dat de vader in beginsel een recht op informatie heeft. Indien het door de moeder voorgestelde voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel aan de orde zou komen, zou dit derhalve niet kunnen slagen.

2.2 Gelet op het in de vorenbedoelde beschikkingen gelegde verband tussen het omgangsrecht en het recht op informatie, zie ik geen reden waarom voor het ontzeggen van het recht op informatie zwaardere motiveringseisen zouden gelden dan voor het ontzeggen van een omgangsrecht.

2.3 Gelet op de voorgeschiedenis zoals die blijkt uit de stukken en uit het behandelde ter zitting van het hof, acht ik het niet onbegrijpelijk dat de door het hof toegepaste belangenafweging ten gunste van de (moeder en de) kinderen en ten nadele van de vader is uitgevallen. Het hof behoefde in zijn motivering van dit feitelijke oordeel niet afzonderlijk in te gaan op al hetgeen door de vader is aangevoerd. Het door de vader voorgestelde middel faalt derhalve.

3 Conclusie

Het principale cassatiemiddel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1992, 24 RvdW 1991, 91
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?