Artikel 15i Sr
“2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust.(…)
Tot kennisneming van de vordering is bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit terzake waarvan de straf die ten uitvoer wordt gelegd, is opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit begaan voor het einde van de proeftijd en de vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met dat strafbare feit is bevoegd de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van het strafbare feit. De vordering wordt ingediend door het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van het strafbare feit en kan bij gelegenheid van een veroordeling terzake van dat strafbare feit worden toegewezen.
In het geval bedoeld in het derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de zaak gelijktijdig met de behandeling van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd.”
Artikel 361a Sv
“Heeft de officier van justitie tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht opgelegde straf of een vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan beraadslaagt de rechtbank mede over haar bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt uitgesproken, ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.”
Artikel 15i Sr ziet ook op de situatie waarin geen sprake is van gelijktijdige behandeling van hoofdzaak en vordering herroeping. In dat geval is art. 15e, derde t/m zevende lid, Sr betreffende het uitstel of het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling van overeenkomstige toepassing (art. 15i, zevende lid, Sr). Deze beslissing is met redenen omkleed (art. 15j, derde lid, Sr). Belangrijker is echter dat art. 15j, vierde lid, Sr het volgende bepaalt:
Artikel 15j Sr
“4. Tegen de beslissing van de rechtbank over de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling staat, voor zover zij geen deel uitmaakt van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, geen rechtsmiddel open. (…).”
Wat de onderhavige zaak betreft, staat het volgende vast. De rechtbank heeft haar beslissing tot herroeping gebaseerd op de door haar geconstateerde overtreding van de bijzondere voorwaarde voor verzoeker om zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de aangewezen instantie. In haar oordeel heeft de rechtbank de algemene aan de vordering verbonden voorwaarde niet betrokken. De vordering herroeping, die tevens ziet op overtreding van de algemene voorwaarde als gevolg van de hierboven onder 6 vermelde inbraak, is op de terechtzitting van de rechtbank van 6 januari 2012 gelijktijdig behandeld met het strafbare feit waarvoor verzoeker in de strafzaak werd vervolgd (de inbraak).
Uit het voorgaande volgt naar mijn mening dat de rechtbank bij haar beslissing herroeping art. 361a Sv had moeten betrekken, in die zin dat het vonnis ook haar beslissing over de vordering herroeping had moeten inhouden. Aan dit voorschrift heeft de rechtbank dus niet voldaan.
De kernvraag is nu of dit verzuim met zich brengt dat verzoeker een (voor hem openstaand) rechtsmiddel is onthouden. De steller van het middel beantwoordt deze vraag bevestigend, omdat hier beslissend zou zijn de grond waarop de vordering is gebaseerd en niet de beslissing van de rechtbank. Voor deze opvatting bieden de art. 15j, vierde lid, Sr en art. 361a Sv, en ook hun respectieve wordingsgeschiedenis, echter geen steun. Beide artikelen leggen het accent op de beslissing herroeping. Daarover nu het volgende.
Naar luid van art. 15j, vierde lid, Sr staat tegen de beslissing herroeping van de rechtbank geen rechtsmiddel open, tenzij de beslissing deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Om te achterhalen wat de wetgever met ‘deel uitmaken van’ bedoelt, heb ik de wetsgeschiedenis geraadpleegd. Deze exercitie heeft mij niet echt iets wijzer gemaakt. Alleen in de MvT bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot invoering van de Wet van 6 december 2007, Stb. 500 (i.w.tr. op 1 juli 2008) wordt met betrekking tot (concept-)art. 15i Sr opgemerkt:
“Indien de behandeling van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet gelijktijdig geschiedt met de behandeling van een tegen de betrokkene ingestelde strafvervolging, zijn dezelfde regels van toepassing op de behandeling door de rechtbank van de vordering tot herroeping […] als de regels met betrekking tot de vordering tot uitstel of achterwege blijven van voorwaardelijke invrijheidstelling”.
Ik interpreteer voormelde MvT en het vierde lid van art. 15j Sr aldus, dat als sprake is van gelijktijdige behandeling van de vordering herroeping met een tegen de betrokkene ingestelde strafvervolging en als de beslissing herroeping deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit, de betrokkene over het rechtsmiddel van hoger beroep beschikt. Nu de keuze voor gebruikmaking van het ‘deel uitmaken van’ in de parlementaire stukken met betrekking tot art. 15i Sr niet nader is uitgelegd, meen ik dat niet bedoeld is aan dit wettelijk bestanddeel een specifiek juridische inhoud te geven en dat daaraan de betekenis naar gewoon Nederlands spraakgebruik toekomt, dat wil zeggen dat de beslissing herroeping tot het vonnis behoort. Dat dan hoger beroep tegen het gehele vonnis mogelijk is, past in ons wettelijk systeem waarin voor partieel hoger beroep geen plaats is (art. 407, eerste lid, Sv).
Wat art. 361a Sv betreft, dient nog te worden gewezen op het, ook door de steller van het middel aangehaalde, arrest van HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0495, NJ 1997/721. De kantonrechter had in strijd met het in de toen voorliggende zaak toepasselijke art. 361a Sv zijn beslissingen op de ingediende vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling niet in het vonnis opgenomen. De Hoge Raad oordeelde dat ook indien art. 361a Sv ten onrechte niet is toegepast, gelet op art. 14j, eerste lid, Sr – inhoudend onder meer dat rechterlijke beslissingen omtrent deze vorderingen, voor zover zij geen deel uitmaken van uitspraken ter zake van andere strafbare feiten, niet aan enig rechtsmiddel zijn onderworpen - tegen een zodanige beslissing hoger beroep openstaat.
Op grond van het voorgaande kom ik tot een afsluiting. De vordering herroeping is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen verzoeker. In dat licht heeft de rechtbank ten onrechte geen toepassing gegeven aan art. 361a Sv. De beslissing herroeping had deel moeten uitmaken van haar uitspraak ter zake van het strafbaar feit waarvoor verzoeker in de strafzaak werd vervolgd en had dus in het vonnis moeten worden opgenomen. Dat de rechtbank dit heeft nagelaten mag niet in het nadeel van verzoeker ertoe leiden dat hij niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep wordt verklaard. Aldus versta ik ook het arrest van HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0495, NJ 1997/721. Een andersluidende uitleg zou tot de mijns inziens onaanvaardbare consequentie leiden dat door een verzuim te dezen van de rechter in eerste aanleg, de betrokkene een hem op grond van art. 15j, vierde lid, Sr geboden rechtsmiddel wordt onthouden, waarbij geen betoog behoeft dat de betrokkene een in rechte te respecteren belang heeft bij het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep en een tweede beoordeling van de vordering herroeping door een hogere gerechtelijke instantie.
Ik meen dan ook dat het Hof ten onrechte verzoeker niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep voor zover dat ziet op de beslissing herroeping van de rechtbank op de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie.
Het middel treft doel.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het niet-ontvankelijk verklaren van verzoeker in het hoger beroep voor zover dat ziet op de beslissing van de rechtbank op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met parketnummer 16/710907-08 en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG