6. Het eerste middel rechtvaardigt derhalve geen behandeling in cassatie.
7. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop heeft aangenomen in plaats van eendaadse samenloop of voortgezette handeling, waardoor de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging onvoldoende zijn gemotiveerd.
8. In de toelichting op het middel betoogt de steller dat het hof de verdachte aldus heeft veroordeeld voor voorbereidingshandelingen “die moeten worden geacht te zijn geconsumeerd door de veroordeling wegens het voltooide feit van het invoeren van een hoeveelheid cocaïne”. Een en ander brengt de steller van het middel tot het oordeel dat het hof toepassing had moeten geven aan eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr of aan voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr.
9. In aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaringen en de door het hof gebezigde bewijsvoering volgt dat het — kort gezegd — bij de invoer van de 278 kilo cocaïne en het verdere vervoer op 26 november 2014 te Rotterdam gaat om een uit het oogpunt van art. 1, vierde lid, Opiumwet bedoelde voorbereidingshandeling die te rubriceren is onder het “binnen het grondgebied brengen” zoals bedoeld in onder meer art. 2 Opiumwet, is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof de invoer en het verdere vervoer als meerdaadse, en niet als eendaadse samenloop heeft aangemerkt. In zoverre slaagt het middel.
10. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden, aangezien gelet op de in geval van art. 55, eerste lid, Sr respectievelijk art. 57, eerste lid, Sr toepasselijke strafmaxima en de in het onderhavige geval opgelegde straf bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, het belang van de verdachte bij een cassatieberoep ontbreekt. De enkele stelling dat de meervoudige kwalificaties in verdachte’s justitiële documentatie tot een negatief oordeel kunnen leiden bij een antecedentenonderzoek, is daartoe ongenoegzaam. De samenloopregeling beoogt immers enkel cumulatie van straftoemeting tegen te gaan.
11. Ook het tweede middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
12. Het derde middel waarin met een beroep op art. 6 EVRM wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke (inzend)termijn in cassatie, behoeft ondanks de daartoe aangevoerde argumenten, gezien het lot van de eerste twee middelen geen bespreking.
13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG