12/01200
Mr. F.F. Langemeijer
14 september 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Minister van Buitenlandse Zaken
1. Bij schrijven van 2 september 2006 heeft eiser tot cassatie, [verzoeker] te Almelo, zich gewend tot de minister van Buitenlandse Zaken met een verzoek om toekenning van sociale voorzieningen uit hoofde van het dienstverband van zijn vader bij het voormalige Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Bij brief van 29 september 2006 heeft de minister hem laten weten dat hij niet kan ingaan op dat verzoek, op de in die brief genoemde gronden. Tegen dit besluit heeft eiser vergeefs bezwaar gemaakt: het bezwaar is op 15 november 2006 door de minister niet-ontvankelijk verklaard.
2. Tegen het besluit op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage. Deze rechtbank heeft op 19 december 2006 de zaak doorgezonden naar de rechtbank te Almelo als de bevoegde rechter. Eiser, die van mening is dat de rechtbank te 's-Gravenhage (kamer voor militaire zaken(1)) bevoegd is, was het daarmee oneens en heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de rechtbank te 's-Gravenhage. De rechtbank te Almelo (sector bestuursrecht) heeft bij uitspraak van 1 juni 2007 zich uitdrukkelijk bevoegd geacht om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank overwoog onder meer dat eisers vader geen militair ambtenaar is in de zin van de Militaire Ambtenarenwet 1931 zoals deze wet ten tijde van belang luidde, zodat niet de militaire ambtenarenrechter maar de gewone bestuursrechter bevoegd is tot kennisneming van het geding(2). Na een beschouwing over de toepasselijke regelingen kwam de rechtbank tot de slotsom dat een publiekrechtelijke grondslag ontbreekt voor de door eiser gevraagde voorzieningen. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard. Aan het slot van de uitspraak is vermeld dat binnen zes weken hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State(3).
3. Bij brief, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 6 januari 2012, heeft eiser(4) beroep in cassatie ingesteld tegen de genoemde uitspraak van 1 juni 2007. Hij heeft de Hoge Raad verzocht die uitspraak te vernietigen en de rechtbank te Almelo te gelasten het beroepschrift alsnog door te zenden aan de rechtbank te 's-Gravenhage, kamer voor militaire zaken. Het beroepschrift is op 6 juni 2012 doorgezonden aan de minister van Buitenlandse Zaken. Deze heeft geen verweerschrift ingediend.
4. Aan een bespreking van verzoekers argumenten ter ondersteuning van zijn aanspraak op de verzochte sociale voorziening kom ik niet toe. De zienswijze van eiser dat tegen de beslissing van de rechtbank (sector bestuursrecht) beroep in cassatie openstaat, is niet juist. Weliswaar is in art. 78 lid 1 RO bepaald dat de Hoge Raad kennis neemt van het beroep in cassatie tegen (onder meer) vonnissen van de rechtbanken, maar het tweede lid van art. 78 RO maakt daarop een uitzondering. Het tweede lid bepaalt immers dat het eerste lid niet van toepassing is op de handelingen en uitspraken van rechtbanken in zaken waarvan zij als administratieve rechter kennis nemen. In dit geval gaat het om een uitspraak in een zaak waarvan de rechtbank te Almelo (sector bestuursrecht) als administratieve rechter kennis heeft genomen. Het vierde lid van art. 78 RO regelt afzonderlijk dat de Hoge Raad wel kennis kan nemen van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de administratieve rechter voor zover dit bij wet is bepaald(5). Er is echter geen wet te vinden, ook niet de door eiser genoemde wetten, die bepaalt dat de Hoge Raad kennis neemt van een uitspraak van de rechtbank (sector bestuursrecht) in een bestuursrechtelijk geschil als het onderhavige. Voor zover eiser de grondslag voor de bevoegdheid van de Hoge Raad tot cassatie van de beslissing van de rechtbank heeft gezocht in het Reglement van inwendige dienst van de Hoge Raad(6), gaat eiser eraan voorbij dat dit reglement uitsluitend regelt welke kamer van de Hoge Raad de zaak behandelt indien de Hoge Raad wettelijk bevoegd is tot kennisneming.
5. In deze zaak speelt zowel een vraag van formele bevoegdheid als een vraag van materiƫle bevoegdheid. Mijns inziens is de Hoge Raad als cassatierechter formeel bevoegd een beslissing te geven op dit beroepschrift, dat uitdrukkelijk is ingediend als een beroep in cassatie, maar ontbreekt in dit geval materieel de bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep in cassatie tegen een beslissing die de rechtbank als administratieve rechter heeft genomen. Daarbij past dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Zie art. 54 Wet op de rechterlijke organisatie (RO) en art. 4 en 5 Militaire Ambtenarenwet 1931.
2 De rechtbank verwees in dit verband naar: CRvB 8 juni 2006 (LJN: AX8683) en ABRvS 14 maart 2007 (LJN: BA0629).
3 Een niettemin bij de CRvB ingesteld hoger beroep heeft geleid tot onbevoegdverklaring door dit college: CRvB 27 maart 2008 (LJN: BD0160), onder meer verwijzend naar ABRvS 13 februari 2002, JB 2002/94.
4 In deze bestuursrechtelijke zaak zonder tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad.
5 Hier bedoeld als: wet in formele zin; zie de MvT in: A.I.M. van Mierlo, Parl. Gesch. Herziening van de Wet op de rechterlijke organisatie (2002), blz. 405.
6 Gepubliceerd op de website www.hogeraad.nl onder Reglementen.