Nr. 07/10136
Mr. Vellinga
Zitting: 27 oktober 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "Niet naleving van het bepaalde bij artikel 70 van de Wet personenvervoer 2000" veroordeeld tot een geldboete van € 130,- subsidiair 2 dagen hechtenis en wegens 2. "Niet naleving van het bepaalde bij artikel 70 van de Wet personenvervoer 2000" veroordeeld tot een geldboete van € 130,- subsidiair 2 dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over schending van verdachtes aanwezigheidsrecht, omdat het Hof schriftelijk te kennen heeft gegeven dat het aanhoudingsverzoek van de raadsman van verdachte zou worden toegewezen en verdachtes zaak niettemin toch is behandeld.
4. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het proces-verbaal van het Hof van 14 juni 2007 in:
"De verdachte, gedagvaard als:
(...)
is niet verschenen.
(...)
De raadsman van verdachte (...)
is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
(...)
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
(...)
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest uit.
(...)
Opmerking van de griffier:
Bij het opmaken van dit proces-verbaal is gebleken dat de raadsheer op voorhand heeft ingestemd met het op 9 mei 2007 door de raadsman van de verdachte per fax gedane verzoek tot aanhouding van de zaak, om in die fax vermelde redenen. De raadsman is van deze aanhouding op 11 mei 2007 schriftelijk op de hoogte gesteld."
5. Tot de stukken van het geding behoort, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, een faxbericht van de raadsman van verdachte van 9 mei 2007, inhoudende:
"Almere, 9 mei 2007
(...)
Edelachtbare Heer, Vrouwe,
In belang van het onderzoek, alsmede dat van cliënt, [verdachte], verzoek ik u in bovengenoemde zaak om de zitting te verplaatsen naar een andere dag, en wel om de navolgende reden:
Reden:
Op geplande tijdstip en dag ben ik verhinderd wegens een geplande huwelijksreis.
Aangezien cliënt enkel door ondergetekende wenst te worden bijgestaan is vervanging door kantoorgenoten geen optie. Volledigheidshalve vermeld ik dat de agenda van mijn kantoorgenoten geen vervanging toelaat.
Mag ik zo spoedig mogelijk van u vernemen.
Met vriendelijke groet,
V.C. van der Velde"
6. Tot de stukken van het geding behoort, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, een schrijven van de griffier van het Gerechtshof Amsterdam van 11 mei 2007 aan verdachtes raadsman, inhoudende:
"(...)
Weledelgestrenge heer/mevrouw,
Hierbij bericht ik u dat de behandeling van bovengenoemd strafzaak op 14 juni a.s. op uw verzoek wordt aangehouden.
Hopende u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben, verblijft,
Met vriendelijke groet,
De griffier"
7. Het middel klaagt terecht dat het aanwezigheidsrecht van verdachte is geschonden. Immers, op grond van hetgeen hiervoor uit de stukken is weergegeven, moet worden aangenomen dat namens de raadsheer van het Hof aan de raadsman van verdachte is toegezegd dat het aanhoudingsverzoek zou worden gehonoreerd en dat de zaak voor onbepaalde tijd zou worden aangehouden. Dit brengt mee dat de verdachte ervan mocht uitgaan dat de zaak op 14 juni 2007 niet inhoudelijk zou worden behandeld.(1)
8. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. Gelet op art. 6, eerste lid, EVRM dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om de zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.(2)
9. Het middel slaagt.(3)
10. Met het oog op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep merk ik nog op dat niet van belang is of uit de brief van verdachtes raadsman zou kunnen worden opgemaakt dat de verdachte, die in hoger beroep niet in persoon is gedagvaard(4), van de zitting van 14 juni 2007 op de hoogte is geweest (vgl. art. 432 lid 1 onder c Sv). Hij mocht er immers vanuit gaan dat de zaak voor onbepaalde tijd zou worden aangehouden. Het beroep in cassatie kon dus worden ingesteld na afloop van de in art 432 lid 1 Sv genoemde termijn.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 8 april 2008, LJN BC6000.
2 HR 30 mei 2006, LJN AV6094; HR 8 april 2008, LJN BC6000.
3 Aan eventuele overschrijding van de redelijke termijn ga ik gezien HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3 voorbij. Overschrijding van de redelijke termijn leidt gezien HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.6.2 onder C overigens niet tot strafvermindering.
4 Het geval van art. 432 lid 1 onder d Sv doet zich hier niet voor omdat niet binnen zes weken na het instellen van het hoger beroep is gedagvaard.