Mr. Hartkamp
nr. C00/215HR
zitting 25 januari 2002
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
Feiten en procesverloop
1) Deze zaak is de voortzetting van de procedure die heeft geleid tot HR 15 maart 1996, NJ 1997, 3 m.nt. E.J.H. Schrage. Ik verwijs voor de feiten en de achtergrond van de zaak naar dat arrest en de conclusie van A-G Koopmans. Het gaat thans om de vaststelling van de schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking die de eiser tot cassatie, [eiser], aan de verweerder in cassatie, [verweerder], verschuldigd is.
2) Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de schadevergoeding, na daaromtrent een deskundigenbericht te hebben gelast, vastgesteld in zijn arrest van 19 april 2000.
3) Tegen deze beslissing heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. Hij stelt daartoe een uit vier (motiverings)klachten opgebouwd middel van cassatie voor. [Verweerder] heeft tot verwerping geconcludeerd en de zaak schriftelijk toegelicht.
Bespreking van het cassatiemiddel
4) Onderdeel 1 komt op tegen r.o. 4, slot, van 's hofs arrest. Met "r.o. 4, slot" wordt kennelijk gedoeld op de laatste volzin van die rechtsoverweging.
Ik meen dat de klacht faalt omdat zij niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv.
Subsidiair meen ik dat de klacht faalt omdat 's hofs overweging niet onbegrijpelijk is.
Voorzover het onderdeel beoogt op te komen tegen het feit dat het hof de apotheek heeft gewaardeerd per 1 januari 1983 volgens de door het hof gehanteerde maatstaf (de waarde op basis van de toen geldende, binnen de kring van apotheekhoudende huisartsen aanvaarde waarderingsgrondslagen met betrekking tot doktersapotheken), stuit de klacht bovendien hierop af, dat die waardering voortbouwt op de eindbeslissing in het arrest van 25 mei 1994 (r.o. 3), waartegen [eiser] bij zijn eerdere cassatieberoep niet is opgekomen (zie HR 8 juni 2001, NJ 2001, 432).
5) De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen r.o. 8 onderscheidenlijk r.o. 12 van het bestreden arrest. Deze klachten worden m.i. tevergeefs voorgesteld, omdat zij opkomen tegen beslissingen van feitelijke aard die niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden.
6) Onderdeel 4 faalt omdat het niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv. Het onderdeel beroept zich immers op een stelling van feitelijke aard (waarop het hof niet naar behoren zou hebben gerespondeerd), zonder aan te geven waar deze in de gedingstukken te vinden is.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden