Nr. 12/03045 H
Mr. Aben
Zitting: 11 december 2012
Conclusie inzake:
[Aanvraagster]
1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 26 juli 2007 de aanvraagster wegens "als degene, aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig niet voldoen aan de vordering bedoeld in artikel 34, eerste lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 385,-, subsidiair 7 dagen hechtenis. De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 december 2010, nr. 10/03241 (niet gepubliceerd) de aanvraagster niet-ontvankelijk verklaard in het door haar tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep (peek).
2. Op 12 juni 2012 is bij de Hoge Raad een faxbericht van de aanvraagster ingekomen, dat kan worden opgevat als een aanvraag tot herziening van het in kracht van gewijsde gegane arrest van het hof van 26 juli 2007.
3. Voordat ik aan de beoordeling van de herzieningsaanvraag toekom, merk ik ten aanzien van de ontvankelijkheid van de aanvraag eerst nog het volgende op. Op de wijze van indiening van het onderhavige verzoek is art. 458, eerste lid, (oud) Sv van toepassing, in aanmerking genomen dat dit herzieningsverzoek is binnengekomen vóór de inwerkingtreding van de Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met een hervorming van de regeling betreffende herziening ten voordele van de gewezen verdachte (Wet hervorming herziening ten voordele) (Stb. 2012, 275) op 1 oktober 2012(1) en gelet op het feit dat voornoemde wet geen bepalingen inzake het overgangsrecht bevat. Dit betekent dat de aanvraagster - anders dan onder de huidige regeling van art. 460, tweede lid, (nieuw) Sv - bevoegd was zelf de herzieningsaanvraag in te dienen. De omstandigheid dat de wet op dit punt na de indiening van de aanvraag strenger is geworden (sinds 1 oktober 2012 kan de aanvraag slechts worden ingediend door een raadsman), kan de aanvraagster dus niet worden tegengeworpen. Ook de omstandigheid dat het herzieningsverzoek enkel bij faxbericht is ingediend staat naar mijn mening - anders dan in reguliere strafzaken geldt voor de indiening van een cassatieschriftuur door een advocaat - niet aan de ontvankelijkheid van de aanvraag in de weg, nu art. 458, eerste lid, (oud) Sv niet voorschrijft dat enkel een origineel exemplaar van de door een veroordeelde zelf ingediende aanvraag in behandeling kan worden genomen en ook het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 (Stcrt. 2008, 147) dit niet expliciet voorschrijft.(2)
4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 11 december 2004 heeft een politieagent bij een controle in het register van de Dienst Wegverkeer geconstateerd dat de auto van de aanvraagster niet als verzekerd stond geregistreerd. Vervolgens heeft de verbalisant op grond van art. 34, eerste lid, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) - rekening houdend met de in het tweede lid van die bepaling genoemde termijn van tenminste veertien dagen - gevorderd dat de aanvraagster hem vóór 25 december 2004 schriftelijk zou aantonen dat het motorrijtuig wel was verzekerd. Op 18 april 2005 heeft de verbalisant hierop nog geen reactie ontvangen van de aanvraagster. Ten slotte hebben zowel de kantonrechter als het hof de aanvraagster bij verstek veroordeeld, omdat zij in de periode van 11 december 2004 tot 25 december 2004 in Amsterdam als kentekenhouder van de personenauto met het kenteken [AA-00-BB] niet heeft voldaan aan de vordering van een opsporingsambtenaar om aan te tonen dat - ondanks het feit dat uit het register van de Dienst Wegverkeer niet was gebleken dat ten aanzien van die auto een verzekering bestond - gedurende dat tijdvak aan de verzekeringsplicht voor dat motorrijtuig was voldaan.
5. De aanvraag berust op de stelling dat de auto van de aanvraagster op 11 december 2004 wel verzekerd was.
6. Ter onderbouwing van deze stelling is bij de aanvraag (eveneens bij faxbericht) een verklaring zoals bedoeld in art. 34, tweede lid, WAM overgelegd, die op 7 april 2011 is afgegeven door de algemeen directeur van de verzekeringsmaatschappij Orion Direct. Deze verklaring houdt in dat op 11 december 2004 voor het motorrijtuig met het kenteken [AA-00-BB] een verzekering van kracht was die aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed.
7. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.(3)
8. Aan de inhoud van de bij de aanvraag overgelegde verklaring, die tot stand is gekomen en is afgegeven nadat het hof uitspraak had gedaan, valt het ernstige vermoeden te ontlenen dat het hof, als het daarmee bekend zou zijn geweest, de aanvraagster van het haar tenlastegelegde feit zou hebben vrijgesproken.(4)
9. Aan de gegrondheid van de aanvraag doet niet af dat voornoemde verklaring enkel inhoudt dat op een bepaalde datum (11 december 2004) een verzekering van kracht was, terwijl de bewezenverklaring een pleegperiode bevat (van 11 december 2004 tot 25 december 2004). Gelet op de overgelegde verklaring is het immers aannemelijk dat gedurende het gehele tijdvak aan de verzekeringsplicht was voldaan. Ook de omstandigheid dat de aanvraagster is veroordeeld omdat zij niet heeft voldaan aan een vordering van een ambtenaar om aan te tonen dat aan haar verzekeringsplicht was voldaan, terwijl in vergelijkbare (in noot vier genoemde) herzieningszaken het verwijt bestaat uit het op een bepaald moment niet voldoen aan de verzekeringsplicht, maakt dat niet anders. Als de aanvraagster op 11 december 2004 reeds de beschikking zou hebben gehad over de verklaring van de verzekeringsmaatschappij, dan had zij namelijk direct kunnen voldoen aan voornoemde vordering. Het feit dat raadpleging van het register van de Dienst Wegverkeer opleverde dat de auto niet zou zijn verzekerd, heeft tot de vordering geleid, terwijl achteraf aannemelijk is geworden dat het register toentertijd onjuiste informatie bevatte. Als dit register op 11 december 2004 de informatie zou hebben bevat die in de bij aanvraag overgelegde verklaring staat, dan was de desbetreffende vordering überhaupt niet gedaan. Dat de aanvraagster pas ruim zeven jaren later alsnog aan die vordering heeft voldaan door toezending van de verklaring ex art. 34 WAM aan de Hoge Raad, is volgens haar te wijten aan het feit dat de verzekeringsmaatschappij heel lang zou hebben geweigerd om die verklaring naar haar toe te sturen en aan de omstandigheid dat een eerder toegezonden verklaring in de verkeerde brievenbus zou zijn gegooid. Bovendien heeft de aanvraagster naar eigen zeggen meerdere malen zowel telefonisch als schriftelijk tevergeefs contact opgenomen met haar verzekeringsmaatschappij teneinde een dergelijke verklaring te verkrijgen. Hoewel deze stellingen in de aanvraag niet nader worden onderbouwd, valt aan de bij de aanvraag overgelegde verklaring desondanks het ernstige vermoeden te ontlenen dat het hof de aanvraagster in geval van bekendheid met die verklaring zou hebben vrijgesproken.
10. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het hof zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie voor de datum van de inwerkingtreding van deze wet het Besluit van 12 september 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet hervorming herziening ten voordele (Stb. 2012, 404).
2 Hieraan doet niet af dat art. I, tweede lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 bepaalt dat behoudens art. XIII (betreffende de procedure in herzieningszaken ten aanzien van een aanvullend herzieningsverzoek, de mondelinge toelichting en een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging) dit reglement van overeenkomstige toepassing is op de wijze van procederen naar aanleiding van een aanvraag tot herziening. Daaruit volgt immers niet dat de in art. VI, vijfde lid, van dit Procesreglement opgenomen verplichting - inhoudende dat het faxexemplaar van een door een advocaat ingediende schriftuur gevolgd dient te worden door een origineel exemplaar - ook geldt voor een door de veroordeelde zelf ingediende herzieningsaanvraag.
3 Anders dan ten aanzien van de wijze van indiening van de herzieningsaanvraag dient bij de inhoudelijke beoordeling van die aanvraag wel de nieuwe regeling te worden toegepast. Uit HR 2 oktober 2012, LJN BX6402, rov. 3.3 volgt immers dat het op 1 oktober 2012 in werking getreden art. 457 (nieuw) Sv onmiddellijke werking heeft.
4 Vgl. HR 23 oktober 2012, LJN BX6939, HR 20 december 2011, LJN BT8966, HR 26 oktober 2010, LJN BO1732 en HR 26 oktober 2010, LJN BN0630.