ECLI:NL:PHR:2014:1612

ECLI:NL:PHR:2014:1612, Parket bij de Hoge Raad, 17-06-2014, 13/04997

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-06-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/04997
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:2769
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

Nr. 13/04997

Mr. Harteveld

Zitting 17 juni 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 oktober 2013 de verdachte ter zake van “medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 537,99, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 juni 2011, bij gebreke van betaling te vervangen door tien dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt, dat het Hof het ter zitting van 18 januari 2013 gedane verzoek van verdachte om haar niet in hoger beroep te ontvangen ten onrechte heeft afgewezen, aangezien verdachte geen grieven tegen het vonnis heeft geformuleerd en haar mondelinge bezwaar tegen de strafmaat heeft ingetrokken.

4. Het proces-verbaal van de zitting van 18 januari 2013 vermeldt omtrent het intrekkingsverzoek het volgende:

“De raadsvrouw voert het woord.

Ik verzoek het hof om cliënt niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep.

Cliënt wil het hoger beroep namelijk intrekken zodat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep. Daar liggen een aantal redenen aan ten grondslag.

In het proces-verbaal van 20 juni 2012 heeft de verdediging zich ten eerste op het standpunt gesteld dat het hoger beroep thans gericht was tegen de strafmaat. Cliënt verblijft op dit moment nog steeds onder een executie-indicator, terwijl haar verloven al eigenlijk zouden kunnen gaan starten. [betrokkene], die naar mijn mening de zaaksofficier is, is niet in staat om die indicator er af te halen. Cliënt blokkeert hierdoor intern. Dat is heel belastend voor haar. Daarbij wil ik opmerken dat de indicator bij [medeverdachte] er wel vanaf is gehaald. Hij gaat nu inmiddels met weekendverlof.

Ook een belangrijke reden voor cliënt om het hoger beroep in te trekken is gelegen in de omstandigheid dat zij nog een getuigenverklaring zal moeten afleggen in de zaak tegen [medeverdachte]. Zij overweegt om zich in dat kader op het verschoningsrecht te beroepen. Op het moment dat het hoger beroep ingetrokken zal worden zal zij [zich] vrijer voelen om open en eerlijk te verklaren.”

Het hof heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal, hierop als volgt beslist:

“Het hof wijst af het verzoek van de verdediging om verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.

Op grond van het bepaalde in artikel 453, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene door wie een rechtsmiddel is aangewend, dit uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep intrekken. In zoverre is de intrekking van het hoger beroep dan ook tardief.

In voorkomende gevallen kan evenwel aan de wens van een verdachte om zijn hoger beroep niet meer in behandeling te nemen, tegemoet worden gekomen. Het hof overweegt dat door de verdediging verzoeken zijn gedaan, die zijn gehonoreerd en uitgevoerd. Inhoudelijk bezien is het onderzoek dan ook al redelijk ver gevorderd. Naar het oordeel van het hof zijn er geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht om aan de wens van verdachte om zijn zaak niet verder in behandeling te nemen gevolg te geven. Gelet voorts op de aard en ernst van de tenlastegelegde feiten, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat thans geen strafvorderlijk belang meer is gediend bij voortzetting van de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Het verzoek van de verdediging om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep wordt mitsdien afgewezen.”

5. Art. 453 Sv bepaalt in lid 1 inderdaad dat een appellant uiterlijk tot de aanvang van de behandeling zijn hoger beroep kan intrekken. Vroeger werd aangenomen dat dit de facto neerkwam op de mogelijkheid om ook nog na het uitroepen van de zaak, maar nog voor de inhoudelijke behandeling tot intrekking over te gaan. Evenwel kan thans een verdachte (of ook het OM) na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting kenbaar maken, dat de grieven tegen de bestreden uitspraak niet worden gehandhaafd; op de voet van art. 416 lid 2 en 3 heeft het Hof in dat geval de mogelijkheid het appel niet-ontvankelijk te verklaren. Uit hoofde van deze bepalingen kan het Hof – de in lid 3 van art. 416 Sv genoemde uitzonderingen daargelaten – een door een verdachte ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren indien deze verdachte niet of niet tijdig grieven tegen het door het appel bestreden vonnis naar voren heeft gebracht. Deze bevoegdheid is een discretionaire in die zin, dat de wetgever aan het desbetreffende Hof de ruimte laat om niettegenstaande het ontbreken van grieven ambtshalve toch de zaak te onderzoeken; deze ruime beslissingsmarge vertaalt zich in een beperkte toetsing in cassatie van beslissingen die op de voet van art. 416 lid 2 Sv zijn gegeven.

Deze bepalingen kunnen ook toepassing vinden als de appellerende verdachte of het OM na aanvang en zelfs na sluiting van het onderzoek ter zitting daartoe verzoeken wanneer zij stellen geen bezwaren meer te hebben tegen het aanvankelijk bestreden vonnis en het hoger beroep en eventuele grieven willen intrekken. Aan de afwijzing van een dergelijk verzoek stelt de Hoge Raad, zo blijkt uit HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709 eveneens slechts beperkte motiveringseisen. De Hoge Raad zet in dit arrest uiteen, hoe deze problematiek van intrekking van hoger beroep ter zitting benaderd moet worden na de wijziging van de art. 416 en 453 Sv als gevolg van invoering van de Wet stroomlijnen hoger beroep. In genoemd arrest onder 2.4.4 overweegt de Hoge Raad:

“dat de toepassing van art. 416 Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt, dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in zijn beslissing ter zake en dat zeker aan de motivering van de afwijzing van een verzoek tot toepassing van art. 416 Sv geen zware eisen kunnen worden gesteld.”

De ruime discretionaire bevoegdheid die de rechter toekomt bij de toepassing van art. 416 Sv vloeit, blijkens de in genoemd arrest in rov. 2.3 aangehaalde MvT (Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3 p. 51), voort uit de wens aan de rechter ambtshalve ruimte te laten om, indien zulks noodzakelijk wordt geacht, ondanks intrekking van bezwaren toch onderzoek te verrichten naar het tenlastegelegde. Deze achtergrond is ook in overeenstemming met het reeds voor de wetswijziging van 2006 in de rechtspraak tot uitdrukking gebrachte beginsel, dat de appelrechter in volle omvang opnieuw over de zaak beslist.

6. In de onderhavige zaak heeft, zo blijkt uit de toelichting op het eerste middel, verdachte (na aanvang van de behandeling op 20 juni 2012) ter zitting van 29 augustus 2012 (waarop de behandeling werd voortgezet) als bezwaar tegen het in appel bestreden vonnis naar voren gebracht, dat zij de straf te hoog vond. Ter zitting van 18 januari 2013 heeft haar advocaat namens verdachte verklaard het hoger beroep te willen intrekken en daarbij aangegeven, dat het bezwaar met betrekking tot de strafmaat was vervallen. Uit art. 453 Sv vloeit voort, dat deze intrekking van het hoger beroep en de daarmee samenhangende grief, zoals het Hof terecht oordeelt, tardief is nu zij is gedaan na aanvang van de behandeling van de zaak. Het middel stelt vervolgens de vraag aan de orde of deze beslissing in strijd komt met de grenzen art. 416 Sv. Op grond van hetgeen hiervoor over de toepassing van dit artikel is opgemerkt moet worden geoordeeld, dat het Hof de grenzen van zijn bevoegdheid niet heeft overschreden. Het Hof is immers niet zonder meer gehouden om een desbetreffend verzoek – of dat nu door het OM wordt ondersteund of niet – te honoreren, maar kan het verzoek afwijzen om redenen die hetzij besloten liggen in de staat waarin het onderzoek verkeert, hetzij door het strafvorderlijk belang gerechtvaardigd worden. De motivering die het Hof hier geeft, strijdt niet met de door de Hoge Raad aangelegde criteria: de door de verdediging gedane verzoeken die vervolgens door het Hof gehonoreerd zijn, de inhoudelijk ver gevorderde staat van het onderzoek en het gebrek aan bijzondere omstandigheden die tegemoetkoming aan de wens van de verdachte rechtvaardigen, brengen het Hof tot afwijzing van het verzoek. Het Hof ziet tenslotte in de aard en ernst van de tenlastegelegde feiten voldoende strafvorderlijk belang om voortzetting van het hoger beroep te rechtvaardigen. Kortom: onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel niet.

