2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen en een reeks subonderdelen.
Kern van het middel is volgens subonderdeel 4.6 van de cassatiedagvaarding de stelling dat het sponsorschap van Eneco enkel was gebaseerd op de sponsorovereenkomst. Deze sponsorovereenkomst, die beperkt was van duur en van rechtswege zou eindigen na de Eneco Tour van 2008, kende – anders dan de licentieovereenkomst, waarbij Eneco geen partij was – geen verplichting voor Eneco om zich na het eindigen daarvan te onthouden van het zelfstandig aanvragen van een licentie.
Volgens het middel, zo voeg ik toe, kan Eneco dan ook niet onrechtmatig hebben gehandeld door dit wel te doen zonder betaling van een vergoeding aan de Stichting c.s.
Dienaangaande heeft het hof in de rechtsoverwegingen 4.13-4.15 als volgt geoordeeld:
“4.13 Naar aanleiding van de grieven heeft het hof zich de vraag gesteld welk het karakter is van de rechtsbetrekking zoals die tussen partijen heeft bestaan. In dit verband stelt het hof het navolgende voorop. De verschillende tussen de diverse partijen (waaronder Eneco en de Stichting en ICSO) bestaande rechtsverhoudingen, deels neergelegd in overeenkomsten en deels bestaande in feitelijke samenwerking tussen die partijen, hangen onderling samen en bij de vraag wat Eneco in 2008 en volgende jaren al dan niet vrijstond, neemt het hof die onderlinge samenhang in ogenschouw. De VOF was volgens de oprichtingsakte van 4 maart 2005 aangegaan voor de duur van de licentie, dus voor vier jaar (zij het ook met de mogelijkheid van verlenging). De sponsorovereenkomst van 15 maart 2005 was voor dezelfde duur aangegaan. De licentieovereenkomst van 16 november 2004 daarentegen betreft niet enkel de periode waarvoor de van UCI verkregen licentie geldig was. Artikel 5 van die overeenkomst bood namelijk telkens bij afloop van de licentie twee mogelijkheden: ofwel partijen zouden gezamenlijk een nieuwe licentie aanvragen, hetgeen in geval van verlening van die licentie, in het licht ook van artikel 2 van de oprichtingsakte van de VOF, tot gevolg zou hebben dat hun onderlinge samenwerking voor de duur van die nieuwe licentie werd verlengd, ofwel geen van partijen zou een nieuwe licentie aanvragen (in welk geval de onderlinge samenwerking feitelijk zou eindigen). Partijen hadden zich dus jegens elkaar verplicht om na afloop van een licentie de Benelux Tour niet opnieuw te organiseren zonder de ander daarbij te betrekken.
Voor zover de rechtsbetrekking tussen Eneco enerzijds en de Stichting en ICSO anderzijds moet worden opgevat als beperkt tot de bepaalde tijd van de geldigheidsduur van de in 2005 verkregen licentie, komt toewijzing van de vordering van Stichting en ICSO neer op “nawerking” van die rechtsbetrekking. In verband met de jarenlange samenwerking tussen partijen, ook vóór 2004, en de in artikel 5 van de licentieovereenkomst voorziene verlenging(en) na een gezamenlijke aanvraag van een nieuwe licentie, draagt de rechtsbetrekking tussen partijen echter ook elementen [cursivering hof, W-vG] van een betrekking van onbepaalde duur. Eneco was weliswaar (formeel) zelf geen partij bij laatstbedoelde overeenkomst, maar in verband met de hiervoor bedoelde samenhang in de diverse rechtsbetrekkingen, “kleurt” die overeenkomst wel mede de rechtsbetrekking tussen haar en de Stichting en ICSO. Uitgaande van deze elementen van een rechtsbetrekking van onbepaalde duur doet zich een situatie voor die zich tot op zekere hoogte laat vergelijken met de opzegging van een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan.
Het hof leest het bestreden vonnis aldus dat naar het oordeel van de rechtbank het aan Eneco niet vrij stond om de relatie met de Stichting en ICSO te beëindigen en buiten hen om een licentie voor het organiseren van de Benelux Tour in 2009 en volgende jaren aan te vragen zonder aan de Stichting en ICSO een substantiële vergoeding aan te bieden. Het hof onderschrijft dat oordeel. In dit verband is van wezenlijke betekenis het karakter van de relatie zoals die jarenlang tussen Eneco en (de rechtsvoorganger van) de Stichting en ICSO heeft bestaan, waarbij Eneco sponsor was van het (mede) door de Stichting en ICSO georganiseerde wielerevenement.”
Hoewel de onderdelen 1 en 2, evenals onderdeel 3 (gedeeltelijk) respectievelijk de rechtsoverwegingen 4.13, 4.14 en 4.15 afzonderlijk op de korrel nemen, dienen deze rechtsoverwegingen in onderling verband te worden gelezen.
Samengevat heeft het hof daarin allereerst de duur van de diverse sponsor- en licentieovereenkomsten vastgesteld en vervolgens tot uitgangspunt genomen dat bij de vraag wat Eneco in 2008 en volgende jaren al dan niet vrijstond, de verschillende tussen de diverse partijen (waaronder Eneco en de Stichting en ICSO) bestaande rechtsverhoudingen, deels neergelegd in overeenkomsten en deels bestaande in feitelijke samenwerking tussen die partijen, in onderlinge samenhang moet worden betrokken. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de licentieovereenkomst, hoewel Eneco daarbij geen partij was, mede de rechtsbetrekking tussen haar en de Stichting c.s. “kleurt” en dat die rechtsbetrekking zich daarom, wat betreft de opzegging, tot op zekere hoogte laat vergelijken met een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan. Het karakter van de relatie tussen Eneco en de Stichting c.s. brengt naar het oordeel van het hof mee dat het Eneco niet vrij stond om de relatie met de Stichting c.s. te beëindigen en buiten hen om een licentie voor het organiseren van de Benelux Tour in 2009 en volgende jaren aan te vragen zonder aan de Stichting en ICSO een substantiële vergoeding aan te bieden.
Voor zover het middel klaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot het karakter van de rechtsbetrekking die tussen partijen heeft bestaan, is het volgende van belang.
Het (feitelijke) oordeel van het hof dat de verschillende tussen de diverse partijen (waaronder Eneco en de Stichting en ICSO) bestaande rechtsverhoudingen, die deels zijn neergelegd in overeenkomsten en deels bestonden in de feitelijke samenwerking tussen die partijen, onderling samenhangen, wordt in cassatie niet bestreden.
Hetzelfde geldt voor de vooropstelling van het hof dat die onderlinge samenhang bepalend is bij de vraag wat Eneco in 2008 en volgende jaren al dan niet vrijstond.
Ten aanzien van het oordeel van het hof dat die samenhang in de diverse rechtsbetrekkingen tussen de diverse partijen meebrengt dat de licentieovereenkomst waarbij Eneco geen partij was, de rechtsbetrekking tussen haar en de Stichting c.s. mede “kleurt”, geldt dat een overeenkomst weliswaar in beginsel slechts werking heeft – en dus rechten en verplichtingen schept – voor de partijen bij die overeenkomst, maar dat dit niet wegneemt dat bepalingen uit overeenkomsten ook van invloed kunnen zijn op de verhouding met derden. In zijn arrest van 20 juni 1986 heeft de Hoge Raad in dit verband als volgt geoordeeld:
“(…) [U]itgangspunt [moet] zijn dat contractuele bedingen alleen van kracht zijn tussen handelende partijen. In bepaalde gevallen kan wel een uitzondering op dit beginsel worden aanvaard in dier voege dat een derde een contractueel beding in redelijkheid tegen zich moet laten gelden, maar daartoe zal dan een voldoende rechtvaardiging moeten kunnen worden gevonden in de aard van het betreffende geval. Daarbij moet onder meer worden gedacht – kort samengevat – aan het op gedragingen van de derde terug te voeren vertrouwen van degene die zich op het beding beroept dat hij dit beding zal kunnen inroepen ter zake van hem door zijn wederpartij toevertrouwde goederen (HR 7 maart 1969, NJ 1969, 249) en voorts aan de aard van de overeenkomst en van het betreffende beding in verband met de bijzondere relatie waarin de derde staat tot degene die zich op het beding beroept (HR 12 jan. 1979, NJ 1979, 362). Bij beantwoording van de vraag waar de grens ligt zal voorts mede rekening moeten worden gehouden met het stelsel van de wet, in het bijzonder indien de wet aan bepaalde daarin geregelde overeenkomsten binnen zekere grenzen werking jegens derden toekent en het betreffende geval in dit stelsel moet worden ingepast.”
Omtrent de rol die een feitelijke samenwerking tussen partijen in dit verband speelt, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 29 mei 1998 overwogen dat de vraag in hoeverre twee partijen die met het oog op hun overeenkomsten met derden zich feitelijk in een zekere mate van samenwerking begeven, geacht moeten worden ook onderling een overeenkomst te hebben gesloten, slechts kan worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarvan de waardering in belangrijke mate feitelijk van aard is. Een zodanige feitelijke samenwerking die onder meer daardoor wordt gekenmerkt dat één van de betrokkenen zijn werkzaamheden slechts kan verrichten indien de ander zijn contractuele verplichting jegens zijn wederpartij nakomt, zal, aldus de Hoge Raad, in beginsel meebrengen dat die ander niet alleen jegens haar contractuele wederpartijen maar ook op grond van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens de betrokkene gehouden is die contractuele verplichting na te komen, waaruit voortvloeit dat zij in geval van niet-nakoming van deze verplichting de door betrokkene geleden schade dient te vergoeden.
Over de wijze waarop een partij zich in voorkomende gevallen tegenover derden dient te gedragen, oordeelde de Hoge Raad in 2004 als volgt:
“(…) Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben (vgl. HR 3 mei 1946, NJ 1946, 323). Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze bepalingen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloossteling.”
Gelet op het voorgaande geeft de invulling die het hof aan de rechtsbetrekking tussen Eneco en de Stichting c.s. heeft gegeven, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel 1 klaagt – samengevat – in een aantal subonderdelen dat Eneco geen partij was bij de licentieovereenkomst en dat de sponsorovereenkomst, die was aangegaan voor de beperkte duur van vier jaar (2005-2008), geen verplichting voor Eneco bevatte om de Benelux Tour niet zelf te organiseren zonder de Stichting c.s. daarbij te betrekken. Het onderdeel klaagt daarnaast dat indien het hof met zijn overweging dat de sponsorovereenkomst voor dezelfde duur was aangegaan als de VOF, heeft bedoeld dat ook de sponsorovereenkomst was aangegaan voor de duur van de licentie (vier jaar), maar (zonder meer) zou worden verlengd indien de licentie zou worden verlengd, dat oordeel van het hof niet begrijpelijk is.
De klacht dat het hof heeft geoordeeld dat Eneco partij zou zijn bij de licentieovereenkomst, en dat er uit dien hoofde een verplichting op haar zou rusten om na afloop van een licentie de Benelux Tour niet opnieuw te organiseren zonder de Stichting c.s. daarbij te betrekken, mist feitelijke grondslag nu het hof in de slotzin van rechtsoverweging 4.13 klaarblijkelijk over partijen bij de licentieovereenkomst spreekt. De klacht verliest voorts uit het oog dat het hof in rechtsoverweging 4.14 met zoveel woorden heeft overwogen dat Eneco geen partij bij de licentieovereenkomst was.
Ook het betoog dat het hof heeft geoordeeld dat de op grond van de licentieovereenkomst voor de Stichting en BRRC geldende verplichting om niet zonder de ander de Benelux Tour wederom te organiseren ook gold voor Eneco, gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft immers niet anders dan in de geciteerde rechtsoverweging 4.15 geoordeeld dat het Eneco niet vrij stond om de relatie met de Stichting c.s. te beëindigen en buiten hen om een licentie aan te vragen voor het organiseren van de Benelux Tour in 2009 en volgende jaren zonder aan de Stichting c.s. een substantiële vergoeding aan te bieden, en dus niet dat de (onthoudings)verplichting ook ten aanzien van Eneco gold. Zie in dat verband ook de rechtsoverwegingen 4.20 en 4.23, waarin het hof juist het tegendeel overweegt van hetgeen het onderdeel betoogt:
“4.20 Omdat de verhoudingen tussen partijen ernstig verstoord waren geraakt, behoefde Eneco geen medewerking te verlenen aan een nieuwe licentieaanvraag voor 2009 en volgende jaren door de Stichting en ICSO. In die situatie mocht Eneco – behalve met het oog op haar eigen belang als (hoofd)sponsor en naamgever van het evenement, ook in het belang van de wielersport in de Benelux – tóch doen wat haar in beginsel niet vrijstond, namelijk zonder medewerking van de Stichting en ICSO een licentie voor 2009 en volgende jaren aanvragen, dit echter niet zonder aan de Stichting en ICSO de hiervoor bedoelde substantiële vergoeding aan te bieden [cursivering: W‑vG].”
“4.23 (…) Onder de zojuist bedoelde omstandigheden stond het aan Eneco vrij om de bedoelde licentie aan te vragen zonder medewerking van de Stichting en ICSO, zij het ook – volgens hetgeen hiervoor is overwogen – niet zonder aan de Stichting en ICSO een substantiële vergoeding aan te bieden [cursivering: W-vG].”
Voor zover het onderdeel ten slotte klaagt dat het hof met zijn overweging dat de sponsorovereenkomst voor dezelfde duur was aangegaan als de VOF, heeft bedoeld dat ook de sponsorovereenkomst was aangegaan voor de duur van de licentie (vier jaar), maar (zonder meer) zou worden verlengd indien de licentie zou worden verlengd, mist het onderdeel evenzeer feitelijke grondslag. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.13 (slechts) overwogen dat de sponsorovereenkomst voor dezelfde duur (vier jaar) was aangegaan als de VOF-overeenkomst, zonder daarbij op enigerlei wijze te spreken over een (automatische) verlenging van die sponsorovereenkomst.
Onderdeel 1 faalt daarmee in zijn geheel.
Onderdeel 2 richt zich tegen rechtsoverweging 4.14.
Zoals hiervoor onder 2.4 vermeld, heeft het hof met het oog op de onderlinge samenhang van de diverse rechtsverhoudingen tussen de diverse partijen, geoordeeld dat de tussen de Stichting c.s. en Eneco bestaande rechtsbetrekking – die in de kern wordt gevormd door de sponsorovereenkomst, maar mede wordt ‘gekleurd’ door de licentieovereenkomst – elementen van een rechtsbetrekking van onbepaalde duur in zich draagt. Door deze elementen doet zich, aldus het hof, een situatie voor “die zich tot op zekere hoogte [cursivering: W-vG] laat vergelijken met de opzegging van een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan”. Het hof vergelijkt daarmee de onderhavige situatie met de opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, zonder echter te oordelen dat tussen Eneco en de Stichting c.s. (dus) een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat.
Het onderdeel bevat diverse klachten tegen onderdelen van de bestreden rechtsoverweging.
Het onderdeel klaagt allereerst dat niet duidelijk is op welk deel van de rechtsbetrekking tussen de Stichting c.s. en Eneco het hof doelt in de eerste volzin van rechtsoverweging 4.14, en in het verlengde daarvan dat niet valt in te zien waarom onderdelen van deze rechtsbetrekking aldus zouden ‘nawerken’ dat (mede) daaruit een verplichting voor Eneco voortvloeit zich te onthouden van het zelfstandig aanvragen van een licentie. Het hof onderbouwt dit oordeel ook niet, zodat het in zoverre niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, dan wel rechtens onjuist is, aldus het onderdeel.
De klacht gaat voor een deel voorbij aan de hiervoor onder 2.4 vermelde kern van de bestreden rechtsoverweging die, als gezegd, in onderling verband met de rechtsoverwegingen 4.13 en 4.15 moet worden gezien.
Daarnaast mist de klacht dat (mede) uit de ‘nawerking’ van de rechtsbetrekking tussen de Stichting c.s. en Eneco een verplichting voor Eneco voortvloeit om zich te onthouden van het zelfstandig aanvragen van een licentie, feitelijke grondslag, nu het hof in rechtsoverweging 4.15 (slechts) heeft geoordeeld dat het Eneco niet vrijstond om de relatie met de Stichting c.s. te beëindigen en buiten hen om een licentie aan te vragen zonder hen een substantiële vergoeding aan te bieden, maar niet ongeclausuleerd dat Eneco zich (te allen tijde en absoluut) diende te onthouden van het zelfstandig aanvragen van een licentie.
Het onderdeel klaagt vervolgens dat het hof rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk, heeft geoordeeld dat (onder meer) de jarenlange samenwerking tussen de Stichting c.s. en Eneco met zich zou brengen dat hun rechtsbetrekking elementen van een betrekking van onbepaalde duur draagt, omdat de door het hof bedoelde samenwerking was gebaseerd op de sponsorovereenkomst, die uitdrukkelijk slechts voor bepaalde tijd was gesloten.
Ook deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat de sponsorovereenkomst als zodanig slechts voor bepaalde tijd was gesloten, maar geoordeeld dat de samenhang in rechtsbetrekkingen maakt dat de licentieovereenkomst tussen de Stichting en BRRC mede de rechtsbetrekking tussen de Stichting c.s. en Eneco ‘kleurt’, zodat zich een situatie voordoet die zich tot op zekere hoogte laat vergelijken met de opzegging van een duurovereenkomst.
Hetzelfde geldt voor de klachten dat het oordeel van het hof dat het feit dat de partijen bij de licentieovereenkomst (de Stichting en BRRC) in die overeenkomst een voorziening hebben getroffen voor verlenging van die overeenkomst (enkel) door middel van een gezamenlijke licentieaanvraag met zich brengt dat (ook) de rechtsbetrekking tussen de Stichting c.s. en Eneco elementen van onbepaalde duur draagt, rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
Tot slot klaagt het onderdeel dat het hof voor zover het met zijn overweging dat Eneco “formeel” geen partij was bij de licentieovereenkomst tussen de Stichting en BRRC heeft bedoeld dat Eneco wel “materieel” partij zou zijn bij die overeenkomst, blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting dan wel zijn oordeel dienaangaande onbegrijpelijk is.
De klacht leest meer in het oordeel van het hof dan er staat. Gelet op de – al eerder genoemde – samenhang van de diverse rechtsoverwegingen heeft het hof met de overweging dat Eneco “formeel” geen partij was bij de licentieovereenkomst, niet meer of minder geoordeeld dan dat Eneco geen partij was bij de licentieovereenkomst, doch dat zulks niet wegneemt dat (de inhoud van) die overeenkomst wel de rechtsbetrekking tussen Eneco en de Stichting c.s. “kleurt”.
Ook onderdeel 2 kan mitsdien niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 3 richt zich tegen de hierna geciteerde rechtsoverwegingen 4.15-4.17. Ik betrek daarbij de – in cassatie niet bestreden – rechtsoverweging 4.12, alsmede rechtsoverweging 4.18:
“4.12 De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 29 juni 2011 overwogen en beslist, kort samengevat, als volgt. De Stichting heeft door sinds het midden van de jaren ’70 de Ronde van Nederland te organiseren, goede relaties en contacten, alsook kennis opgebouwd, door de rechtbank aangeduid als “de infrastructuur van de Ronde van Nederland” en die infrastructuur vertegenwoordigt een bepaalde waarde (vonnis onder 4.19). De Ronde van Nederland is ingebracht in de Benelux Tour en daarin opgegaan (idem onder 4.20). De bijdrage van Eneco als hoofdsponsor van de Benelux Tour sinds 2005, bedroeg jaarlijks een substantieel deel van het in totaal beschikbare budget. Eneco heeft met de Stichting en ICSO in totaal acht jaar samengewerkt (eerst wat betreft de Ronde van Nederland en vervolgens wat betref de Benelux Tour). Als hoofdsponsor heeft Eneco een zekere mate van invloed kunnen uitoefenen op het beleid en/of de organisatie van de Benelux Tour (idem onder 4.21). Eneco heeft in 2008 zelfstandig, buiten de Stichting en ICSO om, bij UCI een licentie aangevraagd voor 2009 en vervolgens deelgenomen in de organisatie van de Benelux Tour 2009. Daarbij heeft zij gebruik gemaakt van de hiervoor bedoelde infrastructuur, zonder toestemming van de Stichting en ICSO en zonder daarvoor een vergoeding aan hen te willen betalen. Dat is mede in verband met de eerdere jarenlange samenwerking tussen partijen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (idem onder 4.22 en 4.23). Het is voldoende aannemelijk dat de Stichting en ICSO schade hebben geleden, zodat verwijzing naar de schadestaatprocedure dient te volgen (idem onder 4.24).
(…)
Het hof leest het bestreden vonnis aldus dat naar het oordeel van de rechtbank het aan Eneco niet vrij stond om de relatie met de Stichting en ICSO te beëindigen en buiten hen om een licentie voor het organiseren van de Benelux Tour in 2009 en volgende jaren aan te vragen zonder aan de Stichting en ICSO een substantiële vergoeding aan te bieden. Het hof onderschrijft dat oordeel. In dit verband is van wezenlijke betekenis het karakter van de relatie zoals die jarenlang tussen Eneco en (de rechtsvoorganger van) de Stichting en ICSO heeft bestaan, waarbij Eneco sponsor was van het (mede) door de Stichting en ICSO georganiseerde wielerevenement.
In dit verband is voor het hof niet zozeer van belang in hoeverre bij het organiseren van de Benelux Tour in 2009 en volgende jaren daadwerkelijk van dezelfde “infrastructuur” gebruik is gemaakt als in 2008 en daarvoor, omdat ook zonder hergebruik van die infrastructuur zowel uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van onder meer artikel 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek als uit het ongeschreven recht in de zin van het leerstuk van de onrechtmatige daad voortvloeit dat het aan Eneco als voormalige sponsor [cursivering hof, W-vG] in beginsel niet vrijstond om het gesponsorde evenement voor de toekomst zonder toestemming van de Stichting en ICSO over te nemen. Bovendien is ook zonder hergebruik de waarde van de bedoelde infrastructuur voor de Stichting en ICSO – daargelaten in hoeverre die waarde zich in economische zin laat vaststellen en/of (deels) moreel van aard is – feitelijk verloren gegaan. Eneco erkent dat de Nederlandse markt voor de wielersport te klein is om ruimte te bieden voor een (nieuwe) Ronde van Nederland naast de Benelux Tour (memorie van grieven onder 3.22)
In verband met de aard van de relatie zoals die voorheen tussen partijen bestond, is evenmin van betekenis of de bedoelde infrastructuur met relatief beperkte inspanningen is opgebouwd, zoals Eneco aanvoert. Eneco is immers niet een derde door wiens toedoen de Stichting en ISCO hun positie binnen de Benelux Tour vanaf 2009 hebben verloren, maar de voormalige sponsor van dat evenement.
Voor het hof weegt al evenmin mee dat de mate waarin Eneco als hoofdsponsor in 2008 en eerdere jaren invloed heeft uitgeoefend of kunnen uitoefenen op het beleid en/of organisatie van de Benelux Tour. Het is niet die eventuele invloed van Eneco maar haar hoedanigheid van sponsor die bepalend is.”
Bij de hierna volgende bespreking van het onderdeel neem ik het volgende tot uitgangspunt.
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.15 allereerst het oordeel van de rechtbank (onder 4.22 en 4.23) dat en waarom Eneco in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, overgenomen en dat oordeel tot het zijne gemaakt. Evenals de rechtbank heeft het hof daarbij onder 4.15 de omstandigheden betrokken dat partijen daarvoor jarenlang in een bepaalde relatie hebben samengewerkt en dat Eneco de Stichting c.s. geen vergoeding heeft aangeboden. Het hof heeft in zoverre gerespondeerd op het door de Stichting c.s. ingenomen standpunt dat Eneco door zelfstandig een licentie aan te vragen, heeft gehandeld in strijd met ongeschreven recht (zie het slot van rov. 4.11).
Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 4.16 daaraan toegevoegd dat het door Eneco als voormalig sponsor overnemen van het gesponsorde evenement zonder toestemming van de Stichting c.s., ook in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Het hof vindt het daarbij niet zozeer van belang in hoeverre daadwerkelijk van de dezelfde infrastructuur als in 2008 en daarvóór gebruik is gemaakt (rov. 4.16), evenmin of die infrastructuur met relatief beperkte inspanningen is opgebouwd (rov. 4.17) en ook niet of Eneco als hoofdsponsor in 2008 en daarvoor werkelijke invloed heeft uitgeoefend of heeft kunnen uitoefenen (rov. 4.18).
Bij het onderschrijven van het oordeel van de rechtbank heeft het hof in (de slotzin van) rechtsoverweging 4.15 het karakter van de relatie tussen Eneco en de Stichting c.s. betrokken. Die deels in overeenkomsten neergelegde en deels in feitelijke samenwerking tot stand gekomen relatie hangt, zoals het hof onder 4.13 en 4.14 heeft geoordeeld, samen met de verschillende tussen de diverse partijen bestaande rechtsverhoudingen, en bevat wat betreft de opzegging daarnaast elementen die zich tot op zekere hoogte laten vergelijken met een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Rechtsoverweging 4.15 vormt m.i. dan ook het scharnier tussen de oordelen van het hof onder 4.10-4.14 en onder 4.16 e.v.
De nadruk die het hof in rechtsoverweging 4.16 op de rol van Eneco legt door cursivering van de woorden “als voormalige sponsor” onderstreept m.i. het oordeel van het hof dat Eneco niet als een willekeurige derde dient te worden gezien (zie in dat verband ook de tweede volzin van rov. 4.17), maar dat hetgeen haar al dan niet vrijstond wordt beïnvloed door haar verhouding met de Stichting c.s., die, als gezegd, weer samenhangt met de verschillende tussen de diverse partijen bestaande rechtsverhoudingen.
De eerste klacht van het onderdeel richt zich tegen de overweging van het hof aan het slot van rechtsoverweging 4.16 dat ook zonder hergebruik (door Eneco) de waarde van de bedoelde “infrastructuur” voor de Stichting c.s. feitelijk verloren is gegaan, en klaagt dat dit niet een overweging is waarop het oordeel van het hof dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld (mede) kan steunen, zodat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Daartoe voert het onderdeel aan dat de waarde van deze “infrastructuur” ook verloren zou zijn gegaan voor de Stichting c.s. wanneer een willekeurige derde de licentie voor de Benelux Tour vanaf 2009 zou hebben verkregen, en dat die situatie niet ondenkbaar was nu de licentie voor de Benelux Tour door de UCI slechts werd verstrekt voor de beperkte periode waarvoor zij gold, zodat deze licentie na afloop van die periode aan een ander verstrekt kon worden (en dus door een ander kon worden aangevraagd). Voorts voert het middel aan dat het hof zijn oordeel dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld in overwegende mate heeft gebaseerd op de hoedanigheid van Eneco van voormalig sponsor.
Ik betrek hierbij de subonderdelen 4.5-4.8 van de cassatiedagvaarding, waarin – samengevat – wordt geklaagd dat het hof in strijd met het recht heeft aangenomen dat de enkele hoedanigheid van Eneco als voormalig sponsor een zorgvuldigheidsnorm voor Eneco met zich bracht die haar verhinderde om zonder toestemming althans zonder vergoeding een licentie aan te vragen, althans dat dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is en voorts dat niet valt in te zien waarom de jarenlange samenwerking tussen partijen en/of artikel 5 van de licentieovereenkomst voor Eneco de verplichting zou meebrengen om na afloop van haar sponsorschap (op grond van de sponsorovereenkomst: na de Eneco Tour van 2008) niet zelfstandig een aanvraag voor een licentie voor de Benelux Tour aan te vragen.
Beide klachten stuiten af op hetgeen ik onder 2.27 heb aangestipt, te weten dat het hof zijn oordeel dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld, heeft gebaseerd op de tussen de diverse partijen bestaande rechtsverhoudingen in onderlinge samenhang bezien. Dat neemt niet weg dat de hoedanigheid van Eneco van voormalig sponsor wel een rol speelt bij de beoordeling, maar dan vooral bij het oordeel (in rechtsoverweging 4.17) dat Eneco niet een (willekeurige) derde is door wiens toedoen de Stichting c.s. hun positie binnen de Benelux Tour vanaf 2009 hebben verloren, maar de voormalige sponsor van dat evenement.
Voor het overige bouwen de klachten voort op de onderdelen 1 en 2, en delen zij het lot van die onderdelen om de hierboven bij de bespreking van die onderdelen uiteengezette redenen.
Het onderdeel klaagt vervolgens – samengevat – dat voor zover het hof in rechtsoverweging 4.16 refereert aan de redelijkheid en billijkheid van onder meer art. 6:248 BW, het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden, nu de Stichting c.s. niet zouden hebben gesteld dat Eneco in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou hebben gehandeld.
Voor zover deze klacht van het onderdeel al niet faalt op grond van de omstandigheid dat bedoelde overweging van het hof niet een dragende overweging is – het hof heeft in rechtsoverweging 4.16 immers overwogen dat ook uit het ongeschreven recht in de zin van het leerstuk van de onrechtmatige daad voortvloeit dat het Eneco in beginsel niet vrijstond om het gesponsorde evenement voor de toekomst over te nemen, en tegen die overweging is in cassatie geen klacht gericht – faalt de klacht omdat de rechter op grond van het bepaalde in art. 25 Rv. ambtshalve de rechtsgronden dient aan te vullen.
Het onderdeel klaagt tot slot – de klachten over de (gevolgen van) het oordeel van het hof in de slotzin van rechtsoverweging 4.14 met betrekking tot de beëindiging van duurovereenkomsten bespreek ik hierna bij onderdeel 4 – dat het hof heeft miskend dat het partijen op de (wieler)markt vrijstaat om elkaar te beconcurreren, althans niet heeft gemotiveerd waarom dat uitgangspunt in de onderhavige zaak niet zou gelden.
Wat er verder zij van de tussen partijen gevoerde discussie of deze stelling een ontoelaatbaar novum in cassatie betreft, faalt de klacht wegens het ontbreken van feitelijke grondslag, nu het hof niet heeft geoordeeld dat in de onderhavige zaak sprake is van een beperking van de vrijheid van partijen om elkaar te beconcurreren, doch (slechts) heeft geoordeeld – kort gezegd – dat het Eneco niet vrijstond om een concurrerende wielerronde te organiseren zonder dat daarbij aan de Stichting c.s. een vergoeding werd aangeboden.
Onderdeel 4 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.15, 4.20 en 4.26, voor zover het hof daarin spreekt over de verschuldigdheid van Eneco van een ‘substantiële vergoeding’:
“4.15 Het hof leest het bestreden vonnis aldus dat naar het oordeel van de rechtbank het aan Eneco niet vrij stond om de relatie met de Stichting en ICSO te beëindigen en buiten hen om een licentie voor het organiseren van de Benelux Tour in 2009 en volgende jaren aan te vragen zonder aan de Stichting en ICSO een substantiële vergoeding aan te bieden. Het hof onderschrijft dat oordeel. (…)”
“4.20 Omdat de verhoudingen tussen partijen ernstig verstoord waren geraakt, behoefde Eneco geen medewerking te verlenen aan een nieuwe licentieaanvraag voor 2009 en volgende jaren door mede de Stichting en ICSO. In die situatie mocht Eneco – behalve met het oog op haar eigen belang als (hoofd)sponsor en naamgever van het evenement, ook in het belang van de wielersport in de Benelux – tóch doen wat haar in beginsel niet vrijstond, namelijk zonder medewerking van de Stichting en ICSO een licentie voor 2009 en volgende jaren aanvragen, dit echter niet zonder aan de Stichting en ICSO de hiervoor bedoelde substantiële vergoeding aan te bieden.”
“4.26 (…). De verwijzing naar de schadestaatprocedure ziet niet op de schade die de Stichting en ICSO eventueel hebben geleden doordat zij niet zelf de Benelux Tour hebben kunnen organiseren, maar op de schade die zij hebben geleden doordat hen door Eneco geen vergoeding is aangeboden.”
