Nr. 01621/07
Mr. Vellinga
Zitting: 20 mei 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" bij verstek veroordeeld tot twee weken hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. C.H.M. van Vliet, advocaat te 's Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat zowel de appeldagvaarding als de inleidende dagvaarding niet rechtsgeldig zijn uitgereikt. Het Hof had de geldigheid van voornoemde dagvaardingen moeten onderzoeken en vervolgens de inleidende dagvaarding nietig moeten verklaren.
4. In het dossier bevindt zich de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep. De klacht dat deze niet in het dossier aanwezig zou zijn, mist derhalve feitelijke grondslag.
5. Voor de vraag of de dagvaarding hoger beroep rechtsgeldig is uitgereikt is het volgende van belang. De dagvaarding in hoger beroep werd op 30 juni 2006 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats A], op dat adres kon de dagvaarding niet worden uitgereikt, omdat aldaar niemand werd aangetroffen. Er is een bericht van aankomst achtergelaten onder vermelding van het adres van het postkantoor of politiebureau waar de dagvaarding binnen een in het bericht van aankomst vermelde termijn kon worden afgehaald. Van die gelegenheid heeft de geadresseerde geen gebruik gemaakt. Vervolgens is de dagvaarding op 4 augustus 2006, conform het bepaalde in art. 588, derde lid onder c, Sv, uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem en op dezelfde dag door de griffier als gewone brief over de post naar het genoemde adres gezonden.
Aan de akte van uitreiking is een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie gehecht van 4 augustus 2006, inhoudende dat de verdachte op die dag niet was gedetineerd alsmede dat de verdachte sinds 12 februari 2006 woonachtig was op het adres waarop is getracht de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken.(1)
6. Uit het voorgaande volgt dat de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig het bepaalde in art. 588 lid 1, b, onder 20 jo. lid 3 onder c Sv, derhalve rechtsgeldig is betekend. Daarom faalt het middel voor zover het klaagt over de betekening van de appeldagvaarding.
7. Dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, volgt in casu rechtstreeks uit de stukken. In dat geval behoeft het oordeel van de rechter dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, geen motivering(2). Voorzover het middel erover klaagt dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 september 2006 niet blijkt dat onderzoek is gedaan naar de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding, faalt het dus.
8. In hoger beroep dient niet alleen de geldigheid van de appeldagvaarding te worden onderzocht, maar ook de geldigheid van de inleidende dagvaarding(3).
Blijkens de akte van uitreiking is de inleidende dagvaarding op 19 mei 2005 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Almelo omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Daarmee strookt dat volgens het meest recente, zich bij de stukken bevindend GBA-overzicht d.d. 9 augustus 2008 de verdachte ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding niet in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven.
9. De Rechtbank heeft er echter geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of en zo ja waar de verdachte, van wie ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding geen woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving bekend was, ten tijde van die uitreiking van de inleidende dagvaarding was gedetineerd. Derhalve had de Rechtbank niet mogen aannemen dat ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding van de verdachte geen feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was(4) en staat dus niet vast dat de inleidende dagvaarding is uitgereikt overeenkomstig het bepaalde in art. 588 lid 1 (oud) Sv. Dat leidt gelet op het bepaalde in art. 590 lid 1 (oud) Sv tot nietigheid van de inleidende dagvaarding.
10. Het middel slaagt ten dele.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
12. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Rechtbank te Almelo van 25 juli 2005 is vernietigd, en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 In zoverre stemt dit uittreksel overeen met dat van 9 augustus 2007, het meest recente uittreksel uit het GBA in het dossier.
2 HR 12 maart 2002; NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.30.
3 HR 12 maart 2002; NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.28.
4 HR 12 maart 2002; NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.23 en 3.24 en vgl. voorts HR 10 april 2007, LJN:AZ6182, rov 3.3.