3.1. Het bestreden vonnis houdt onder het opschrift “Op te leggen straf of maatregel” het volgende in:
“Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, met de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en met de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft onder invloed van alcoholhoudende drank een auto bestuurd en daarmee een botsing veroorzaakt. Toen hij een rijverbod opgelegd had gekregen is hij niettemin doorgereden. Dit zijn ernstige wegenverkeers-misdrijven, die in beginsel een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen. Ten nadele van de verdachte geldt dat hij reeds eerder is veroordeeld wegens dronken rijden en het in gevaar brengen van de veiligheid in het verkeer. Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden.
Het Hof zal de straf voorwaardelijk opleggen en hier een proeftijd van drie jaren aan verbinden, teneinde de verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan een strafbaar feit schuldig te maken, alsook om een kader te scheppen waarbinnen de verdachte een behandeling tegen alcoholmisbruik zal kunnen ondergaan. Het Hof acht dit zeer noodzakelijk, nu een eerdere veroordeling wegens een vergelijkbaar feit de verdachte er niet van heeft weerhouden weer de fout in te gaan. Voorts zal aan de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen onvoorwaardelijk ontzegd worden voor na te melden duur, nu hij als bestuurder wordt veroordeeld wegens misdrijven mét een motorrijtuig gepleegd. In het licht van de ernst van de feiten acht het Hof het door de verdachte aangevoerde persoonlijk belang om een motorvoertuig te mogen besturen, van onvoldoende gewicht.”
3.2. De aan de voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van twee maanden verbonden bijzondere voorwaarde, waaraan de verdachte zich gedurende de proeftijd van drie jaren dient te houden, heeft het hof als volgt geformuleerd:
“als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Sint Maarten, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht, ook als dat inhoudt dat de verdachte zich gedurende de proeftijd onder klinische dan wel ambulante (psycho-therapeutische) behandeling zal laten stellen, gericht op voorkoming van herhaling van de bewezen verklaarde of soortgelijke misdrijven, zoals behandeling door Turning Point”.
3.3. Geklaagd wordt dat de opgelegde bijzondere voorwaarde ontoelaatbaar is, omdat het hof het aan de reclassering heeft overgelaten of en zo ja hoe lang de verdachte ook klinisch zou moeten worden behandeld. Nu het gaat om vrijheidsbeneming dient de rechter over de opneming in een kliniek te beslissen en de duur van een dergelijke, intramurale behandeling vast te stellen. Dat mag niet aan de reclassering van Sint Maarten worden overgelaten, aldus de cassatieklacht.
3.4. De bijzondere voorwaarde is gebaseerd op art. Artikel 17c SrNA, zoals dat van toepassing was ten tijde van het bestreden arrest. Deze luidde, voor zover relevant in verband met het middel:
"1. Toepassing van artikel 17a geschiedt onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Bij de toepassing van artikel 17a kunnen voorts de volgende bijzonder voorwaarden worden gesteld:
(...)
b. opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging gedurende een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;
e. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen. ”
3.5. Voor wat betreft de opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging komt deze bepaling overeen met de Nederlandse regeling in art. 14c, lid 2 onder 2° Sr, zoals die tot 1 april 2012 luidde:
“2° opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging gedurende een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;”
3.6. Door de steller van het middel wordt gewezen op twee arresten van de Hoge Raad uit 1990 en 2001 waarin is bepaald dat de beslissing over de bijzondere voorwaarde tot opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging alsmede de duur ervan aan de rechter is voorbehouden en dat de rechter dit niet aan een reclasseringsinstelling mag overlaten. Dit uitgangspunt is in latere jurisprudentie door de Hoge Raad herhaald. In zijn arrest van 12 februari 2013 heeft de Hoge Raad daarin enige nuancering aangebracht. Het hof had in deze zaak als termijn voor de opneming van de veroordeelde in een klinisch forensische instelling de duur op twee jaren (overeenkomend met de duur van de proeftijd) bepaald, ‘of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering wenselijk achten’. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet onverenigbaar is met het bepaalde in de tekst van art. 14c (oud) Sr omdat, zo lees ik het arrest, de rechter in dit geval wel de noodzaak en de maximale duur van de vrijheidsbeneming had vastgesteld. In dit geval achtte de Hoge Raad het redelijk en praktisch dat de rechter het aan de behandelaars overlaat de duur te bekorten, als deze van oordeel zijn dat er op enig moment geen noodzaak meer is de volle termijn van de opneming die de rechter heeft bepaald te benutten. De veroordeelde wordt daarmee niet in zijn belangen geschaad.
3.7. Het laatstgenoemde arrest is ook van belang omdat ten tijde van de uitspraak art. 14c lid 2 onder 2° Sr was gewijzigd en de Hoge Raad in dit arrest aangeeft hoe hij tegen deze wijziging aankijkt. Sinds 1 april 2012 is in art. 14c lid 2 onder 10° Sr bepaald:
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(..)
10° opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;”
3.8. Wat opvalt is dat in deze bepaling, anders dan in art. 14c (oud) niet meer met zoveel woorden staat dat de rechter de termijn van de opneming dient vast te stellen. Dit staat ook niet meer in de thans geldende wetgeving van Sint Maarten, waarin art. 17c SrNA, sub b, met ingang van 30 mei 2015 is vervangen door art. 1:21, lid 2, sub g SrNA:
“2. Bij toepassing van artikel 1:19 kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(…)
g. opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging;”
3.9. In zijn arrest van 12 februari 2013 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van deze wetswijziging, AG Vegter in zijn conclusie volgend, in een overweging ten overvloede opgemerkt dat hij zijn rechtspraak over art. 14c (oud) Sr, wat de noodzaak van de opneming en het bepalen van de termijn door de rechter betreft, ook van toepassing acht op het sedert 1 april 2012 geldende art. 14c Sr. Dus ook al staat dat in het tweede lid onder 10° van art. 14c Sr niet meer uitdrukkelijk vermeld, de Hoge Raad houdt eraan vast dat alleen de rechter deze bijzondere voorwaarde mag opleggen en hierbij de termijn ervan dient vast te stellen. Dat lijkt mij ook terecht omdat de achterliggende ratio hiervan is dat vrijheidsbeneming dermate ingrijpend is voor de betrokkene, dat het aan de rechter is om te bepalen of de voorwaarde noodzakelijk is en hoe lang deze (maximaal) kan duren. Dat de rechter de zorginstelling, c.q. de inrichting ter verpleging in samenspraak met de reclasseringsinstelling ruimte kan geven de opneming te bekorten, is met het rechtsbeschermende karakter van de bepaling goed te verenigen. Hierdoor kan de vrijheidsbeneming immers alleen maar worden bekort. De voorwaarde blijft dat het de rechter is, die de bandbreedte vaststelt.
3.10. Dan de zaak waar het nu in cassatie om gaat. Het hof heeft in zijn vonnis zoals hiervoor onder 3.2. aangehaald, als bijzondere voorwaarden opgenomen dat de verdachte zich zal houden aan:
“de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Sint Maarten, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht, ook als dat inhoudt dat de verdachte zich gedurende de proeftijd onder klinische dan wel ambulante (psycho-therapeutische) behandeling zal laten stellen”
3.11. Met de steller van het middel maak ik hieruit op dat het hof met ‘klinische behandeling’ een opneming ter verpleging in een inrichting heeft bedoeld en dat het hof zowel de noodzaak van een dergelijke opneming als de duur ervan aan de Reclassering Sint Maarten heeft overgelaten. Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie zijn beide beslissingen voorbehouden aan de rechter en is dit door het hof miskend.
3.12. Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de oplegging van de straf en de maatregelen en tot terugwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG