2. Bespreking van het cassatiemiddel
De dochter heeft één cassatiemiddel voorgesteld. Dat middel valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 2.15:
“Niet is gesteld of anderszins gebleken dat de verjaring gedurende die termijn door [de dochter] is gestuit. Nu [verweerder] op de in art. 1:377 BW bedoelde verjaring een beroep heeft gedaan, zijn de overige vorderingen van [de dochter], die op het door [verweerder] gevoerde voogdijbewind zijn gegrond, verjaard.”
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door te oordelen dat de vorderingen van de dochter zijn verjaard. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat de verjaringstermijn van de vorderingen is verlengd krachtens art. 3:321 lid 1 sub b en/of c BW en dat deze verlenging gelet op art. 3:321 lid 2 BW nog altijd voortduurt, nu vaststaat dat [verweerder] nog geen rekening en verantwoording heeft afgelegd. Althans valt volgens het subonderdeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom art. 3:321 lid 1 sub b en/of c jo lid 2 BW niet aan voltooiing van de verjaring in de weg zou staan.
Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat de voor het onderhavige geschil van belang zijnde voogdij is aangevangen op de dag waarop de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde voogdijbeschikking van 10 juni 1977 in kracht van gewijsde is gegaan dan wel daags nadat de griffier [verweerder] van zijn benoeming mededeling had gedaan (zie de destijds geldende versie van art. 1:280 BW), en met het meerderjarig worden van dochter op 1 januari 1988 is geëindigd.
Op grond van art. 1:372 BW in zijn destijds geldende versie diende [verweerder] na het einde van zijn bewind onverwijld rekening en verantwoording te doen. Naar luid van art. 1:377 BW in zijn destijds geldende versie verjaarde elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind - zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd - door verloop van tien jaren na de dag, waarop de voogdij door de meerderjarigheid van de minderjarige was geëindigd.
De in cassatie nog van belang zijnde vorderingen van de dochter zijn vorderingen op grond van het door [verweerder] gevoerde voogdijbewind in de zin van art. 1:377 (oud) BW. De wetsgeschiedenis wijst in geen andere richting, alhoewel in de literatuur wel is verdedigd dat aanspraken van de voormalige pupil op een voor hem positief saldo van het voogdijbewind buiten het bereik van de bepaling zouden vallen.
Bij (art. I van) de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. is art. 1:377 BW gewijzigd. De verjaringstermijn voor rechtsvorderingen die zijn gegrond op het gevoerde voogdijbewind is bij die wet van tien naar vijf jaren teruggebracht. Uit de art. 68a en 73 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat een onder het oude recht aangevangen verjaringstermijn wordt vervangen door de verjaringstermijn van het nieuw BW, zij het dat dit niet geldt tot één jaar na inwerkingtreding en dat de nieuwe termijn wordt geacht niet voor 1 januari 1993 te zijn voltooid. Een en ander leidt ertoe dat, afgezien van de hierna te bespreken mogelijkheid van verlenging van de verjaringstermijn, de vanaf 2 januari 1988 lopende verjaringstermijn op 2 januari 1993 zou zijn voltooid.
Bij verlenging van de verjaringstermijn op grond van het huidige (en onmiddellijk werkende) art. 3:320 BW bij of binnen één jaar na de inwerkingtreding van het nieuw BW, geldt op grond van art. 121 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek een van art. 73 van die wet afwijkend overgangsregime. Voor gevallen waarin het oude recht - de art. 2023-2029 BW (oud) - geen schorsing van de verjaring kende, maar het nieuwe recht wel in verlenging van de verjaringstermijn voorziet, zijn volgens dat overgangsregime tevens de nieuwe bepalingen over aanvang en duur van de verjaring terstond van toepassing (geen uitgestelde werking). Voor gevallen waarin het oude recht - de art. 2023-2029 BW (oud) - schorsing van de verjaring kende en het nieuwe recht in verlenging van de verjaringstermijn voorziet, verdringt het nieuwe recht het oude recht (geen uitgestelde werking). Voor gevallen waarin de art. 2023-2029 BW (oud) wel schorsing kende, maar het nieuwe recht niet in verlenging van de verjaringstermijn voorziet, blijven de art. 2023-2029 BW (oud), evenals de oude bepalingen over aanvang en duur van de verjaring, gedurende één jaar van toepassing op gevallen waarin zij tot 1 januari 1992 toepasselijk waren.
