2. Procesverloop
Rifgat c.s. hebben bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de Rechtbank Leeuwarden op 13 februari 2012, aan deze rechtbank verzocht om voor recht te verklaren dat Rifgat het op 21 december 2009 door haar genomen ontbindingsbesluit geldig heeft herroepen. Volgens Rifgat c.s. heeft Rifgat daar belang bij omdat deze haar vordering op Rodenstaal Balkan en haar aandelen in Rodenstaal Balkan anders niet zou kunnen overdragen aan [betrokkene], dit omdat naar Servisch recht een ontbonden vennootschap niet zou kunnen bestaan (zie rov. 3).
De rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 14 maart 2012 toegewezen. De rechtbank heeft voor recht verklaard “dat het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Rifgat van 21 december 2009 tot ontbinding van Rifgat is herroepen”. De beschikking is door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Rodenstaal c.s. hebben tegen die beschikking beroep ingesteld bij het Hof Leeuwarden. Zij hebben daarbij in de eerste plaats een incidenteel verzoek gedaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank. Daarnaast hebben zij verzocht om die beschikking te vernietigen en het verzoek van Rifgat c.s. alsnog af te wijzen (zie de inleidende overwegingen van de beschikking van het hof in het incident d.d. 28 augustus 2012).
Bij beschikking van 28 augustus 2012 heeft het hof het incidentele verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging toegewezen. Het hof oordeelde dat een declaratoire uitspraak naar zijn aard niet vatbaar is voor executie en de beschikking van de rechtbank dan ook ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (zie rov. 5 en het dictum van de beschikking van het hof in het incident d.d. 28 augustus 2012).
Bij beschikking van 19 juli 2013 heeft het hof (inmiddels: het Hof Arnhem-Leeuwarden) het hoger beroep van Rodenstaal c.s. verworpen. Het hof overwoog daartoe onder meer als volgt:
“8. Herroeping door een rechtspersoon van een eerder door hem genomen ontbindingsbesluit is in beginsel mogelijk als het belang van de (ontbonden) rechtspersoon dat meebrengt en derden door die herroeping niet in hun belangen worden geschaad (vergelijk o.m. Hof Den Haag 30 januari 2007, LJN AZ7737, JOR 2007, 66 en Hof Den Haag 23 augustus 2011, LJN BS1144, JOR 2011, 327). Met het oog op die bescherming van de belangen van derden alsook om praktische redenen dient, zolang de wetgever niet voorziet in een regeling, daarbij te worden gekozen voor controle van de herroeping door de rechter. Het standpunt van Rodenstaal c.s. dat een ontbindingsbesluit in het geheel niet kan worden herroepen, wordt verworpen.
9. Een rechtspersoon kan zijn ontbindingsbesluit slechts herroepen als hij nog bestaat. De vraag of Rifgat nog bestaat, dient te worden beantwoord aan de hand van art. 2:19 lid 5 BW, waaruit volgt dat een ontbonden rechtspersoon blijft bestaan voor zover nodig voor het vereffenen van zijn vermogen. Zoals het hof hierna zal overwegen, beschikte Rifgat na zijn ontbinding nog over vermogen dat niet is vereffend en is Rifgat in zoverre dus blijven bestaan. […]
10. De herroeping van de ontbinding mag niet tot gevolg hebben dat derden die in gerechtvaardigd vertrouwen op de ontbinding en haar gevolgen zijn afgegaan in hun belangen worden geschaad. Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder het tijdsverloop sinds het moment van ontbinding. Voor het daarbij hanteren van een vaste termijn ziet het hof onvoldoende steun in het recht, ook niet als uitgangspunt. Ook voor aansluiting bij de vervaltermijn genoemd in art. 2:15 lid 5 BW ontbreekt voldoende grond.”
Aansluitend aan de bovenstaande overwegingen oordeelde het hof dat Rodenstaal c.s. door de herroeping van de ontbinding van Rifgat niet in hun belangen zijn geschaad (zie rov. 11 t/m 15). Er zijn naar oordeel van het hof ook geen andere feiten of omstandigheden die zich verzetten tegen herroeping van het ontbindingsbesluit. Het hof heeft het hoger beroep om die reden verworpen (zie rov. 17 en dictum).
