Nr. 11/01149 P
Mr. Hofstee
Zitting: 12 juni 2012
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 15 februari 2011 de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 16 augustus 2007, waarbij aan de betrokkene de verplichting is opgelegd om een bedrag van € 16.450,00 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens de betrokkene heeft mr. A. van Luyck, advocaat te Haarlem, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Ik lees het middel in samenhang met de toelichting daarop aldus dat het klaagt dat het Hof het aanwezigheidsrecht van de betrokkene heeft geschonden door de ontnemingzaak bij verstek te behandelen zulks terwijl uit de stukken van het geding niet valt op te maken dat de oproeping is betekend op het op de akte instellen rechtsmiddel vermelde post/verblijf/huidig adres: [a-straat 1], Purmerend. Nu de oproeping van de betrokkene in hoger beroep niet op de juiste wijze is betekend, heeft het Hof verzuimd te onderzoeken of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om de betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn, aldus de steller van het middel.
4. De stukken van het geding houden in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
i) Uit de ID-staat SKDB van 13 januari 2011, gehecht aan de "Oproeping van verdachte/veroordeelde in hoger beroep" (de betrokkene) en de bijbehorende akte van uitreiking, blijkt dat de betrokkene zich toen niet in detentie bevond, dat van hem van 27 november 2007 tot 5 maart 2008 geen adres (land) bekend was, dat hij van 5 maart 2008 tot 26 oktober 2010 achtereenvolgens op verschillende adressen stond ingeschreven, behoudens de periode van 3 februari 2009 tot 22 juni 2010 waarin van hem geen adres (land) bekend was, en dat de betrokkene vanaf 26 oktober 2010 stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Rotterdam;
ii) Op de "Akte instellen rechtsmiddel" van 12 december 2007 - betreffende het hoger beroep van de betrokkene in de ontnemingzaak tegen de uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 16 augustus 2007 - wordt onder meer vermeld: "wonende te adres Z.V.W.O.V.H.T.L.", en direct daaropvolgend: "post/verblijf/huidig adres: [a-straat 1] Purmerend";
iii) Blijkens de "Akte van uitreiking", gehecht aan de "Oproeping van verdachte/veroordeelde" (de betrokkene) in hoger beroep om ter terechtzitting van het Hof van 15 februari 2011 te verschijnen, is na vergeefse aanbieding van die oproeping op 22 december 2010 op het adres [b-straat 1] te Rotterdam een bericht van aankomst achtergelaten, waarna de oproeping op 3 januari 2011 is teruggezonden aan de afzender, het Ressortsparket te Amsterdam. Uit deze akte blijkt tevens dat de oproeping op 13 januari 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam, omdat de geadresseerde op de dag van aanbieding van de oproeping en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op de akte van uitreiking vermelde adres, [b-straat 1] te Rotterdam, was ingeschreven en dat op dezelfde datum een afschrift van de oproeping is verzonden aan voornoemd adres. Ik stel hier vast dat de "Akte van uitreiking" niet inhoudt dat een afschrift van de oproeping is verzonden aan een (ander) door de geadresseerde opgegeven adres in Nederland.
5. Voor zover hier relevant, houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 15 februari 2011 in:
"De verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard als:
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1972,
adres: [adres],
is niet verschenen.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden in hoger beroep, 4 dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."
6. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.(1) Indien door of namens de verdachte bij het instellen van hoger beroep in de appelakte een ander adres (waaronder mede is begrepen een post/verblijf/huidig adres) is opgegeven dan dat waarop de verdachte is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en de appeldagvaarding weliswaar volgens de wettelijke voorschriften met inachtneming van het adres waar de verdachte als ingezetene is ingeschreven in de GBA aan de verdachte is betekend, maar deze hem niet tevens aan dat in de appelakte vermelde adres is toegezonden, kan de rechter die de zaak in hoger beroep behandelt niet op de enkele grond dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen aannemen dat deze van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan.(2)
7. Blijkens de stukken van het geding, zoals weergegeven onder 4, is in het onderhavige geval de betekening van de oproeping van de betrokkene in hoger beroep volgens de wettelijke voorschriften met inachtneming van het adres waar betrokkene als ingezetene is ingeschreven in de GBA aan betrokkene betekend (art. 588, eerste lid aanhef en onder b, Sv in verbinding met art. 588, derde lid aanhef en onder c, Sv). Uit de stukken kan evenwel niet blijken dat die oproeping aan het in de appelakte vermelde adres [a-straat 1] te Purmerend is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied.
8. Het voorgaande brengt mee dat het Hof heeft verzuimd blijk te geven te hebben onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om de betrokkene in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Dit verzuim dient te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en van de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
9. Het middel is dus terecht voorgesteld.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317 (rov. 3.38 onder a) m.nt. Sch, HR 22 november 2005, LJN AU3945, NJ 2006/194, HR 24 juni 2008, LJN BD5019, NJ 2008/379, HR 3 november 2009, LJN BJ6744 en HR 22 juni 2010, LJN BM3970, NJB 2010/1422. Een en ander is gecodificeerd in art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv j° art. 590, derde lid, Sv (Wet van 23 maart 2005 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, Stb. 2005, 175, i.w.tr. 1 november 2005). In art. 5 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen van 17 oktober 2005 (Stb. 2005, 497, i.w.tr. 1 november 2005) is art. 588a Sv van overeenkomstige toepassing verklaard op de betekening op de voet van art. 511b Sv van een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 36e Sr.
2 Ik merk op dat de rechter dit wel kan aannemen indien uit de stukken van het geding volgt dat het in de appelakte vermelde adres ten tijde van de betekening van die dagvaarding als achterhaald moet worden beschouwd. Zie HR 13 januari 2009, LJN BG4240, NJ 2009/59.