Op grond van art. 2024 BW (oud) gold dat de verjaring niet tegen minderjarigen loopt. Deze schorsingsgrond was in het onderhavige geval echter niet tot de inwerkingtreding van het nieuw BW toepasselijk, nu de dochter reeds met ingang van 1 januari 1988 meerderjarig was. Overigens heeft die schorsingsgrond de verjaring van de rechtsvordering van de dochter op grond van het gevoerde voogdijbewind niet beïnvloed, nu die verjaring op grond van art. 1:377 BW hoe dan ook eerst een aanvang nam na de dag waarop de dochter meerderjarig was geworden en de voogdij was geëindigd (1 januari 1988).
Op grond van art. 3:321 lid 1 sub b en/of c BW bestaat een grond voor verlenging van de verjaring tussen respectievelijk een wettelijk vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt c.q. tussen een bewindvoerder en een rechthebbende (de wet spreekt van “rechtshebbende”) voor wie hij het bewind voert, in dit laatste geval met de beperking dat de verlengingsgrond slechts geldt “ter zake van vorderingen die dit bewind betreffen”. In de wet (waarin wordt gesproken van een grond voor verlenging van de verjaring, bestaande “tussen een wettelijk vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt” c.q. “tussen een bewindvoerder en de rechtshebbende voor wie hij het bewind voert”) ligt besloten dat een grond voor verlenging slechts gedurende de periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. van bewind bestaat. Dat is ook in overeenstemming met de ratio van de bepaling, die in het bijzonder ertoe strekt te voorkomen dat rechtsvorderingen die de onbekwame en, voor zover zij het bewind betreffen, degene voor wie het bewind wordt gevoerd, niet kunnen instellen, niettemin gedurende de periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. bewind zouden verjaren.
Aan het voorgaande doet niet af dat, naar luid van art. 3:321 lid 2 BW, de in het eerste lid onder b en c genoemde gronden voor verlenging voortduren totdat de eindrekening van de wettelijk vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten. Het voortduren van een grond voor verlenging vooronderstelt dat de desbetreffende grond voor verlenging reeds bestond, dat wil zeggen is ontsproten aan (en ten tijde van) een bestaande verhouding zoals in het eerste lid onder b en c bedoeld. Het tweede lid houdt verband met het in art. 3:320 BW vervatte uitgangspunt dat een grond voor verlenging normaliter (in de woorden van art. 3:320 BW:) “verdwijnt” op het moment waarop de in art. 3:321 lid 1 bedoelde situatie waarin die grond “bestaat”, een einde neemt. In afwijking van dit uitgangspunt geldt op grond van het tweede lid een zekere verlengde werking van de daarin bedoelde verlengingsgronden, ook na beëindiging van de situaties (wettelijke vertegenwoordiging respectievelijk bewind) waaraan zij hun bestaan ontlenen.
Het hof heeft (in cassatie op zichzelf onbestreden) aangenomen dat de verjaringsregeling van art. 1:377 BW van toepassing is.
Art. 1:377 BW voorzag en voorziet in een verjaringstermijn (aanvankelijk van tien jaren, later van vijf jaren) die eerst ingaat ná de dag waarop de voogdij (zo men wil: de wettelijke vertegenwoordiging c.q. het voogdijbewind) is geëindigd. In die zin kan van een gedurende de periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. bewind lopende verjaringstermijn (laat staan van een gedurende die periode zonder verlenging van de verjaringstermijn intredende verjaring) geen sprake zijn. Daarbij moet echter worden bedacht dat, naar wordt aangenomen, een verlengingsgrond reeds aanwezig kan zijn vóórdat de verjaringstermijn van start is gegaan. Als dat laatste inderdaad het geval is, kan een reeds gedurende de periode van wettelijke vertegenwoordiging c.q. bewind aanwezige en na het einde van die periode voortdurende verlengingsgrond met de verjaring van art. 1:377 BW interfereren, ondanks de ratio van de kortere (objectieve) verjaringstermijn van die bepaling, welke ratio inhoudt dat het bewind van de voogd met zoveel waarborgen is omgeven, dat de termijn gedurende welke hij te dier zake aansprakelijk kan worden gesteld, beperkt dient te zijn.
In de onderhavige zaak is echter van belang dat aan art. 3:320 BW bij zijn inwerkingtreding op 1 januari 1992 weliswaar onmiddellijke, maar geen terugwerkende kracht toekwam. Bij inwerkingtreding van de bepaling op 1 januari 1992 verhielden [verweerder] en de dochter zich al vier jaar niet meer als de wettelijk vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt c.q. als de bewindvoerder en de rechthebbende voor wie hij het bewind voert in de zin van art. 3:321 lid 1 sub b en c BW. Op dat moment was er tussen hen géén verhouding waarin de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 sub b en c bestond. Waar bij ontbreken van terugwerkende kracht van art. 3:321 BW een dergelijke verlengingsgrond ook vóór dat moment niet tussen hen gold (en overigens nimmer tussen hen heeft gegolden), kon bij de inwerkingtreding van die bepaling van een “voortduren” daarvan in de zin van lid 2 geen sprake zijn: wat niet is, kan ook niet voortduren. In dit verband kan nog worden gewezen op de memorie van toelichting op art. 121 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek over het in art. 3:321 lid 1 sub d bedoelde geval van de tussen rechtspersonen en haar bestuurders bestaande verlengingsgrond:
“Terugwerkende kracht heeft artikel 3.11.19 niet. Is de verhouding tussen rechtspersoon en bestuurder vóór de inwerkingtreding reeds verbroken, dan blijft het oude recht, overeenkomstig artikel 73, nog een jaar lang gelden ten aanzien van aanvang en duur van de verjaringstermijn; dit geldt ook indien het ontslag binnen zes maanden voordien is verleend of genomen: bij de inwerkingtreding bestaat dan niet meer een verlengingsgrond.”
Kennelijk (en mijns inziens terecht) was het hof van oordeel dat bij inwerkingtreding van art. 3:321 lid 1 sub b en/of c BW van een bestaande of voortdurende grond voor verlenging van de verjaring van de vorderingen van de dochter die op het door [verweerder] gevoerde voogdijbewind waren gebaseerd, geen sprake was. Anders dan het subonderdeel betoogt, heeft het hof daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Weliswaar heeft het hof niet gemotiveerd waarom art. 3:321 lid 1 sub b en/of c BW toepassing mist, alhoewel de dochter (ook) in hoger beroep toepasselijkheid van art. 3:321 lid 1 sub b jo 3:321 lid 2 BW heeft verdedigd. Voor zover de motiveringsklacht van het subonderdeel mede daartegen is gericht, geldt echter dat met een motiveringsklacht niet met vrucht tegen een rechtsoordeel kan worden opgekomen. Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.
Bij het voorgaande teken ik nog aan dat het subonderdeel ervan uitgaat dat de in art. 3:321 lid 1 sub b en c BW bedoelde verlengingsgronden voortduren totdat de wettelijk vertegenwoordiger c.q. de bewindvoerder rekening en verantwoording heeft afgelegd. Dat is echter niet wat art. 3:321 lid 2 BW bepaalt. Art. 3:321 lid 2 BW spreekt van het moment waarop de eindrekening van de wettelijke vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten. Dat roept de vraag op of niet voldoende is dat de voormalig wettelijk vertegenwoordiger of bewindvoerder het batig saldo van het door hem gevoerde bewind (al dan niet correct) heeft vastgesteld en heeft overgemaakt aan degene voor wie hij optrad, en welke de betekenis in dat verband is van de overmaking van een bedrag van € 15.000,- door [verweerder] aan de dochter op 28 augustus 2007 onder vermelding van “Nogmaals, het vermeende tegoed. V.+J. [verweerder].”, met welke overmaking voor [verweerder] de kous kennelijk af was (zie hiervóór onder 1.8).
Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof het betoog van de dochter dat (i) [verweerder] het bestaan van de KLM-uitkering, de nalatenschap en de verzekeringsuitkering opzettelijk voor haar verborgen heeft gehouden, en (ii) zij, nadat zij daarmee bekend is geworden, de verjaring tijdig heeft gestuit en een procedure aanhangig heeft gemaakt, zodat (iii) art. 3:321 lid 1 sub f BW aan voltooiing van de verjaring in de weg staat, niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken. Nu die stellingen - indien juist - tot het oordeel zouden (kunnen) leiden dat de verjaringstermijn is verlengd, zodat de vorderingen dus niet zijn verjaard, is ’s hofs oordeel volgens het subonderdeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Ik acht de klacht van het subonderdeel gegrond. De dochter heeft zich reeds in de inleidende dagvaarding onder 26 uitdrukkelijk op art. 3:321 lid 1 sub f BW beroepen, waarna de rechtbank in rov. 4.10 van haar eindvonnis heeft overwogen dat het antwoord op de vraag of (tevens) sprake is van de verlengingsgrond als bedoeld in art. 3:321 lid 1 sub f BW en op de daarmee samenhangende vraag of [verweerder] opzettelijk het bestaan van de nalatenschap heeft verzwegen, in het midden kan blijven. Bij die stand van zaken bracht reeds de devolutieve werking van het hoger beroep met zich dat het hof alsnog op het beroep van de dochter op art. 3:321 lid 1 sub f BW diende te beslissen. Overigens heeft de dochter ook in appel art. 3:321 lid 1 sub f BW weer ter sprake gebracht.
Toepasselijkheid van art. 3:321 lid 1 sub f BW zou impliceren, dat, wanneer de verjaringstermijn tijdens het bestaan van de verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen daarvan zou aflopen, de verjaringstermijn voortloopt totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken (art. 3:320 BW). Uit de door het hof als vaststaand beschouwde feiten en meer in het bijzonder uit de brief van de dochter aan de KLM van 11 mei 2009 (zie hiervoor onder 1.9) blijkt, dat de dochter in elk geval reeds op die datum ermee bekend was dat “onze voogd (tevens vader) ons erfdeel en de uitkering van de KLM niet (heeft) overgedragen bij het bereiken van ons 18de levensjaar”. Kennelijk heeft de dochter de vader vervolgens eerst op 20 november 2009 (en dus langer dan zes maanden na 11 mei 2009) aangeschreven, zodat, nog afgezien van de mogelijkheid dat de dochter, zoals [verweerder] heeft gesteld, al eerder met een en ander bekend is geraakt (zoals tijdens het in de inleidende dagvaarding onder 10 bedoelde en in augustus 2007 gevoerde gesprek met een notaris), de regeling van art. 3:320 BW haar althans in zoverre niet kan baten.
Niettemin meen ik dat de dochter niet bij voorbaat ieder belang bij de klacht van het subonderdeel kan worden ontzegd, reeds omdat deze mede betrekking heeft op het aan de dochter toekomende aandeel in de uitkering van de reisverzekering, waarmee zij, naar in de inleidende dagvaarding onder 26 wordt gesteld, eerst op 14 september 2010 bekend is geraakt.
Onderdeel 2 is gericht zich tegen rov. 2.16:
“Er bestaat naar het oordeel van het hof geen grond om het bepaalde in art. 1:377 BW in verbinding met art. 73 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek en art. 1 van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw Burgerlijk Wetboek (twaalfde gedeelte) in casu buiten toepassing te laten op grond van de overweging dat de toepassing van die bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (…) zou zijn. Het huidige stelsel van verjaring is immers betrekkelijk kort geleden, na zorgvuldige èn herhaalde afweging van de voor- en nadelen van het stelsel tot stand gekomen (vgl. HR 3 november 1995, LJN: ZC1967, NJ 1998, 380 rechtsoverweging 3.4).”
Het onderdeel betoogt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het onderdeel heeft het hof daarmee miskend dat de vraag of toepassing van een objectieve verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, in een geval als het onderhavige met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moet worden beoordeeld. Zo het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting zou hebben gegeven, is zijn oordeel, nog steeds volgens het onderdeel, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, gelet op de navolgende, door de dochter aangevoerde omstandigheden, die het hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken, terwijl zij, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel kunnen leiden dat het beroep van [verweerder] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is:
(i) [verweerder] heeft het bestaan van de vorderingen opzettelijk verborgen gehouden, geen rekening en verantwoording afgelegd over het door hem gevoerde voogdijbewind en betwist nog altijd op inhoudelijke gronden tot uitkering aan [de dochter] verplicht te zijn;
(ii) [verweerder] heeft de KLM-uitkering niet, conform de beschikking van de kantonrechter, ten gunste van de dochter belegd maar heeft deze gelden zelf uitgegeven;
(iii) [verweerder] diende ermee rekening te houden dat hij op enig moment aansprakelijk zou worden gehouden voor het door hem gevoerde wanbeheer;
(iv) de aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn nadat het bestaan en de hoogte van de vorderingen aan het licht was gekomen.
Het onderdeel verwijst ter adstructie naar het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000 in de zaak tussen de erven Van Hese en de Koninklijke Schelde Groep. In die zaak overwoog de Hoge Raad als volgt:
“3.3.1 Het gaat in dit geding om de vraag of een vordering tot schadevergoeding nog geldend kan worden gemaakt in een geval dat zich hierdoor kenmerkt dat na de laatste blootstelling aan asbest meer dan dertig jaar zijn verstreken voordat het daardoor veroorzaakte mesothelioom is gediagnostiseerd.
Bij de beoordeling van deze vraag moet worden vooropgesteld dat op grond van art. 68a lid 1 in verbinding met art. 73 Ow NBW art. 3:310 van toepassing is. Zou de in het eerste lid van dat artikel neergelegde termijn van vijf jaar, die een aanvang neemt wanneer de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, gelden, dan zou dit meebrengen dat de rechtsvordering nog niet was verjaard. Deze termijn kan echter niet meer tot toepassing komen indien inmiddels de termijn van dertig jaren van art. 3:310 lid 2 is verstreken. Laatstbedoelde termijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden, het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij - waarbij in het bijzonder valt te denken aan de moeilijkheden die bij het loslaten van deze termijn voor deze kunnen ontstaan met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten - meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15801, NJ 1998, 380)NJ 1998, 380). Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in die bepaling bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken - hier: de blootstelling aan asbest - inderdaad tot schade - hier: de ziekte mesothelioom - zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.
Bij het voorgaande is mede van betekenis dat blijkens de parlementaire geschiedenis van de geldende verjaringsregeling als karakteristiek van de bevrijdende verjaring is genoemd het tenietgaan van een rechtsvordering, en dat niet blijkt dat de wetgever zich ook het geval voor ogen heeft gesteld waarin de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn is ontstaan, zodat de benadeelde in het geheel geen vordering tot schadevergoeding zou kunnen instellen: vóór het verstrijken van de termijn niet, omdat er toen nog geen schade was, en na het verstrijken van de termijn niet omdat toen de rechtsvordering verjaard was. Dit geval zou hierop neerkomen dat de verjaring het ontstaan van een rechtsvordering verhindert, en dat het daarna voorvallen van de schade niet meer dan een natuurlijke verbintenis in het leven roept.
Aantekening verdient hierbij dat, mede gelet op de overgangsrechtelijke complicaties in verband met de invoering van de nieuwe regeling met betrekking tot de verjaring op 1 januari 1992, van een benadeelde, als hij zich al ervan bewust is dat hij indertijd, vóór 1 januari 1992, asbestdeeltjes heeft ingeademd en dat de mogelijkheid bestaat dat na het verstrijken van de verjaringstermijn van dertig jaar dientengevolge een mesothelioom zal ontstaan, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij voordat de ziekte zich heeft geopenbaard ter bewaring van zijn rechten de verjaring stuit.
(…)
Of (…) toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld.
Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, vallen te noemen:
(a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en - mede in verband daarmede - of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
(b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
(c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
(e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
(f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
(g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.”
Het hof heeft verwezen naar een eerder arrest waarin de Hoge Raad als volgt overwoog:
“(…) Ongetwijfeld is het uit een oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te accepteren dat een vordering verjaart welke de schuldeiser niet geldend heeft kunnen maken wegens het voor hem verborgen karakter van zowel de schade als het causaal verband daarvan met een bepaalde gebeurtenis. Daar staat evenwel tegenover dat de rechtszekerheid - welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen - een vaste termijn eist en dat loslaten daarvan op de wijze als door het onderdeel bepleit, eveneens tot onbillijkheid kan leiden, ditmaal jegens de vermeende schuldenaar. Zoals de onderhavige zaak leert, zou de bepleite regel het immers mogelijk maken veel later dan dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aanlegger zijn vordering baseert, nog een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen, met alle daaraan verbonden, voor de hand liggende - en juist voor de verweerder klemmende - bezwaren alleen reeds met betrekking tot het vaststellen van de feiten en het beoordelen van de gemaakte verwijten. (…)”
In de geciteerde overweging benadrukte de Hoge Raad vooral de ratio van de verjaringsregeling, gelegen in rechtszekerheid en het voorkomen van onbillijkheden voor de schuldenaar, welke ratio naar haar aard steeds op gespannen voet staat met de individuele gerechtigheid voor de betrokken schuldeiser. De in cassatie bepleite uitzondering op de verjaringsregel van art. 2004 BW (oud), in die zin dat de verjaringstermijn van dertig jaar pas aanvangt op het moment waarop de schuldeiser bekend is geworden, althans bekend had moeten zijn met de voor het geldend maken van de vordering benodigde feiten, werd door de Hoge Raad verworpen, zowel met een beroep op de hiervoor bedoelde ratio als op het huidige art. 3:310 BW:
“(…) Aanvaarding van de door het onderdeel bepleite regel voor het oude recht zou ook niet stroken met het huidige recht ter zake van verjaring van rechtsvorderingen tot vergoeding van schade (art. 3:310 BW), zoals dat kort geleden, na zorgvuldige èn herhaalde afweging van de voor- en nadelen van het stelsel tot stand gekomen is (…). Het huidige recht bepaalt immers, kort gezegd, dat de vordering verjaart door verloop van vijf jaren nadat de schuldeiser de voor het instellen van zijn vordering benodigde wetenschap heeft gekregen, maar in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. (…)”
In het laatst geciteerde arrest van 3 november 1995 vormde de weloverwogen keuze van de wetgever voor het stelsel van art. 3:310 BW, waarin de verjaringstermijn van 20 jaren objectief is en niet afhankelijk is van de voor het instellen van de vordering benodigde wetenschap van de schuldeiser, voor de Hoge Raad een (extra) argument om niet als algemene regel te aanvaarden dat de in art. 2004 BW (oud) voorziene verjaringstermijn van 30 jaren eerst kan ingaan zodra de schuldeiser over de bedoelde informatie beschikt. Een dergelijke algemene regel is in de onderhavige zaak niet bepleit; in de onderhavige zaak is slechts bepleit dat toepassing van de verjaringsregel achterwege moet blijven als zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat het arrest van 3 november 1995 dit laatste niet uitsluit, blijkt uit het arrest Van Hese. Daarin heeft de Hoge Raad (in rov. 3.3.1) geen afstand van het arrest van 3 november 1995 genomen, maar daarnaar juist uitdrukkelijk verwezen en voorts beslist dat de tot terughoudendheid nopende ratio van de (in dat arrest aan de orde zijnde) verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW niet impliceert dat die termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Tegen die achtergrond is hetgeen het hof heeft overwogen ter weerlegging van het standpunt dat toepassing van art. 1:377 BW in samenhang met de betrokken bepalingen van de Overgangswet nieuw BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, niet concludent. In zoverre is de rechts- dan wel motiveringsklacht van het onderdeel op zichzelf gegrond.
Bij de klachten van het onderdeel zou de dochter echter onvoldoende belang hebben, als zich reeds aanstonds laat vaststellen dat de door haar aangevoerde omstandigheden niet een voldoende grondslag kunnen bieden om (in casu) art. 1:377 BW als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar buiten toepassing te laten.
In dat verband is van belang dat de Hoge Raad de in het arrest Van Hese geboden opening voor toepassing van art. 6:2 lid 2 BW heeft gereserveerd voor gevallen waarin de rechtsvordering pas geldend zou kunnen worden gemaakt nadat de verjaringstermijn reeds is verstreken, omdat de schade zich eerst nadien openbaart. Als in zulke gevallen de mogelijkheid zou ontbreken om de verjaring buiten toepassing te laten, zou dat ertoe leiden dat de rechtsvordering reeds is verjaard, voordat zij daadwerkelijk geldend kon worden gemaakt. Voor de door art. 6:2 lid 2 BW geboden opening achtte de Hoge Raad de aard van de schade (“naar haar aard verborgen”) kennelijk beslissend.
In de onderhavige zaak is naar haar aard verborgen schade niet aan de orde. Weliswaar speelt daarin volgens de dochter een rol dat [verweerder] het bestaan van zijn schuld of de opeisbaarheid daarvan opzettelijk voor haar verborgen heeft gehouden, maar dat leidt niet ertoe dat de vordering niet voor het intreden van de verjaring kan of althans kon worden gerealiseerd. In die omstandigheid voorziet immers art. 3:320 jo 3:321 lid 1 sub f BW, door de verjaringstermijn te verlengen tot zes maanden nadat de bedoelde omstandigheid is verdwenen. Het zou zich naar mijn mening niet met art. 3:320 jo 3:321 lid 1 sub f BW verdragen, indien de verjaringstermijn van art. 1:377 BW op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing wordt gelaten, in wezen op grond van het opzettelijk door [verweerder] voor de dochter verborgen houden van zijn schuld of de opeisbaarheid daarvan, en indien met voorbijgaan aan de termijn van zes maanden zoals voorzien in art. 3:320 BW wordt aangenomen dat - zoals het onderdeel suggereert - de aansprakelijkstelling door de dochter binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.
Ook de overige, door het onderdeel bedoelde omstandigheden, leiden niet tot een onmogelijkheid de vordering te realiseren voordat zij is verjaard, en kunnen, gelet op de ook in het arrest Van Hese door de Hoge Raad benadrukte terughoudendheid, het buiten toepassing laten van een (objectieve) verjaringstermijn als die van art. 1:377 BW niet dragen.
Om die reden ontbreekt een voldoende belang bij de klachten van het onderdeel.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal