Nr. 03108/05
Mr. Vellinga
Zitting: 17 oktober 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 288,-, subsidiair 5 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 03107/05 en 03108/05. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
4. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 05 februari 2003 te Wageningen, althans in Nederland, als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [...] was opgegeven en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden."
5. Het tenlastegelegde feit is strafbaar gesteld bij art. 30, tweede lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Het tenlastegelegde feit vormt ingevolge art. 36 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen een overtreding.
6. Het Hof heeft ter zake van dit feit een voorwaardelijke geldboete van € 288,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, opgelegd.
7. Ingevolge art. 427, tweede en derde lid, Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open, indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,-, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
8. Hoewel de tekst dat niet expliciet vermeldt, moet worden aangenomen dat art. 427 Sv het oog heeft op geldboetes die onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Strekking van genoemde beperking op de mogelijkheid van cassatie is immers dat bagatelzaken niet meer aan de Hoge Raad worden voorgelegd.(1)
9. Uit hetgeen hiervoor is uiteengezet volgt dat tegen de bestreden uitspraak geen beroep in cassatie heeft opengestaan, zodat de verdachte in het ingestelde beroep niet kan worden ontvangen. De middelen behoeven derhalve geen bespreking.
10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Kamerstukken II, 1997-1998, 26 027, nr. 3, p. 5-8 en Kamerstukken II, 1998-1999, 26 027, nr. 5, p. 2-5. Zie ook M.K.T. Tjiong in Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 9.4 op art. 427 (suppl. 134, april 2003), die opmerkt dat oplegging van een voorwaardelijke hoofdstraf naast een geldboete van minder dan € 250 niet voldoende is om de mogelijkheid van cassatie te creëren. Vervangende hechtenis heeft geen invloed, aldus J. M. Reijntjes in zijn bewerking van A. Minkenhof, de Nederlandse Strafvordering, Kluwer Deventer 2002, negende druk, p. 415, onder verwijzing naar HR 21 januari 1918, NJ 1918, p. 265. Vgl. inzake art. 359, zevende lid (oud), Sv HR 1 december 1998, NJ 1999, 310, waarin de HR heeft geoordeeld dat de vervangende hechtenis voor de toepassing van art. 359 lid 7 Sv niet dient te worden aangemerkt als een zwaardere straf in het geval de rechter een vervangende hechtenis oplegt van langere duur dan het OM heeft gevorderd, en HR 22 oktober 1985, NJ 1986, 296, waarin de HR heeft geoordeeld dat de gedeeltelijk voorwaardelijke oplegging van de geldboetes niet kan worden aangemerkt als een strafoplegging die conform art. 359 lid 7 Sv nadere motivering behoeft.