7. Op dit één en ander stuiten de klachten in het middel af.

8. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring met betrekking tot het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer]; het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat zij:

“op 10 juni 2011 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de voordeur van de woning van genoemde [slachtoffer], gelegen aan de [a-straat 1], met benzine heeft ingespoten en een emmer met benzine bij deze voordeur heeft geplaatst en vervolgens een prop papier heeft aangestoken en deze prop papier vervolgens in genoemde emmer heeft gegooid, waardoor voornoemde voordeur vlam vatte, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl bovengenoemde [slachtoffer] zich in voornoemde woning bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

9. Deze bewezenverklaring heeft het Hof gemotiveerd met een uitvoerige bewijsoverweging in het arrest, waarbij in de voetnoten wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waarop de bewijsmotivering steunt. Samengevat komt deze bewijsvoering op het volgende neer:

10. De verklaringen van de verbalisanten die, na op vrijdag 10 juni rond 2.10 uur gealarmeerd te zijn bij aankomst constateerden dat de voordeur in lichterlaaie stond en dat het glas van de voordeur gebarsten was. De bewoonster, [slachtoffer], heeft aangifte gedaan en verklaarde daarbij, dat zij, na te hebben geconstateerd dat haar voordeur in brand stond, een kennis heeft verzocht bij de woning van medeverdachte [verdachte] te gaan kijken. Deze kennis heeft haar per sms bericht dat [verdachte] daar om 02:20 uur kwam aanrijden. Aangeefster heeft daarna de beelden bekeken van de camera die boven haar voordeur hing. Zij zag op 10 juni om 02:10:48 uur een persoon weglopen die zij herkende als [verdachte].

11. Een buurtbewoner van [slachtoffer] heeft verklaard, dat hij op 10 juni 2011 in de middag een naar benzine riekende spuitbus heeft gevonden waarvan hij vermoedde dat deze bij de brandstichting was gebruikt.

12. De verdachte werd ongeveer een half uur na de brandstichting aangehouden en heeft bij haar voorgeleiding die nacht reeds verklaard, dat zij aan de brandstichting heeft meegedaan. Tegenover de politie heeft verdachte vervolgens verklaard, dat zij op aandringen van en in overleg met medeverdachte [medeverdachte], die kort tevoren hun relatie had beëindigd, de brand had gesticht met de bedoeling om het slachtoffer te straffen voor de problemen die zij bij de medeverdachte veroorzaakte. Verdachte verklaarde verder dat zij de brand heeft gesticht met behulp van een emmer met benzine en een afwasmiddelfles gevuld met benzine die de medeverdachte in zijn woning tot dit doel had klaargezet en die zij voorafgaand aan de brandstichting had opgehaald. Verdachte heeft naderhand tegenover de politie nog verklaard, dat de medeverdachte het slachtoffer dood wenste althans ernstige schade wilde toebrengen en dat verdachte, toen zij de brand stichtte, zich heeft gerealiseerd, dat het slachtoffer mogelijk thuis zou zijn omdat zij een lamp zag branden in de gang althans bij de voordeur.

13. Medeverdachte [medeverdachte] heeft na zijn aanhouding verklaard, dat het initiatief tot de brandstichting in gezamenlijk overleg tussen hem en de verdachte is ontstaan en dat hij zich bewust was van de mogelijke aanwezigheid van het slachtoffer en haar kinderen in de woning maar dat hij de verdachte uiteindelijk niet heeft belet in het stichten van de brand. De sms-berichten die de medeverdachte naar [slachtoffer] heeft gestuurd en die door het Hof (gedeeltelijk) worden geciteerd, hebben de strekking, dat [medeverdachte] haar fysiek leed toewenste dan wel wilde toevoegen. Voorts heeft het Hof – zoals weergegeven onder E.4 in het arrest – tot het bewijs gebezigd de inhoud van de sms-berichten die op de telefoons van verdachte en medeverdachte werd aangetroffen. Op de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] zijn op 10 juni 2011 aan verdachte gerichte berichten aangetroffen met de volgende inhoud:

“Goedemorgen schat. Heb mij ook nog verslapen ook nog een half uur te laat maar ben al onderweg naar Venlo zal straks eens kijken naar je meester werk."

en

"Het zal niet waar zijn he. Dat geloof ik toch niet he 48 jarige vrouw uit tegelen aangehouden op verdenking van brand stichting."

Op telefoon(s) van verdachte is het volgende aangetroffen:

“8 juni 2011 te 00:04:16 uur: Ik ga die hut in de fik steken ben het gewoon zat met die en als ze me krijgen heb ik pech gehad heb toch niks meer te verliezen

8 juni 2011 te 00:08:20 uur: Die kom jij niet meer tegen en die heeft alles kapot gemaakt

9 juni 2011 te 05:35:31 uur : Of de dood lukt schat dat weet ik niet

9 juni 2011 te 06:54:11 uur: Nu op dit moment is het even belangrijk om de vrede in jou terug te krijgen

9 juni 201 1 te 06:59:42 uur: Ik hoop dat als dat in zuid opgelost is dat jij je rust heb en dat je me toch om me heen kan hebben en wat verdragen

9 juni 2011 te 07:30:56 uur: Het is toch onze keuze die we maken schat

9 juni 2011 te 17:02:48 uur: Hey schatje ik ga dalijk nog een water pistool halen doe daar wat benzine in spuit ik de deur in en wet dan de emmer er voor en een doek tegen de deur [... j vuur er in en weg

9 juni 2011 te 21:04:56 uur: Ik ook schat ga wel straks even bij jou zwart aan trekken

10 juni 2011 te 02:13:03 uur: Gelukt”

14. Voorts heeft het Hof nog de volgende door [medeverdachte] aan verdachte verzonden sms-berichten tot het bewijs gebezigd, die zijn aangetroffen op een telefoon die aan verdachte toebehoort:

“9 juni 2011 te 05:31:59: Danke dat jij mij daar bij helpt het doet mij zo veel pijn dat ik mij liefde niet aan je kan geven weetje dat maar heb zo het gevoel dat ze mij nog steeds in de gaten aan het houden is en dat is gewoon een kut gevoel weetje dat of dat ze nog steeds door iemand op de hoogte gehouden word maar ik zou zo niet weten door wie

9 juni 2011 te 05:33:36: Ik hoop echt dat ik vanavond niet thuis kon weetje dat en dat er vrijdag op internet staat huis afgebrand en de bewoner overleden en dan heb ik vrede

9 juni 2011 te 05:38:26: Zal proberen deze nacht niet thuis te zijn hoe eerder hoe beter hoe eerder er rust is tussen ons hoe meer kans van slagen tussen ons

9 juni 2011 te 05:41:58: Dat is dat stille kokende bloed in mij. Was veel liever heel anders maar lukt gewoon niet dat bloed kookt en kookt. En daar door gaat het helemaal mis met ons kan niks hebben van je doet mij zelf ook pijn.

9 juni 2011 te 05:51:20: Ik ben vanaf toen gewoon helemaal dicht geklapt helemaal en nog steeds vind het heel lekker met je in bed [...] niks is je te gek heb alles wat ik wil op dat gebied maar kom niet los

9 juni 201 1 te 05:53:00 uur: Daarom moet die iemand ook kapot gemaakt worden of alles wat ze heeft kapot gemaakt worden dan heb ik rust

9 juni 2011 te 07:06:09 uur: Denk dat ik dan wel wat rustiger ben ja als dat achter de rug is

9 juni 2011 te 07:11:22 uur: Zuid dat is echt dat probleem zo lang die haar vet niet kwijt is komt er geen rust.

9 juni 2011 te 07:28:19 uur: [...] Maar we zullen het toch op de een of andere manier weer langzaam moeten opbouwen als zuid achter de rug is.

9 juni 2011 te 07:31:23 uur: Dus met andere woorden hoe eerder hoe beter. Hoe sneller ik rust heb.

9 juni 2011 te 16:25:31 uur: Ben ook weer wakker. [...] Kom niet thuis deze nacht morgen vroeg losse duisberg dus dan weet je dat. XXX

9 juni 2011 te 16:54:03 uur: lk ben mij rot aan het denke schat hoe ik dat weer snel op rij kan krijgen allemaal. Hoop dat het je deze nacht wel lukt weetje dat hoop het echt zal je dan ook heel heel dankbaar zijn daar voor en zal dat dan ook uiten naar je

10 juni 2011 te 00:14:12 uur: Hoop dat het je lukt deze nacht schat weetje dat zou te mooi zijn om waar te zijn en dat het goed raak is daar dan en de hele boel plat brand [...]. En heb ik mijn rust weer in mijn bloed zitten

10 juni 2011 te 00:54:54 uur: Schat ik ga even 2 uur liggen de autobaan is afgesloten 20 km verderop door een ongeluk tot min 3 uur dus ga ik tot een uur of 3.30 plat. Hoop dat het goed gaat allemaal ik hoor het wel van je. IHVJ XXX mis je”

15. Uit de verklaringen van verdachte, ook in samenhang bezien met de verklaringen van medeverdachte en de tot het bewijs gebezigde sms-berichten leidt het Hof het bestaan af van de uitdrukkelijke wens van de verdachte, dat het huis van [slachtoffer] zou afbranden en de bewoonster zou komen te overlijden, dat [slachtoffer] een sta in de weg was voor de relatie tussen verdachte en medeverdachte en dat het stichten van de brand bij de woning van [slachtoffer] door verdachte diende te gebeuren op een moment waarop [medeverdachte] voor zijn werk onderweg zou zijn.

16. Op grond van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden heeft het Hof een bewuste, nauwe en volledige samenwerking aangenomen tussen verdachte en medeverdachte ten aanzien van de brandstichting en derhalve geoordeeld, dat verdachte als medepleger dient te worden aangemerkt. De medeverdachte heeft naar het oordeel van het Hof een zodanig substantiële bijdrage gehad in de voltooiing van het delict dat bewezen kan worden dat verdachte het delict samen met de medeverdachte heeft gepleegd.

Het Hof wijdt vervolgens overwegingen aan het oordeel dat verdachte en medeverdachte zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door hun handelen [slachtoffer] om het leven zou komen en die kans ook hebben aanvaard. Het Hof is voorts van oordeel dat de voor een bewezenverklaring van poging tot moord vereiste voorbedachte raad bij verdachte besloten ligt in de aard van de gedragingen van verdachte en medeverdachte nu zij, niettegenstaande het feit dat beide verdachten de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben gegeven, niet van de door hen voorgenomen daad zijn teruggekomen.

17. Het Hof heeft het bewijs blijkens de opsomming onder F.3.4 onder meer op de verklaring van de bevelvoerder van de brandweer die inhoudt, dat de brand als de brandweer niet snel ter plaatse was geweest de woning had kunnen inslaan en dat, nu een ruit in de voordeur was gebroken, een groot gevaar bestond dat de brand naar binnen en vervolgens naar boven zou trekken waarbij een dergelijk gevaar wordt vergroot als de deur met een brandbare vloeistof is ingespoten en een emmer brandbare stof voor de deur is geplaatst.