Het onderdeel merkt onder 5.2 allereerst op dat het hof het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het Eneco niet vrij stond om een licentie aan te vragen zonder aan de Stichting c.s. een ‘substantiële’ vergoeding aan te bieden, maar dat de rechtbank (in de rechtsoverwegingen 4.22 en 4.23 van haar vonnis van 29 juni 2011) slechts heeft gesproken over ‘een vergoeding’ respectievelijk ‘geen enkele vergoeding’.
Gelet op hetgeen onder 5.3 wordt opgemerkt: “Wat hiervan ook zij,…”, meen ik dat de opmerking onder 5.2 niet als een klacht dient te worden opgevat.
Overigens zou de klacht falen op de grond dat het de appelrechter vrijstaat om het oordeel van de rechtbank tot het zijne te maken en daaraan een nadere invulling te geven.
Het onderdeel klaagt vervolgens dat het (overgenomen) oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is omdat het beëindigen van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd, bij welke situatie het hof aansluiting heeft gezocht, volgens de rechtspraak van de Hoge Raad weliswaar kan leiden tot een verplichting tot het aanbieden van ‘een (schade)vergoeding’, maar niet dat dit een ‘substantiële vergoeding’ zou moeten zijn. Althans heeft het hof onvoldoende gemotiveerd dat en waarom in de onderhavige zaak niet met ‘een’ (schade)vergoeding kon worden volstaan, maar dat een ‘substantiële’ schadevergoeding was vereist, aldus het onderdeel.
De klachten zien eraan voorbij dat het hof de in rechtsoverweging 4.12 samengevatte oordelen van de rechtbank heeft onderschreven dat (i) Eneco in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door zonder toestemming van de Stichting c.s. en zonder daarvoor aan hen een vergoeding te betalen, een licentie aan te vragen voor 2009 en volgende jaren en deel te nemen in de organisatie van de Benelux Tour en (ii) dat voldoende aannemelijk is dat de Stichting c.s. schade hebben geleden.
Deze grondslag van de onrechtmatige daad (zie rov. 4.16) is een zelfstandig dragende grond voor het oordeel van het hof dat het vonnis van de rechtbank, waarin voor recht wordt verklaard dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Stichting c.s. en zij wordt veroordeeld tot vergoeding van de door de Stichting c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat, dient te worden bekrachtigd.
Hierop stuit ook de klacht van onderdeel 3 onder 4.9-4.12 af. Daarin wordt geklaagd dat uit de rechtspraak omtrent de beëindiging van duurovereenkomsten naar voren komt dat voor het antwoord op de vraag of een vergoeding is verschuldigd van belang is of een vergoeding is gerechtvaardigd als afkoop voor langdurig nadeel en/of als vergoeding voor gedane investeringen, en dat het hof niet heeft vastgesteld dat van het een of het ander in de onderhavige zaak sprake is geweest, zodat het oordeel van het hof in zoverre in strijd is met het recht, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Hetzelfde geldt voor onderdeel 3 onder 4.13-4.14, dat klaagt dat het hof bij zijn oordeel dat Eneco onrechtmatig heeft gehandeld door geen substantiële vergoeding aan de Stichting c.s. aan te bieden, niet (kenbaar) heeft betrokken dat Eneco bepaald reden had om de samenwerking met de Stichting c.s. te beëindigen en dat Eneco dit bovendien pas had gedaan nadat zij had getracht om ondanks de gerezen problemen de samenwerking met de Stichting c.s. voort te zetten, zodat dit oordeel van het hof – in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad over het beëindigen van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd – rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is.
Onderdeel 4 klaagt tot slot dat, voor zover het oordeel van het hof dat Eneco een ‘substantiële vergoeding’ aan de Stichting c.s. had moeten aanbieden, doorwerkt in rechtsoverweging 4.26 – waar het hof overweegt dat de verwijzing naar de schadestaatprocedure ziet op de schade die de Stichting c.s. hebben geleden doordat hen door Eneco geen vergoeding is aangeboden – het hof het recht heeft geschonden door een voorschot te nemen op de omvang van de schade, en daarmee het onderscheid tussen de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure heeft miskend.
De klacht berust op een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging, nu het hof daarin geen oordeel heeft gegeven omtrent de hoogte van de door Eneco verschuldigde schadevergoeding.
Daar komt bij dat de rechter in een schadestaatprocedure niet is gebonden aan een schadevaststelling van de rechter in de hoofdprocedure, zodat Eneco in zoverre ook belang mist bij deze klacht.
Gelet op het vorenstaande falen mitsdien ook de onderdelen 3 en 4 in hun geheel.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G