ECLI:NL:PHR:2016:999

ECLI:NL:PHR:2016:999, Parket bij de Hoge Raad, 15-09-2016, 16/03258

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-09-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/03258
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:2581
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001860

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Weigering toelating schuldsaneringsregeling. Aflossing financiering pilotenopleiding; niet gebleken dat verzoeker niet in staat is aan zijn financiële verplichten te voldoen.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1

Het elf paragrafen tellende onderdeel 1 bevat meerdere klachten.

De eerste klacht treft men aan in de paragrafen 5 en 6. Daar wordt er over geklaagd dat het hof ten onrechte verzoeker verwijt dat hij onder de door hem gemelde omstandig-heden toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht. Dit is volgens de klacht onterecht, omdat “iedere burger het recht [heeft] zich te wenden tot de rechterlijke instanties”. De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof maakt verzoeker niet een verwijt ervan dat hij zich tot de rechter heeft gewend met een verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Het hof doet niet meer dan na een onderzoek dienaangaande beslissen nemen dat het verzoek van verzoeker niet toewijsbaar is omdat de daarvoor aangevoerde grond niet opgaat. De klacht faalt dus.

Indien in paragraaf 7 beoogd wordt er over te klagen dat het hof heeft miskend dat verzoeker met het doen van een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling niet hoefde te wachten totdat hij daadwerkelijk niet in staat was zijn schulden te voldoen, dan faalt ook die klacht wegens gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld als wordt verondersteld.

Na vermelding in de paragrafen 9 en 10 van twee stellingen van verzoeker, volgen in paragraaf 11 klachten die reeds niet slagen omdat de portee van die klachten niet goed valt te onderkennen.

In verband met de in paragraaf 11 opgenomen klachten wordt volledigheidshalve nog het volgende opgemerkt.

Het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door voor de afwijzing van het verzoek van verzoeker tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mede in aanmerking te nemen dat er naar zijn oordeel nog ruimte is voor onderhandelingen tussen verzoeker en ABN AMRO voor het treffen van een regeling inzake de schuld aan de bank. Die omstandigheid is mede van belang voor de beoordeling of redelijkerwijs valt te voorzien dat verzoeker zijn schulden niet meer zal kunnen voldoen.

Anders dan lijkt te worden betoogd, is het verzoek van verzoeker om toelating tot de schuld-saneringsregeling niet ingevolge artikel 288 lid 1 sub a Fw reeds toewijsbaar, indien verzoeker zelf op grond van door hem aangevoerde omstandigheden van mening is dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. De aanwezigheid van die situatie dient door de rechter uit objectieve feiten en omstandigheden te worden afgeleid. Dat volgt uit de eis in artikel 284 lid 1 sub a Fw dat het niet kunnen voortgaan met het betalen van schulden redelijkerwijs is te voorzien. Aan die eis doet artikel 288 lid 1 sub a Fw geen afbreuk.()

Onderdeel 2

Onderdeel 2 bevat de klacht dat het hof niet is ingegaan op de stelling (grief) van verzoeker aan het slot van het verzoekschrift in hoger beroep, dat “er ten tijde van de behandeling van dit verzoekschrift geen sprake zal zijn van een tekortkoming” en er (daarom) “geen reden [is] om het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af te wijzen.” Ook deze klacht faalt. Allereerst rijst de vraag wat voor grief de stelling inhoudt. Maar los daarvan, met de klacht wordt miskend wat de oordeelsvorming van het hof heeft ingehouden. Het hof had in eerste instantie te beoordelen of zich feiten en omstandigheden voordoen waaruit zou kunnen worden geconcludeerd ofwel dat verzoeker verkeert in een toestand van hebben opgehouden te betalen, ofwel dat redelijkerwijs te voorzien is dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Het hof komt tot de conclusie dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken. Op die grond kon het hof het verzoek van verzoeker al afwijzen. Aan de vraag of er aan de zijde van verzoeker sprake is van een ‘tekortkoming’ kwam het hof niet toe.

De slotsom van het vorenstaande is dat alle aangevoerde klachten geen doel treffen. Dat is gelet op het vorenstaande zodanig klaarblijkelijk, dat zij geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

(A-G)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?