Het middel klaagt, dat het Hof uit deze verklaring niet had mogen afleiden dat de brand in deze concrete situatie ook inderdaad naar boven zou zijn getrokken indien de brandweer niet tijdig ter plaatse was geweest. Deze verklaring kan niet de grondslag vormen om voorwaardelijk opzet aan te nemen omdat zij slechts een mogelijkheid weergeeft en geen feit dat werkelijk heeft plaatsgevonden; voorts is verdachte na het stichten van de brand weggelopen en hieruit moet volgens de steller van het middel worden afgeleid, dat haar opzet op de brandstichting was gericht en niet op de dood van het slachtoffer.

18. Het middel kan niet tot cassatie leiden aangezien het is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft in rov. F.3.2 en 3.3 met juistheid uiteengezet, dat voorwaardelijk opzet gericht op een bepaald gevolg wordt aangenomen als de verdachte zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans, dat dit gevolg zal intreden, ongeacht of de gebeurtenis die dit gevolg met zich meebrengt zich ook heeft gerealiseerd. Het gevolg, in casu de dood van [slachtoffer] noch de woningbrand die de dood teweeg zou hebben gebracht, behoeft zich te verwezenlijken om toch voorwaardelijk opzet aan te kunnen nemen. Voldoende is in zoverre dat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestaat dat een bepaalde gebeurtenis die door een verdachte werd veroorzaakt de dood van een slachtoffer ten gevolge heeft. Het Hof heeft hier derhalve het juiste criterium aangelegd.

19. De laatste klacht die in het tweede middel te onderkennen is, keert terug in het derde middel dat is gericht tegen het oordeel, dat verdachte, samen met medeverdachte, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het slachtoffer om het leven zou komen. In de toelichting op het middel wordt betoogd, dat het Hof daartoe niet had mogen meewegen dat verdachte op de hoogte was van de wens van de medeverdachte om het slachtoffer te doden, dat verdachte toch midden in de nacht de brand heeft gesticht en tot uitvoering is overgegaan ondanks de brandende lamp in de woning en daarmee bewust het grote risico heeft genomen van aanwezigheid van bewoners, en tenslotte geen alarm heeft geslagen. Aangezien verdachte na het stichten van de brand onmiddellijk is weggelopen kan uit de door het Hof weergegeven omstandigheden slechts worden afgeleid dat het opzet van verdachte was gericht op de brandstichting en niet op de dood van het slachtoffer.

20. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van het tweede middel uiteen is gezet, kan reeds uit de door verdachte uitgevoerde brandstichting haar voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] worden afgeleid. Nu voorts in feitelijke aanleg gesteld noch gebleken is dat verdachte na de brandstichting zou zijn weggelopen met het doel alsnog hulp in te roepen, de bewoner van het huis te waarschuwen of een vergelijkbare daad ter voorkoming van de realisering van het reeds als aanmerkelijk geschetste risico op de dood van de betrokkene, gaat het derde middel niet op. Van contra-indicaties die aan de vaststelling van de aanvaarding van een aanmerkelijke kans in de weg staan en het opzet enkel op brandstichting was gericht en niet op het daarmee beoogde effect, is geen sprake.

21. De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.

22. Ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

In het door de medeverdachte [medeverdachte] tegen zijn veroordeling ter zake van het onderhavige feit ingestelde cassatieberoep (zaaknummer 13/05361) concludeer ik heden eveneens. Melai/Groenhuijsen, losbl.ed. Sv, art. 453 aant. 3, onder verwijzing naar HR 19 oktober 1993, NJ 1994/69. HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:BK0910. T&C Sv (Elzinga/Hielkema & TebbenHoff Rijnenberg), art. 416, aant. 3. Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de tenlastelegging. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, rov. 2.4.3. Vgl. HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170 met betrekking tot brandstichting in de zin van art. 157 Sr en de vraag of levensgevaar voor anderen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is. Vgl. De Hullu, Materieel Strafrecht 2012, VI.2.2.1, p. 375 en de noot van N. Keijzer onder 29 september 2009, NJ 2010/117, die kritisch staat tegenover de samenhang tussen poging en voorwaardelijk opzet. Dat was anders in bv. HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4265.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?