Rodenstaal c.s. hebben tegen de beschikking van 19 juli 2013 tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Rifgat c.s. voeren in cassatie verweer; zij verzoeken om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel te verwerpen. Rodenstaal c.s. hebben vervolgens nog op het niet-ontvankelijkheidsverweer gereageerd.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Rifgat c.s. stellen dat Rodenstaal c.s. geen belang hebben bij hun cassatieberoep en dat beroep om die reden niet-ontvankelijk is. Volgens Rifgat c.s. richt het cassatiemiddel namelijk geen klachten tegen het oordeel van het hof “dat Rodenstaal c.s. als gevolg van de ontbinding van Rifgat geen voordeel hebben gekregen in de vorm van verkregen rechten of bevrijding van schulden of […] anderszins in een voordeliger positie zijn komen te verkeren” en tegen het oordeel dat Rodenstaal c.s., “nu ook geen andere nadelen zijn aangevoerd”, door de herroeping van de ontbinding niet in hun belangen zijn geschaad (zie rov. 12 en 15).
Het niet-ontvankelijkheidsverweer van Rifgat c.s. dient m.i. verworpen te worden. Reden daarvoor is dat het verweer dat er geen belang bestaat bij het cassatieberoep, indien dat verweer slaagt, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep maar tot verwerping daarvan (zie HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2237, NJ 2012/226, rov. 4.1.2). Ten overvloede merk ik op dat de in het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer genoemde oordelen in cassatie wel degelijk bestreden worden. Zo klagen Rodenstaal c.s. in onderdeel III van hun cassatiemiddel (onder nr. 45): “Als het Hof Arnhem-Leeuwarden derhalve al tot het oordeel kon komen dat herroeping van een ontbindingsbesluit in beginsel mogelijk is, en voor de invulling van de toets of het herroepingsbesluit in casu rechtsgeldig is, aansluiting kon zoeken bij de beslissingen van het Hof Den Haag, dan had het, evenals het Hof Den Haag in zijn beschikking van 23 augustus 2011, hogere eisen moeten stellen aan de stellingen van [Rifgat c.s.] in het kader van de mogelijke benadeling van derden zoals [Rodenstaal c.s.].” Het betoog van Rifgat c.s. dat Rodenstaal c.s. geen belang zouden hebben bij hun cassatieberoep, mist dan ook goede grond.
4. Korte beschouwing: herroeping van een ontbindingsbesluit
Inleiding
Centrale vraag in deze cassatieprocedure is of een besluit tot ontbinding van een besloten vennootschap herroepen kan worden, en zo ja, aan welke voorwaarden in dat geval voldaan dient te worden. In deze paragraaf geef ik allereerst een korte beschouwing over het besluit tot ontbinding van een besloten vennootschap en over de gevolgen van een dergelijk besluit. Vervolgens ga ik in op de vraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, herroeping van een ontbindingsbesluit mogelijk is. In de volgende paragraaf bespreek ik dan de concrete cassatieklachten die in de onderhavige procedure worden aangevoerd.
Het ontbindingsbesluit
Een besloten vennootschap kan worden ontbonden door een besluit daartoe van de algemene vergadering (zie art. 2:19 lid 1 aanhef en sub a BW). Van de ontbinding dient opgave te worden gedaan aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Deze opgave dient, indien er een vereffenaar is, plaats te vinden door de vereffenaar en anders door het bestuur (zie art. 2:19 lid 3 BW; zie ook art. 18 Hrgw 2007 en artt. 6 en 40 Hrgb 2008).
Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur daarvan opgave aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven (zie art. 2:19 lid 4 BW). Heeft de rechtspersoon op het tijdstip van ontbinding nog baten, dan blijft de rechtspersoon na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van zijn vermogen nodig is (zie art. 2:19 lid 5 BW). Voor zover de rechter geen andere vereffenaars heeft benoemd en de statuten geen andere vereffenaars aanwijzen, worden de bestuurders vereffenaars van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon (zie art. 2:23 lid 1 BW). Iedere vereffenaar doet aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven, opgaaf van zijn optreden als zodanig (zie art. 2:23 lid 4 BW). In geval van vereffening houdt de vennootschap op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt (zie art. 2:19 lid 6 BW). De vereffening eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn (zie art. 2:23b lid 9 BW). De vereffenaar doet van het tijdstip van het eindigen van de vereffening opgave aan de registers (zie art. 2:19 lid 6 BW).
De boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van een ontbonden rechtspersoon moeten worden bewaard gedurende zeven jaren nadat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan (zie art. 2:24 lid 1 BW). De gegevens die omtrent de rechtspersoon in de registers zijn opgenomen op het tijdstip waarop deze rechtspersoon ophoudt te bestaan, blijven daar gedurende tien jaren na dat tijdstip bewaard (zie art. 2:19 lid 7 BW).
Herroeping van een ontbindingsbesluit
Een vennootschap heeft in de regel de mogelijkheid om een eerder genomen besluit te herroepen. Van oudsher is aangenomen dat een besluit tot ontbinding van een rechtspersoon niet kan worden teruggedraaid. ‘Eens ontbonden, blijft ontbonden’, zo nam men aan. Ook de wetgever lijkt daarvan destijds te zijn uitgegaan.
In de afgelopen jaren lijken de inzichten hierover gewijzigd te zijn. In de rechtspraak en literatuur wordt nu veelal aangenomen dat het wenselijk is dat – al dan niet door middel van een wetswijziging – aan aandeelhouders de mogelijkheid wordt geboden om het ontbindingsbesluit in bepaalde gevallen te herroepen. Deze meer recente zienswijze sluit aan bij uitgangspunten die gehanteerd zijn bij de in 2012 gerealiseerde herziening van het bv-recht. Uitgangspunten bij die herziening waren onder meer dat aandeelhouders meer vrijheid dienen te krijgen om de vennootschap naar eigen inzicht vorm te geven (dit met voldoende waarborging van de belangen van andere partijen), en onnodige belemmeringen weggenomen dienen te worden. De gewijzigde inzichten over de herroeping van een ontbindingsbesluit hebben tot dusver niet geleid tot wijziging van de wettelijke regeling. Vooralsnog bevat de wet geen uitdrukkelijke bepaling waaruit blijkt dat herroeping van een ontbindingsbesluit mogelijk is. Herroeping van een ontbindingsbesluit wordt ook niet uitdrukkelijk uitgesloten.
In de praktijk blijkt de Kamer van Koophandel slechts bereid te zijn om de herroeping van een ontbindingsbesluit te registreren, nadat door de rechter is vastgesteld dat deze herroeping rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Deze gang van zaken vindt steun in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2384, NJB 2013/1630). Het College oordeelde in die uitspraak dat de Kamer van Koophandel “het niet tot haar taak [behoeft] te rekenen zich een oordeel te vormen over het gebruik van het herroepingsinstrument en mag verlangen dat de burgerlijke rechter zich hierover uitlaat alvorens tot (her)inschrijving van de rechtspersoon over te gaan” (zie rov. 5.2). Nadat de vennootschap het besluit heeft genomen tot herroeping van het ontbindingsbesluit, zal zij aan de rechtbank moeten verzoeken om voor recht te verklaren dat deze herroeping rechtsgeldig is.
Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter (in eerste aanleg) in enkele gevallen geoordeeld heeft dat de wettelijke regeling niet voorziet in de mogelijkheid tot herroeping van een ontbindingsbesluit en de gevraagde verklaring voor recht om die reden niet gegeven kan worden. In de meeste gevallen is aangenomen dat de vennootschap, indien voldaan is aan bepaalde randvoorwaarden, het ontbindingsbesluit kan herroepen. Daarbij wordt dan aangenomen dat de rechter – al dan niet op basis van analoge toepassing van art. 2:19 lid 2 BW – bevoegd is om op verzoek van de vennootschap voor recht te verklaren dat het ontbindingsbesluit rechtsgeldig herroepen is. Deze tweede zienswijze wordt in de literatuur door het merendeel van de auteurs gedeeld.
In de zaak die nu in cassatie aan de orde is, heeft zowel rechtbank als hof geoordeeld dat het verzoek om voor recht te verklaren dat het ontbindingsbesluit rechtsgeldig herroepen is, voor toewijzing in aanmerking kan komen. Zij refereren daarbij de beschikkingen van het Hof Den Haag van 30 januari 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7737, JOR 2007/66 (PMDC)) en 23 augustus 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BS1144, JOR 2011/327 (Frontier)). In deze beschikkingen formuleert het Hof Den Haag enkele algemene uitgangspunten voor de beoordeling van een verzoek tot verklaring voor recht dat een ontbindingsbesluit rechtsgeldig herroepen is. Deze uitgangspunten – die overigens ook in enkele andere procedures zijn aangenomen – luiden als volgt:
- het herroepen van een ontbindingsbesluit is onder omstandigheden mogelijk, ook indien het ontbindingsbesluit al is ingeschreven in het handelsregister;
- de herroeping kan plaatsvinden door het orgaan dat het ontbindingsbesluit heeft genomen;
- herroeping is niet meer mogelijk indien de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan;
- herroeping van de ontbinding impliceert niet dat daarmee met terugwerkende kracht alle gevolgen van de ontbinding ongedaan worden gemaakt;
- herroeping van het ontbindingsbesluit kan slechts plaatsvinden indien daarbij aansluitend controle plaatsvindt door de rechter;
- bij verzoekschrift kan aan de rechter een oordeel worden gevraagd over het gebruik van de herroepingsmogelijkheid, dit naar analogie met art. 2:19 lid 2 BW;
- in afwachting van een afgewogen regeling door de wetgever hanteert de rechter als criteria bij de rechterlijke toets in elk geval:
(a) of voldoende blijkt dat het herroepingsbesluit binnen een kort tijdsbestek en rechtsgeldig is genomen;
(b) of de rechtspersoon nog bestaat; en
(c) of de belangen van derden als gevolg van het nemen van het herroepingsbesluit niet (in onaanvaardbare mate) worden geschaad;
- bij het verzoekschrift dient in beginsel in het geding te worden gebracht:
(a) het ontbindingsbesluit;
(b) een uiteenzetting van hetgeen sedert de ontbinding is geschied;
(c) het herroepingsbesluit;
(d) een gedetailleerde beantwoording (bij voorkeur door een register-accountant) van de vraag welke derden er zijn en of deze als gevolg van het herroepingsbesluit nadeel (kunnen) ondervinden, en of, en zo ja in welke mate, verzekerd is dat dit nadeel zal worden gecompenseerd;
voorts verdient het aanbeveling om toe te voegen (e) als bijlage, de zienswijzen van de individuele derden;
- in aanmerking nemende dat het gaat om een niet bij wet geregelde procedure waarin mogelijk niet (steeds) alle eventuele rechten van (niet in de procedure betrokken) derden op voldoende wijze in kaart kunnen worden gebracht, kan de beslissing (onder omstandigheden) beperkt blijven tot een verklaring voor recht dat niet gebleken is dat de herroeping rechtskracht ontbeert, hetgeen voor de Kamer van Koophandel voldoende moet zijn om tot inschrijving van het herroepingsbesluit over te gaan.
De opvatting dat herroeping van een ontbindingsbesluit, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden, kan worden toegestaan, heeft gezien de bovenbedoelde jurisprudentie en literatuur goede papieren. Erkenning van de herroepingsmogelijkheid past immers in het streven om onnodige juridische belemmeringen voor de aandeelhouders van een besloten vennootschap zoveel mogelijk weg te nemen. Daarnaast lijkt er, op het eerste gezicht, weinig reden om aan te nemen dat derden als gevolg van het erkennen van de herroepingsmogelijkheid benadeeld zouden kunnen worden. Zo brengen het ontbindingsbesluit en de daardoor ontstane ‘staat van ontbinding’ in de regel geen wijziging teweeg in de vermogensrechtelijke aanspraken en verplichtingen van de vennootschap. Verder zal bijvoorbeeld zowel van de ontbinding als van het (rechtsgeldig) herroepen van die ontbinding opgaaf moeten worden gedaan aan het handelsregister.
Toch vraag ik mij af of de benadering, zoals die verwoord is in de bovengenoemde beschikkingen van het Hof Den Haag, in alle opzichten voldoende streng is. Zoals het hof in de Frontier-beschikking terecht signaleert, kan de rechter niet altijd verzekeren dat alle relevante belangen van derden in de verzoekschriftprocedure daadwerkelijk en afdoende in kaart worden gebracht. In de praktijk kunnen de gevolgen van een herroeping van het ontbindingsbesluit in belangrijke mate gelegen zijn buiten het blikveld van de rechter. Daarbij zal er weliswaar vanuit formeel-juridisch oogpunt niet snel sprake van benadeling van derden. De praktijk kan anders zijn. Zo is het goed voorstelbaar dat een vennootschap door een ontbinding en een daaropvolgend herroeping van het ontbindingsbesluit, het verhaal door crediteuren op ontoelaatbare wijze bemoeilijkt. Dat geldt zeker in die gevallen waarin er na het nemen van het ontbindingsbesluit in het handelsregister (ten onrechte) vermeld wordt dat er geen baten meer aanwezig zijn en de vereffening is afgerond. Ik vraag mij af of dergelijk misbruik van de ontbindingsregeling door een erkenning van de mogelijkheid tot herroeping van het ontbindingsbesluit niet onbedoeld gefaciliteerd wordt. Er dient zoveel mogelijk te worden verhinderd dat een rechter gelegenheid biedt tot misbruik van het herroepen van een ontbinding, zeker nu die herroeping plaatsvindt in het kader van een door de rechter zelf en niet door de wetgever vorm gegeven procedure. Ik meen dan ook dat het de voorkeur verdient om – zolang een wettelijke regeling van de herroeping ontbreekt – de herroeping van een ontbindingsbesluit slechts onder nogal stringente voorwaarden mogelijk te achten en te erkennen indien de verzoekende vennootschap bewezen heeft:
(i) dat zowel de ontbinding als de herroeping van de ontbinding heeft plaatsgevonden om legitieme redenen;
(ii) dat zowel de ontbinding als de herroeping van de ontbinding de facto en de jure niet leidt, en ook niet heeft geleid, tot nadeel voor derden; en
(iii) dat de vennootschap een substantieel belang heeft bij herroeping van het ontbindingsbesluit.
Ik meen dat de bewijslast van deze punten op de verzoekende vennootschap dient te rusten, nu deze de ontbinding en de herroeping ervan heeft geinitieerd. Voor het overige kan dan aangesloten worden bij de uitgangspunten die geformuleerd zijn in de eerder genoemde beschikkingen van het Hof Den Haag van 30 januari 2007 (PMDC) en 23 augustus 2011 (Frontier) (zie hierboven, onder 4.9).
5. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen (onderdelen I t/m III) en een ‘restklacht’.
Onderdeel I richt zich tegen het oordeel in rov. 8 t/m 10 van de bestreden beschikking (zie hierboven, onder 2.5). Het onderdeel klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat een op de voet van art. 2:19 lid 1 sub a BW door de ava genomen besluit tot ontbinding van een rechtspersoon onherroepelijk is. De omstandigheden dat het belang van de ontbonden vennootschap met herroeping van het ontbindingsbesluit wordt gediend en de belangen van derden door een herroeping niet worden geschaad, kunnen volgens het onderdeel dan ook geen grond zijn voor erkenning van de rechtsgeldigheid van een herroeping van het ontbindingsbesluit.
Onderdeel II richt zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 10) dat er geen grond bestaat om aan te nemen dat herroeping van de ontbinding slechts kan plaatsvinden binnen een vaste termijn vanaf het moment van ontbinding en er ook geen grond bestaat om een dergelijke termijn te hanteren “als uitgangspunt”. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof daarmee miskent dat – indien al uitgegaan zou moeten worden van de mogelijkheid van herroeping van een ontbindingsbesluit – de rechtszekerheid in ieder geval vergt dat voor de herroeping van een ontbindingsbesluit een (korte) vaste termijn geldt althans dat daarvoor een (korte) vaste termijn tot uitgangspunt dient.
Onderdeel III richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 8 t/m 15. In deze rechtsoverwegingen refereert het hof onder andere aan de beschikkingen van het Hof Den Haag van 30 januari 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7737, JOR 2007/66 (PMDC)) en 23 augustus 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BS1144, JOR 2011/327 (Frontier)). Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof miskend heeft dat de in die beschikkingen bedoelde maatstaven in het onderhavige geval geen toepassing kunnen vinden, althans geen onverkorte toepassing kunnen vinden. Volgens het onderdeel heeft het hof de betreffende maatstaven in elk geval op onjuiste wijze toegepast. Om deze en andere redenen is het oordeel volgens het onderdeel rechtens onjuist, en zou dat oordeel in elk geval onbegrijpelijk zijn of onvoldoende gemotiveerd.
De ‘restklacht’ van het cassatiemiddel behelst geen zelfstandige klacht; zij bouwt slechts voort op de klachten van de eerdere onderdelen.
De klachten van het cassatiemiddel zijn gegrond. Het middel wijst er met juistheid op dat Rodenstaal c.s. gemotiveerd gesteld hebben dat zij door de herroeping van het ontbindingsbesluit in hun belangen worden geschaad en zij in het kader ook onder meer het volgende hebben aangevoerd:
- [verzoekster 2] heeft, ervan uitgaande dat Rifgat was ontbonden, tweemaal een pakket aandelen in het kapitaal van Rodenstaal Balkan gekocht en € 1.375.320,- in de vennootschap geïnvesteerd. [verzoekster 2] had dit niet gedaan indien zij geweten had dat Rifgat alsnog zou kunnen herrijzen.
- Het tijdsverloop tussen de datum van het ontbindingsbesluit en de datum van herroeping van dat besluit, is aanzienlijk langer dan één jaar.
- In het handelsregister heeft gedurende bijna drie jaar ten onrechte vermeld gestaan dat Rifgat ontbonden was en was opgehouden te bestaan.
- Kladovo Beheer en Rifgat hebben de rechtbank in hun inleidende verzoekschrift uitdrukkelijk verzocht om Rodenstaal Balkan en (andere) aandeelhouders van Rodenstaal Balkan, niet als belanghebbende aan te merken, dit omdat deze laatsten vanwege het grote financiële belang op verkeerde gedachten zouden kunnen worden gebracht en de herroeping van de ontbinding zouden kunnen frustreren. De rechtbank heeft, overeenkomstig dit verzoek, Rodenstaal Balkan en [verzoekster 2] niet als belanghebbende opgeroepen. Rodenstaal Balkan en [verzoekster 2] waren dan ook onkundig van de procedure in eerste aanleg. Zij hadden enkel in hoger beroep de gelegenheid om hun standpunt kenbaar te maken, waarbij zij bovendien slechts twee dagen de tijd hadden om een beroepschrift in te dienen.
Het hof heeft deze en andere verweren niet gehonoreerd en heeft geoordeeld dat Rodenstaal c.s. niet in hun belangen zijn geschaad door de herroeping van het besluit tot ontbinding van Rifgat (zie rov. 15). Dat Rifgat afstand van recht had gedaan, is volgens het hof niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van het hof hebben Rodenstaal c.s. namelijk niet gesteld dat sprake is geweest van een daartoe door Rifgat geuite wil, en hebben Rodenstaal c.s. “niet aannemelijk gemaakt dat zij ondanks het ontbreken van een dergelijke wil, op het bestaan daarvan toch mochten vertrouwen” (zie rov. 14). Rodenstaal c.s. kunnen zich naar oordeel van het hof evenmin beroepen op de vermelding in het handelsregister dat Rifgat geen activa meer had. De wettelijke bescherming van derden ten aanzien van inschrijvingen in het handelsregister, komt er naar oordeel van het hof op neer dat slechts aan onkundige derden de onjuistheid van de in het handelsregister opgenomen feiten niet kan worden tegengeworpen. Rodenstaal c.s. wisten echter – aldus het hof – bij uitstek dat Rifgat baten had en dus in zoverre nog bestond (zie rov. 13). Het hof komt tot de slotsom dat er geen feiten of omstandigheden zijn die zich verzetten tegen de herroeping van het besluit tot ontbinding van Rifgat (zie rov. 17).
Hierboven heb ik toegelicht dat er – gezien het ontbreken van een adequate wettelijke regeling omtrent de herroeping van een ontbindingsbesluit – mijns inziens slechts kan worden overgegaan tot erkenning van een dergelijke herroeping, indien de rechter (onder andere) heeft vastgesteld dat bewezen is: (i) dat zowel de ontbinding als de herroeping van de ontbinding heeft plaatsgevonden om legitieme redenen; (ii) dat zowel de ontbinding als de herroeping van de ontbinding de facto en de jure niet leidt, en ook niet heeft geleid, tot nadeel voor derden; en (iii) dat de vennootschap een substantieel belang heeft bij herroeping van het ontbindingsbesluit.
De klachten van het cassatiemiddel wijzen er terecht op dat het hof in het onderhavige een onjuiste toets heeft aangelegd en het oordeel in elk geval onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft m.i. de herroeping van de ontbinding met behulp van onvoldoende strenge procedurele en inhoudelijke maatstaven beoordeeld. Zo blijkt onvoldoende dat er legitieme redenen bestonden voor het besluit tot ontbinding van Rifgat en voor het daaropvolgende herroepingsbesluit. Verder heeft het hof ten onrechte aangenomen dat het aan verweerders is om aannemelijk te maken dat zij door de herroeping van het ontbindingsbesluit wél in hun belangen zijn geschaad. Ik wijs in het bijzonder op rov. 14 van de bestreden beschikking waarin het hof een informatieplicht op de verweerders legt. Het hof had van de verzoekers moeten verlangen dat zij aannemelijk zouden maken dat er géén derden zijn die door de herroeping op relevante wijze in hun belangen worden geschaad. Het bestreden oordeel gaat dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting en is althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De bestreden beschikking kan dan ook m.i. niet in stand blijven.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G