ECLI:NL:PHR:2018:22

ECLI:NL:PHR:2018:22, Parket bij de Hoge Raad, 23-01-2018, 16/00270

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 23-01-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/00270
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:227
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903

Samenvatting

CAG. Onvoldoende belang bij klacht over ontbreken proces-verbaal raadkamerbehandeling die ten grondslag lag aan tussenbeschikking. Overige klachten rechtvaardigen evenmin behandeling in cassatie. 80a RO.

Uitspraak

4. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van strijd met fundamentele beginselen van het strafprocesrecht.

Nog afgezien van het feit dat ik anders dan de steller van het middel de aangehaalde uitlatingen van de Belgische onderzoeksrechter niet bepaald aanmerk als strijdig met de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM, betreft het hier sterk een geval van ‘napleiten’ tegen deugdelijke overwegingen van de rechtbank. Het bestreden oordeel van de rechtbank, uiteengezet op pag. 3 van de beschikking, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt evident.

5. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, althans de beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd (vgl. HR 3 januari 2012, LJN: BU2053).

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de processtukken en het verhandelde in raadkamer niet gebleken dat de inbeslaggenomen geldbedragen aan klager toebehoren.

Daartoe overweegt de rechtbank dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de aangetroffen geldbedragen in de woning van klager - gelet op hetgeen is gesteld in het (aanvullend) rechtshulpverzoek en de mail van de Belgische onderzoeksrechter Doyen van 7 december 2015 - gerelateerd kunnen worden aan geld dat verdiend is met de handel in verdovende middelen. Nu er diverse contante geldbedragen op verschillende plekken in de woning zijn aangetroffen, heeft klager naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de geldbedragen uitsluitend aan hem toebehoren en niet aan zijn zoon c.q. de verdachte, die ook in de woning verbleef en daar ook is aangehouden. Er is sprake van één gezamenlijke huishouding, zodat vermenging van (geld)vermogen niet kan worden uitgesloten. Bovendien heeft klager ook geen onderbouwing gegeven van het feit dat de contante geldbedragen aan hem toebehoren, bijv. door overlegging van afschriften van bankopnames o.i.d. Het enkele feit dat de geldbedragen waarvan klager de teruggave vraagt in de ouderlijke slaapkamer zijn aangetroffen, dan wel dat er sprake is van een geldbedrag in Marokkaanse Dirhams, doet hieraan niet af.

On deze redenen is de rechtbank van oordeel - mede tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 33a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht - dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de Belgische strafrechter, later in de strafzaak tegen de zoon van klager als verdachte oordelend, de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen zal bevelen.

Mitsdien verzet het belang van de strafvordering zich tegen de teruggave van het inbeslaggenomene.

Het beklag is derhalve ongegrond.

Beschikking

De rechtbank:

Verklaart het beklag ongegrond.”

Voor zover het middel stelt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, te weten of de klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt en in plaats daarvan had moeten beslissen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt mist het belang, aangezien de in het middel aangedragen maatstaf strenger is. Voorts mist het middel enige vorm van onderbouwing waaruit kan blijken dat de door de rechtbank gehanteerde maatstaf een andere zou moeten zijn. Tenslotte bestrijdt het middel het oordeel van de rechtbank op dit punt louter met stellingen van feitelijke aard, voor de beoordeling waarvan in cassatie geen plaats is.

Het middel faalt evident.

6. Het aanvullende middel ontbeert voldoende belang in cassatie en de beide oorspronkelijk ingediende middelen falen evident. De zaak leent zich daarmee voor toepassing van art. 80a RO.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?