N.S.
95.231
Zitting 7 september 1993
Mr. Fokkens Conclusie inzake: [verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is door het Hof te Amsterdam wegens -kortgezegd- diefstal in vereniging met braak, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.
Mr. J. de Hullu, advocaat te Amsterdam, heeft namens verzoeker twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel behelst de klacht dat de beslissing om af te zien van vernieuwde oproeping van de getuigde Blees onvoldoende is gemotiveerd. Met de overweging dat oproeping "weinig zinvol" wordt geacht, heeft het Hof de criteria van art. 282 lid 2 Sv miskend. Aldus het middel.
3. Het Hof heeft als volgt overwogen:
"Oproeping van deze getuige( ...) wordt gelet op het bij herhaling zonder nader bericht wegblijven van eerstgenoemde getuige, en de ouderdom van de zaak, weinig zinvol geacht".
4. Hoewel "weinig zinvol" niet geheel synoniem is aan zinloos moet de overweging van het Hof m.i. aldus begrepen worden dat een hernieuwd bevel tot oproeping van de getuige nutteloos is, omdat niet te verwachten valt dat zij ter zitting zal ver schijnen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden onderzocht (Vgl DD 89.296; DD 90.219; DD 91.186; NJ 1992, 516 en NJ 1992, 555).
De overige overwegingen van het Hof zijn bijkomende argumenten, die kennelijk naar het oordeel Hof een reden te meer opleveren om het verzoek af te wijzen. Over dergelijke overwegingen ten overvloede kan in cassatie niet met succes worden geklaagd. Het middel treft geen doel.1
5. Over middel II kan ik kort zijn: het mist feitelijke grondslag. Hoewel dit niet met zoveel woorden wordt vermeld (hervatting in de stand waarin het onderzoek zich bevond, wordt evenmin gemeld), blijkt uit het proces-verbaal van de zitting zonneklaar dat het onderzoek opnieuw is aangevangen (zie p. 2 proces-verbaal van de zitting van 27 januari 1993). Dit wordt nog eens bevestigd in 's Hofs arrest waarin onder het kopje Het onderzoek van de zaak staat:
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onder zoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 september 1991 en in hoger beroep van 27 januari 1993.
De middelen niet gegrond achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Art. 282 nieuw is in deze zaak nog niet van toepassing.