“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.445,85 (abusievelijk is op het voegingsformulier € 5487,65 gevorderd), te weten
- Immateriële schade € 750,00
- Materiële schade, bestaande uit:
1. Horloge € 119,90
2. Schoenen € 119,50
3. Legging € 45.00
4. Tas € 94,50
5. Jas € 659,95
6. Telefoon € 653,10
7. Belkosten € 480,00
8. Gederfde inkomsten € 2012, 80
9. Kosten rechtsbijstand € 143,00
10. Eigen risico € 369,00
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.063,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, met uitzondering van de opgevoerde belkosten (€ 480,00). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij te kennen gegeven deze kosten voor eigen rekening te nemen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van liet onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Het hof overweegt het volgende.
Het hof waardeert de immateriële schade op € 400,00. Voorts acht het hof het betaalde eigen risico tot een bedrag van € 360,00, de kosten van de telefoon € 653,10, alsmede de kosten voor rechtsbijstand € 143,00 voor toewijzing vatbaar. Voor wat betreft de gederfde inkomsten acht het hof billijk een bedrag van € 545,93 gelijk aan het salaris in de maand voorafgaand aan het incident. Het hof laat daarbij het nul-uren contract van [betrokkene] meewegen. Verdachte is tot vergoeding van bovenstaande schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
(…)
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.102,03 (tweeduizend honderdtwee euro en drie cent) bestaande uit € 1.702,03 (duizend zevenhonderdtwee euro en drie cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
(…)
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene], een bedrag te betalen van € 2.102,03 (tweeduizend honderdtwee euro en drie cent) bestaande uit € 1.702,03 (duizend zevenhonderdtwee euro en drie cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.
(…)
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”
18. Het middel behelst ten eerste de klacht dat de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe voert de steller van het middel aan dat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd aangezien een deskundigenverklaring met betrekking tot de psychische problemen als gevolg van dit delict ontbreekt én het slachtoffer bovendien pas na enige tijd hulp zou hebben gezocht waardoor “een causale relatie tussen het delict en de opgegeven schade uiterst dubieus is”.
19. Het ook in hoger beroep van toepassing zijnde art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. Deze beslissing dient alleen dan een bijzondere motivering te bevatten, indien door of namens de verdachte op enig punt een verweer is gevoerd dan wel wanneer de beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
20. Met het beroep op het ontbreken van een deskundige onderbouwing van de gevorderde vergoeding van psychische schade ziet de steller van het middel over het hoofd dat ter terechtzitting in hoger beroep door de voorzitter een brief is voorgehouden van de raadsman van de benadeelde partij van 30 oktober 2014, inhoudende onder meer een afschrift van een verklaring van de behandelend psycholoog van [betrokkene]. Uit dit document volgt dat voorlopig onder meer zijn gediagnostiseerd: een posttraumatische stress-stoornis alsook een eenmalige matige depressie.
21. Daarnaast heeft het hof in zijn bestreden oordeel vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. In dat oordeel ligt besloten dat ook de immateriële schade in de vorm van psychische klachten het (rechtstreekse) gevolg is van de mishandeling. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat, ondanks het aangevoerde tijdsverloop tussen het bewezenverklaarde en de start van de behandeling door een psycholoog enkele maanden later, de klachten het gevolg zijn van de mishandeling. In het licht van de door de benadeelde partij aangevoerde omstandigheden dat het enige tijd duurde voor zij een verwijzing kreeg en zij vervolgens opliep tegen een wachtlijst, is dat oordeel geenszins onbegrijpelijk. Dan laat ik nog daar dat psychische schade zich, anders dan lichamelijk letsel, niet altijd onmiddellijk openbaart, en enige tijd kan verstrijken voordat deze schade zich als zodanig manifesteert. De eerste klacht faalt dus om meer redenen.
22. Voorts klaagt de steller van het middel dat de (gedeeltelijke) toewijzing van de “gederfde inkomsten” als onderdeel van de materiële schade ontoereikend is gemotiveerd op de grond dat het causale verband noch het schadebedrag zijn onderbouwd.
23. Het hof heeft in zijn bestreden arrest weergegeven van oordeel te zijn dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden. In dat oordeel ligt besloten dat daartoe ook de materiële schade behoort. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk aangezien [betrokkene] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard in de maand januari vanwege de mishandeling slechts € 41,80 aan salaris te hebben ontvangen.
24. Daarnaast bevindt zich tussen de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken een voegingsformulier van de benadeelde partij. Dit formulier houdt als bijlage onder meer in een “nul-uren contract” tussen de Zorggroep Almere en [betrokkene] alsook een kopie van haar rekeningoverzicht waaruit blijkt dat zij de maand voorafgaand aan het bewezenverklaarde € 545,93 salaris ontving en in de maanden februari en maart 2014 na het incident € 41,80. Gelet op de omstandigheid dat de berekening van de gederfde inkomsten door het hof gebaseerd is op de door de benadeelde partij aangeleverde relevante stukken en haar ter terechtzitting afgelegde verklaring, acht ik de toewijzing geenszins onbegrijpelijk. In het licht van hetgeen door de verdediging te dien aanzien ter terechtzitting is aangevoerd, is dat oordeel voorts toereikend gemotiveerd. De klacht faalt.
25. Ten slotte betoogt de steller van het middel dat het hof de kosten van rechtsbijstand ten onrechte heeft vermeerderd met de wettelijke rente alsmede dat over deze kosten de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr is opgelegd. Aldus constateer ik dat het middel niet klaagt over de door het hof opgelegde vermeerdering met de wettelijke rente van het schadebedrag in zijn geheel, zonder dat deze door de benadeelde partij is gevorderd.
26. Ten aanzien van het eerste punt merk ik op dat het hof de kosten voor rechtsbijstand heeft betrokken in zijn vaststelling van het bedrag aan (materiële) schadevergoeding. Ingevolge art. 592a Sv had het hof omtrent die kosten een afzonderlijke beslissing moeten nemen, die ingevolge het bepaalde in art. 361, vijfde lid, Sv in samenhang met art. 415 Sv in het arrest dient te worden opgenomen. De aangevoerde klacht slaagt dan ook voor zover het hof vervolgens heeft bepaald dat de wettelijke rente over de materiële schade als geheel, waaronder de proceskosten, wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Het komt mij voor dat de bedoeling van het hof om de verdachte ook in de proceskosten te veroordelen duidelijk is geweest en dat de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid het aan de benadeelde partij toegewezen (materiële) schadebedrag kan splitsen in een (materiële) schadevergoeding van € 1559,03 en een kostenveroordeling van € 143,00 en de verdachte voorts kan verwijzen in deze door de benadeelde partij gemaakte kosten.
27. Het voorgaande heeft ook gevolgen voor de vaststelling van de schadevergoedingsmaatregel. Voor de toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten voor rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken. Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, Sr voorziene maatregel.
28. Aangezien het hof in het bestreden arrest over de materiële schade als geheel de maatregel van art. 36f, eerste lid, Sr heeft opgelegd, heeft het ook daarbij ten onrechte de proceskosten van de benadeelde partij in aanmerking genomen. Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het. Tot cassatie hoeft het voorgaande niet te leiden aangezien de Hoge Raad deze misslag kan herstellen door de onder 26 voorgestelde splitsing en verwijzing in de kosten.
29. Geen van de voorgestelde middelen behoeft mijns inziens tot cassatie te leiden.
30. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de toegewezen vordering van de benadeelde partij, tot splitsing van het door het hof toegekende bedrag aan materiële schadevergoeding en tot verwijzing van de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, een en ander overeenkomstig het hierboven opgemerkte, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG