“zij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 25 juni 2012 tot en met 4 juli 2012 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een (bedrijfs)pand, althans een gebouw (gelegen aan de [a-straat 1]), waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd.”
7. De Hoge Raad heeft op 18 november 2014 reeds arrest gewezen in de zaken tegen drie medeverdachten (14/01931 (ECLI:NL:HR:2014:3306), 13/05126 (ECLI:NL:HR:2014:3307) en 13/05129 (ECLI:NL:HR:2014:3308)), waarin telkens dezelfde overweging van het hof, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, in de cassatieprocedure aan de orde was. Kortheidshalve verwijs ik voor de overweging van het hof in deze zaak naar het citaat in voornoemde arresten (telkens onder 2.3).
8. De Hoge Raad oordeelde in de zaken tegen de medeverdachten:
“2.4 Aan de verdachte is overtreding van art. 138a Sr ten laste gelegd. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1729, geoordeeld dat indien de strafrechter bevindt dat een ontruiming op de voet van art. 551a Sv onrechtmatig is geweest, dit verzuim niet kan gelden als een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv naar de in de strafzaak aan de verdachte tenlastegelegde overtreding van art. 138a Sr. Daaruit volgt dat het Hof de gestelde onrechtmatige ontruiming ten onrechte heeft aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte moet leiden. Het middel klaagt daarover terecht.”
9. In de onderhavige zaak geldt hetzelfde, zodat het middel slaagt.
10. Ambtshalve wil ik nog het volgende opmerken. De verdachte heeft op 27 september 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn bij de Hoge Raad pas op 5 maart 2015 binnengekomen, waardoor de termijn die voor inzending geldt met ruim negen maanden is overschreden. Deze termijnoverschrijding behoeft thans geen bespreking, aangezien het tijdsverloop in deze zaak bij de nieuwe behandeling bij het gerechtshof eventueel aan de orde kan worden gesteld. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG