3.1. Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming van een auto op de voet van art. 94 Sv, ten aanzien waarvan de klager stelt dat zijn zoon daarvan de eigenaar is. Op 2 juli 2016 is de auto inbeslaggenomen onder (o.m.) de ex-partner en de dochter van de klager, aan wie de klager zijn auto zou hebben uitgeleend en die de auto vermoedelijk gebruikten bij de uitvoering van zogenaamde ‘babbeltrucs’ en diefstallen. Op 1 augustus 2016 heeft de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a lid 1 Sv ingediend, strekkende tot teruggave van de inbeslaggenomen auto aan hem. Het klaagschrift is door de rechtbank op 21 september 2016 behandeld in raadkamer, waarna de rechtbank op 5 oktober 2016 de bestreden beschikking heeft gegeven waarbij het beklag ongegrond is verklaard.
3.2. Blijkens de beschikking van de rechtbank en het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat de inbeslaggenomen auto inmiddels vanwege hoge stallingskosten en de geringe waarde daarvan (de auto is geschat op een waarde van € 450,-) is vernietigd. De klager en zijn raadsvrouw hebben aangevoerd dat zij het treurig vinden dat de auto is vernietigd en zij wensen een bedrag uitgekeerd te krijgen gelijk aan de waarde van de vernietigde auto. Voorts is op een uitdraai uit het beslagportaal betreffende de auto vermeld als huidige status: “5. Afgedaan door KBH/WME” en als reden van afdoening: “Afgegeven iov hOvJ door OA”. Dit betekent volgens de bij het beslagportaal behorende toelichting dat het inbeslaggenomen voorwerp niet meer aanwezig is “in het beslaghuis” en dat het beslag is afgedaan. Heel erg veel wijzer wordt men van deze vermeldingen in het beslagportaal niet, maar in combinatie met de mededelingen van de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer (waaruit kan worden afgeleid dat de vernietiging met instemming van het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden en is geschied in overeenstemming met het bepaalde in art. 117 lid 2 en onder b Sv in verbinding met art. 10 lid 3 onder 1° Besluit inbeslaggenomen voorwerpen) is er mijns inziens in cassatie voldoende grond om aan te nemen dat de auto met machtiging van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 117 lid 1 Sv is vernietigd.
3.3. De van toepassing zijnde artikelen luiden - voor zover van belang - als volgt:
Art. 117 Sv:
“1. De inbeslaggenomen voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd, tenzij na verkregen machtiging.
2. De in het eerste lid bedoelde machtiging kan door het openbaar ministerie worden verleend ten aanzien van voorwerpen
a. die niet geschikt zijn voor opslag;
b. waarvan de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde;
c. die vervangbaar zijn en waarvan de tegenwaarde op eenvoudige wijze kan worden bepaald.
Ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt slechts machtiging tot vernietiging verleend.
(...)
4. Indien de inbeslaggenomen voorwerpen op grond van de machtiging van het openbaar ministerie tegen baat worden vervreemd, blijft het beslag, onverminderd het bepaalde in artikel 116, rusten op de verkregen opbrengst.
(...).”
Art. 134 lid 2 Sv:
“Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
(…)
c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
(…).”
3.4. Het voorgaande betekent dat het beslag op de personenauto op grond van art. 134 lid 2 en onder c Sv reeds was beëindigd - doordat de machtiging als bedoeld in art. 117 Sv is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd - ten tijde van de behandeling van en de beslissing op het klaagschrift. Een en ander brengt mee dat de rechtbank de klager niet-ontvankelijk had behoren te verklaren in zijn beklag. Om die reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven en zal de klager alsnog niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn beklag.
3.5. Met betrekking tot de verzochte schadevergoeding voor zover de auto is vernietigd, wil ik opmerken dat, mochten de verdachten in de onderliggende strafzaak vervolgd worden, het voorgaande er niet aan in de weg staat dat de strafrechter later, indien hij de auto niet verbeurdverklaart, ingevolge art. 353 Sv een beslissing omtrent het inbeslaggenomen voorwerp dient te geven en dat dan, indien alsnog de teruggave zou worden bevolen en deze, zoals in een geval als het onderhavige, feitelijk niet meer mogelijk is, art. 119 lid 2 Sv van overeenkomstige toepassing is.
4. Het vorenstaande brengt mee dat het middel geen bespreking behoeft.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking vernietigt en de klager alsnog niet-ontvankelijk verklaart in zijn beklag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG