ECLI:NL:PHR:2018:377

ECLI:NL:PHR:2018:377, Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2018, 16/03530

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-01-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/03530
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:507
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

1. HR komt terug op gewoonteregel m.b.t. ambtshalve beperking cassatieberoep. 2. Witwassen, art. 420bis.1.b Sr. Geldbedrag uit misdrijf afkomstig? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:CA1610 m.b.t omvang van het beroep in cassatie tegen uitspraken in strafzaken. HR oordeelt dat in dit arrest genoemde gewoonteregel, op grond waarvan HR in zaken met meerdere, cumulatief tlgd. feiten door verdachte zonder enige beperking ingesteld beroep in cassatie ambtshalve pleegt te beperken tot - naar de kern bezien - verdachte belastende beslissingen, heroverweging behoeft. Uit achterwege blijven gebruik bevoegdheden tot instelling cassatieberoep tegen gedeelte uitspraak of (gedeeltelijke) intrekking beroep leidt HR voortaan af dat niet beperken beroep berust op weloverwogen keuze en dat hij zich zonder onderzoek dat voormelde gewoonteregel met zich brengt uit te voeren, kan concentreren op beslissingen waartegen cassatieschriftuur zich keert, met dien verstande dat HR die gewoonteregel nog wel toepast in zaken waarin schriftuur is ingediend vóór 1 juli 2018. Dit brengt geen verandering in op art. 427 Sv gebaseerde beoordeling van ontvankelijkheid van zonder beperking ingesteld cassatieberoep in gevallen als in ECLI:NL:HR:2006:AV2354 m.b.t. bijzondere gevallen waarin primair een misdrijf en subsidiair een overtreding is tenlastegelegd en cassatieberoep o.g.v. art. 427.2 Sv n-o wordt verklaard. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat vastgestelde f&o vermoeden rechtvaardigen dat geldbedrag van € 13.451,81 dat verdachte voorhanden heeft gehad uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van haar mag worden verlangd dat zij concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor herkomst geld geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. ’s Hofs oordeel dat verdachte zodanige verklaring niet heeft gegeven is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat namens verdachte onder overlegging van bescheiden is aangevoerd dat zij in periode 2003-2007 geldbedragen van in totaal € 13.451,81 heeft ontvangen t.z.v. uitgekeerde schadevergoedingen en verzekeringsgelden. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met ECLI:NL:HR:2018:385 (geen middelen ingediend).

Uitspraak

37. Het tweede middel komt op tegen de bewijsconstructie van feit 2.

38. Het hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij:

“in de periode van 20 januari 2005 tot en met 17 januari 2009 te Purmerend, in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers heeft zij, verdachte, telkens

- in het door haar ingevulde en ondertekende inlichtingenformulier en de jaarlijkse heronderzoeksformulieren en de halfjaarlijkse rechtmatigheidsformulieren nagelaten en/of verzuimd te vermelden dat zij, verdachte, bezittingen/vermogen bezat en

- nimmer uit eigen beweging kenbaar gemaakt aan de afdeling Werk & Welzijn dat zij, verdachte, bezittingen/vermogen bezat;”

39. Het hof heeft in de aanvulling op het verkort arrest inzake de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van feit 2 berust, overwogen dat het de bewijsmiddelen ‘zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep’ onder de nummers 15 tot en met 19 overneemt. Deze bewijsmiddelen luiden, met weglating van verwijzingen, als volgt:

‘15. Het proces-verbaal van aangifte (…), onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - de door aangever [betrokkene 9] op 11 februari 2009 ten overstaan van sociaal rechercheur en buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 6] afgelegde verklaring:

Ik doe hierbij aangifte van vermoedelijk gepleegde uitkeringsfraude contra [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] , wonende [a-straat 1] te Purmerend. Uit het uitkeringsbestand van de afdeling Werk & Welzijn te Purmerend is gebleken dat [verdachte] een WWB-uitkering heeft genoten naar de norm van een alleenstaande, met een toeslag van 20% over de periode van 20 januari 2005 tot en met 31 december 2008. Om in aanmerking te komen voor een uitkering krachtens de WWB moest zij de volgende formulieren invullen:

- Inlichtingenformulieren

- Jaarlijkse heronderzoeksformulieren

- Halfjaarlijkse rechtmatigheidsformulieren

Op die formulieren wordt onder meer gevraagd naar genoten inkomsten en bezittingen. Naast invulling en ondertekening van alle voornoemde formulieren is [verdachte] op grond van de WWB verplicht om al datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of de voorzetting van verleende bijstand melding te maken.

Uit een door de sociale recherche ingesteld onderzoek is gebleken dat [verdachte] in de periode van 20 januari 2005 tot 17 januari 2009 niet heeft opgegeven dat zij over een aanzienlijk vermogen van circa € 350.000,-, beschikte.

16. Een geschrift, zijnde het inlichtingenformulier voor aanvraag bijstand, gedateerd 22 februari 2005 en ondertekend door de aanvrager [verdachte] (…):

9. Bezittingen en schulden (…):

- girorekening met nummer [001] , saldo € 103,39 negatief

- bankrekening met nummer [002] , saldo € 7.007,61 negatief

- Suzuki sedan met kenteken [CC-00-DD] , bouwjaar 1995, waarde circa € 800,00.

17. Geschriften, zijnde heronderzoeksformulieren, gedateerd respectievelijk 3 april 2006 en 16 juni 2007 en ondertekend door [verdachte] (…):

Bezittingen:

- girorekening met nummer [001]

- auto met kenteken [CC-00-DD] , bouwjaar 1995, waarde € 450,00

18. Geschriften, zijnde rechtmatigheidsformulieren, gedateerd 22 februari 2005, 31 juli 2005, 30 januari 2006, 3 augustus 2006, 31 januari 2007, 27 juli 2007, 24 januari 2008 en 28 juli 2008 en ondertekend door [verdachte] (…):

13. Heeft u nog andere mededelingen welke van belang kunnen zijn voor het verstrekken van uw uitkering?

Op de eerste zeven formulieren is deze vraag niet ingevuld. Op het formulier van 28 juli 2008 is bij deze vraag ingevuld: neen.

19. Het proces-verbaal van verhoor (…) onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - de door verdachte op 29 januari 2009 ten overstaan van sociaal rechercheurs en tevens buitengewoon opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 6] afgelegde verklaring:

Ik herken de getoonde formulieren en ik herken de handtekening die erop staat als de mijne.”

40. Voorts heeft het hof in het arrest onder het kopje ‘Bespreking van gevoerde verweren’ enkele passages opgenomen die bewijsverweren en de bewezenverklaring ter zake van het als feit 2 tenlastegelegde betreffen:

Ten aanzien van het de verdachte onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat veel van de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen niet van de verdachte zijn, maar van haar kinderen. Derhalve meende de verdachte dat zij dat vermogen niet hoefde op te geven bij DWI. De voorwerpen die de verdachte daadwerkelijk toebehoren overstijgen niet het bedrag dat de verdachte gerechtigd is als eigen vermogen naast haar uitkering te hebben. Derhalve is er geen sprake van het opzettelijk nalaten van het verstrekken van de benodigde gegevens en dient de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

(…)

Ten aanzien van het de verdachte onder 2 ten laste gelegde overweegt het hof dat de aanwezigheid van goud en (grote) contante geldbedragen in de woning van de verdachte de veronderstelling rechtvaardigt dat dit goud en deze contante geldbedragen bestanddelen vormen van het vermogen waarover de verdachte beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. De waarde van het onder 1 bewezen verklaarde in de woning van de verdachte aangetroffen vermogen ligt ruimschoots boven de destijds voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen. Gezien de omvang van het vermogen en de bewijsoverweging bij het onder 1 ten laste gelegde kan worden aangenomen dat het vermogen ook al aanwezig was op 20 januari 2005, hetgeen inhoudt dat de verdachte over de gehele ten laste gelegde periode geen recht had op bijstand. Op de vraag of de verdachte de formulieren altijd naar waarheid heeft ingevuld, heeft de verdachte een beroep gedaan op haar zwijgrecht. De verdachte heeft tijdens haar verhoor door de sociaal rechercheurs onder meer verklaard dat zij de aan haar getoonde formulieren herkent en dat zij de handtekening die erop staat herkent als de hare. Door op elk van eerdergenoemde formulieren geen melding te maken van het vermogen heeft de verdachte zichzelf bevoordeeld. Derhalve verwerpt het hof het door de raadsvrouw gevoerde verweer.”

41. De steller van het middel voert blijkens de toelichting aan dat uit de op dit feit betrekking hebbende bewijsmiddelen niet direct kan volgen dat en (zo ja) welk bezit de verdachte in deze periode heeft gehad. Die klacht berust kennelijk op het standpunt dat het hof, net als de rechtbank, de bewijsmiddelen per feit heeft opgenomen. De aanvulling op het verkort arrest laat mogelijk ook een andere lezing toe. In de aanvulling houdende de bewijsmiddelen is aangegeven dat de bewijsmiddelen – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd zijn tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. Daarin kan gelezen worden dat het hof de bewijsmiddelen die de rechtbank in de aanvulling verkort vonnis per feit heeft gerubriceerd, tevens aan de bewezenverklaring van andere feiten ten grondslag legt in zoverre zij die bewezenverklaring ondersteunen. Mij komt het voor dat deze lezing het meest voor de hand ligt, nu de aangehaalde zin er van uit gaat dat een bewijsmiddel aan meer ‘feiten’ ten grondslag kan liggen.

42. Indien dat het hof niet voor ogen heeft gestaan , wijst het middel naar het mij voorkomt op een kennelijke misslag die zich in cassatie recht laat zetten. Uit de bewezenverklaring van feit 1 en de bewijsmiddelen die aan die bewezenverklaring ten grondslag zijn gelegd, laat zich eenvoudig afleiden welke bezittingen de verdachte naar het oordeel van het hof heeft verzwegen. Uw Raad kan deze misslag, bij deze lezing, herstellen door te overwegen dat het hof blijkens de in het voorgaande geciteerde bewijsoverweging de bewezenverklaring van feit 2 kennelijk mede heeft doen steunen op de bewijsmiddelen bij feit 1.

43. Uit de bewijsmiddelen ter zake van feit 1 kan niet volgen dat de verdachte over een vermogen van € 350.000,- beschikte. Die in bewijsmiddel 15 getrokken conclusie lijkt mede gebaseerd te zijn op het bedrag van € 98.750,- waar het hof de verdachte van heeft vrijgesproken. Indien de bewezenverklaring van feit 2 evenwel mede steunt op de bewijsmiddelen inzake feit 1, is de bewezenverklaring ook met weglating van de laatste zin van bewijsmiddel 15 toereikend gemotiveerd.

44. De steller van het middel betwist voorts de juistheid van het oordeel van het hof dat de bij de verdachte in de woning in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte en niet aan anderen toebehoorden. In samenhang daarmee betwist de steller, zo begrijp ik, het oordeel van het hof dat het vermogen van de verdachte de grens van het bedrag dat zij gerechtigd was te hebben naast haar eigen uitkering overschrijdt. De steller verzoekt daarbij passages van het eerste middel als herhaald en ingelast te beschouwen.

45. Uit de bespreking van het eerste middel volgt naar mijn mening genoegzaam dat de verdachte over een vermogen beschikte waar zij op grond van art. 17 Wet Werk en Bijstand melding van had moeten maken. Ingevolge art. 34 Wet Werk en Bijstand zoals dat luidde toen het in 2003 in werking trad, was de vermogensgrens € 4975,- voor een alleenstaande en € 9950,- voor een alleenstaande ouder en voor gehuwden tezamen. Daarbij kan ook nog worden betrokken dat de € 13.451, 81 die de verdachte tussen 2003 en 2007 aan verzekeringsuitkering en schadevergoedingen heeft gekregen, in zoverre dat bedrag inderdaad (in euro’s) door de verdachte bewaard zou zijn, tot haar vermogen is blijven behoren en had moeten worden opgegeven.

46. Het tweede middel faalt.

47. Het derde middel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 3.

“op 17 januari 2009 te Purmerend, opzettelijk 3 bankbiljetten van vijftig euro (voorzien van de nummers […] ), waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen zij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.”
“Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde kan ik opmerken dat als de notitie met betrekking tot het bedrag van € 210,00 in mijn agenda is aangetroffen, ik het woord ‘Bankoe’ wel zal hebben geschreven. Ik weet nu wel dat ‘Bankoe’ een biljet van € 50,00 is.”

48. Het hof heeft onder 3 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat zij:

49. Het hof heeft in de aanvulling op het verkort arrest inzake de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van feit 3 berust, overwogen dat het de bewijsmiddelen ‘zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep’ onder de nummers 25 tot en met 30 overneemt. Deze bewijsmiddelen luiden, met weglating van verwijzingen, als volgt:

“25. Het proces-verbaal betreffende aantreffen valse bankbiljetten in auto (…), gedateerd 3 december 2010, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :

Bij de doorzoeking op 17 januari 2009 in de woning aan de [a-straat 1] te Purmerend werd de sleutel van de personenauto met het kenteken [AA-00-BB] , merk Kia, type Rio, kleur grijs gevonden. Deze auto bleek ter hoogte van de woning aan de [a-straat 1] te Purmerend geparkeerd te staan. In de auto werd een enveloppe met 3 bankbiljetten van 50 euro aangetroffen. Deze bankbiljetten waren voorzien van de registratienummers […] . Deze biljetten werden geregistreerd met de vindplaats code 02.02.K02.

Uit de gegevens van de RDW bleek dat de auto sinds 18 juli 2006 op naam stond van [betrokkene 4] .

Uit het ingestelde onderzoek blijkt dat dit voertuig geruime tijd werd gebruikt door verdachte.

Uit het onderzoek van de Forensische Recherche bleek dat de 3 biljetten van € 50 vals waren.

26. Het proces-verbaal van verhoor (…) onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - de door verdachte op 8 mei 2009 ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 1] afgelegde verklaring:

Ik gebruikte de Kia in de periode dat de doorzoeking was. Ik rijd er al gedurende acht maanden in. Alles wat in de auto lag, is van mij.

27. Het proces-verbaal met bijlagen (…), gedateerd 17 februari 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven - de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 17 januari 2009 is op de vloer van de woonkamer van de woning [a-straat 1] te Purmerend in beslag genomen:

Code 02.02. G. 01

Agenda 2009 Nationale Postcodeloterij

De agenda staat op naam van verdachte.

Op 14 februari 2009 staat in de agenda geschreven: € 210,- aan [betrokkene 1] betaald voor Bankoe.

28. Het proces-verbaal (…), gedateerd 6 december 2010, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven - de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :

Het woord “BANKOE" is straattaal voor een biljet van 50.

29. Het proces-verbaal met bijlagen (…), gedateerd 17 februari 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven - de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 17 januari 2009 is door de rechter-commissaris in de woning [a-straat 1] te Purmerend op de zitbank in de woonkamer in beslag genomen:

Code 01.02.E.02

Blauw notitieboekje met geld 4 x 50 euro

In het notitieboekje is vermeld:

10 = 210 x 500 = 290 = 250

10 = 210 x 250 = 290 = 250

15 = 315 x 750 = 435 = 400

22 = 462 x 1100 = 638 = 600

1197 1500

30. Het proces-verbaal onderzoek falsificaat, gedateerd 2 juli 2009, inhoudende - zakelijk weergegeven - de bevindingen van brigadier forensisch rechercheur politie [verbalisant 8] (…);

Op 27 mei 2009 ontving ik 34 valse bankbiljetten van 50 euro met de volgende serienummers:

4 x S80342046710

1 x U37597526455

9 x U77948546774.

2 x X24702576615.

2 xX24702576619.

4 x X26195726I63.

4 x X26195726169.

1 XX42562574640.

4 x X42562574642.

3 x P02183J94369.

Zaaknummer 09-003864.

31 van deze falsificaten staan als zijde vals gesignaleerd onder het Europese indicatief: EUA50P5.

Door mij werden aan alle 34 bankbiljetten de volgende kenmerken van valsheid gevonden:

- het ontbreken van het originele watermerk in het papier;

- het ontbreken van de originele vezelminutering in het papier;

- het ontbreken van de originele veiligheidsdraad in het papier;

- de afwijkende gebruikte druk/reproductietechnieken;

- het ontbreken van de overige echtheidskenmerken.”

50. In de aanvulling houdende de bewijsmiddelen van het hof is, in aanvulling op deze bewijsmiddelen, nog verdachtes verklaring opgenomen die zij heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2016. Die verklaring luidt, voor zover van belang:

51. Voorts heeft het hof in het arrest onder het kopje ‘Bespreking van gevoerde verweren’ enkele passages opgenomen die bewijsverweren en de bewezenverklaring ter zake van het als feit 3 ten laste gelegde betreffen:

“Ten aanzien van het de verdachte onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat op de camerabeelden niet is te zien dat de verdachte een vals € 50,00 biljet uitgeeft. Indien kan worden vastgesteld dat verdachte ’s zoon en dochter wel met een vals € 50,00 biljet hebben betaald, dan kan niet worden bewezen dat zij dit tezamen en in vereniging met de verdachte hebben gedaan. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het uitgeven van vals geld.

Met betrekking tot het voorhanden hebben van vals geld in de Kia zijn drie valse biljetten aangetroffen. De Kia is niet de auto van de verdachte, maar die van haar dochter. De verdachte heeft onder meer verklaard dat zij weliswaar in de auto reed die van haar dochter [betrokkene 4] is, maar dat haar zoon [betrokkene 1] de dag voor de aanhouding de auto had bestuurd toen de verdachte, [betrokkene 4] en [betrokkene 1] een kennis in Rotterdam zijn gaan bezoeken. Ook [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij de dag voor de aanhouding met z’n drieën (de verdachte, [betrokkene 4] en [betrokkene 1] ) naar Rotterdam zijn geweest. Nu de biljetten aan de bestuurderskant zijn gevonden en de verdachte heeft ontkend dat zij de drie biljetten voorhanden heeft gehad dient de verdachte te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van vals geld.

(…)

Ten aanzien van het de verdachte onder 3 cumulatief tweede gedeelte ten laste gelegde overweegt het hof dat gelet op de aantekening in de agenda van de verdachte op 14 februari 2009 en de aantekeningen in het notitieboekje het hof het aannemelijk acht dat de verdachte valse € 50,00 biljetten van haar zoon [betrokkene 1] kocht voor de prijs van € 21,00 per stuk. In de auto van het merk Kia, die bij de verdachte in gebruik was, zijn drie valse € 50,00 biljetten aangetroffen. De verdachte heeft op 8 mei 2009 bij de politie onder meer verklaard dat zij de Kia gebruikte in de periode dat de doorzoeking plaatsvond en dat alles wat in de auto lag van haar is. Derhalve verwerpt het hof het door de raadsvrouw gevoerde verweer.”

52. De steller van het middel is van oordeel dat uit hetgeen is vastgesteld en overwogen niet kan volgen dat de verdachte drie bankbiljetten in de auto ‘in voorraad had’, zoals bewezen is verklaard. Daarvoor zou vereist zijn dat sprake is van een ‘zekere mate van bewustheid’ omtrent de aanwezigheid van bankbiljetten in haar auto. Dit terwijl de verdachte heeft ontkend te hebben geweten dat de bankbiljetten in de auto lagen. Daarbij zou de verdachte geen weet hebben gehad van de valsheid of vervalsing van de bankbiljetten, en zou in ieder geval het oogmerk om de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven bij de verdachte hebben ontbroken.

53. Uit bewijsmiddel 25 volgt dat de drie valse bankbiljetten van vijftig euro in een enveloppe zijn gevonden in de KIA die geruime tijd door de verdachte werd gebruikt. De sleutel van die auto werd gevonden bij de doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] en de auto bleek ter hoogte van deze woning geparkeerd te staan. Uit bewijsmiddel 26 blijkt dat de verdachte tegenover verbalisanten heeft verklaard dat zij de KIA gebruikte in de periode van de doorzoeking en dat alles wat in de auto lag van haar was. Dat niet blijkt dat de verdachte is voorgehouden wat er in de auto lag, staat er mijns inziens niet aan in de weg dat het hof de bewezenverklaring mede op deze verklaring van de verdachte kon baseren. Dit temeer niet nu deze verklaring steun vindt in ander bewijsmateriaal, in het bijzonder de bewijsmiddelen 27 tot en met 29. Uit bewijsmiddel 27, een agenda, blijkt dat de verdachte € 210 aan [betrokkene 1] heeft betaald voor Bankoe, straattaal voor een biljet van 50 (bewijsmiddel 28). En uit bewijsmiddel 29, een notitieboekje, blijkt van de aanschaf van andere valse bankbiljetten, zo overweegt het hof.

54. Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof, naar het mij voorkomt, kunnen afleiden dat de verdachte zich bewust is geweest van de bankbiljetten in de auto. Selectie en waardering van bewijsmateriaal is binnen de door het recht getrokken grenzen aan de feitenrechter, en geen rechtsregel stond er aan in de weg dat het hof geloof heeft gehecht aan de verklaring van de verdachte dat alles in de auto van haar was. Daarbij kan worden aangetekend dat de raadsvrouw in hoger beroep niet heeft aangevoerd dat de valse biljetten van [betrokkene 1] waren, maar enkel dat hij de dag voor de aanhouding de auto heeft bestuurd, en dat uit hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd niet aannemelijk wordt waarom anderen dan de verdachte valse biljetten zouden achterlaten in een auto die bij verdachte in gebruik is. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof aldus kunnen afleiden dat de verdachte zich bewust was van de valse bankbiljetten in haar auto en dat zij weet had van de valsheid van de biljetten. Daarbij wijs ik in het bijzonder op de aantekeningen van de verdachte in haar agenda en het notitieboekje.

55. Dat de verdachte deze drie biljetten in een enveloppe in de auto aanwezig had, brengt mee dat het hof ook het oogmerk om de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven naar het mij voorkomt uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Het oogmerk is, zo volgt uit de memorie van toelichting bij het wetboek, in de artikelen 208 en 209 Sr opgenomen omdat ”(w)ie tot eigen vermaak geld namaakt, vervalscht of in waarde vermindert en dat geld aan het verkeer onttrekt” de betrouwbaarheid van het ruilmiddel niet aantast en “niet schuldig (is) aan eene aanranding van de openbare trouw”. Voorwaardelijk opzet volstaat niet, zo is in 2001 bevestigd bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten (eurovalsemunterij). Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat (in geval het bewijs van het oogmerk niet uit een verklaring van de verdachte of een derde voortvloeit) van belang is waar de bankbiljetten worden aangetroffen. In HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446 waren twee valse bankbiljetten gevonden in de slaapkamer (een kledingkast). Uw Raad oordeelde dat de bewijsmiddelen niets inhielden waaruit het oogmerk kon worden afgeleid. In HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 deed Uw Raad het cassatieberoep af met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Uit de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Vellinga blijkt dat in de auto van de verdachte een plastic tas was aangetroffen met daarin valse bankbiljetten (DMark). En in HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:45 bleef de veroordeling recentelijk eveneens in stand. In de bestuurdersstoel, aan de achterzijde, was een plastic boterhamzakje met daarin 25 valse bankbiljetten van € 500 aangetroffen; de verdachte erkende dat die van hem waren. Naar het mij voorkomt kan in het licht van deze rechtspraak worden aangenomen dat met het in een enveloppe in de auto aantreffen van de bankbiljetten (in samenhang met de andere bewijsmiddelen) ook in de onderhavige strafzaak voldoende vaststaat dat de verdachte de valse bankbiljetten in het (geld)verkeer wilde brengen.

56. Het derde middel faalt.

57. Het vierde middel komt op tegen de beslissing tot verbeurdverklaring. De steller van het middel keert zich tegen de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat de voorwerpen en geldbedragen die op de beslaglijst zijn opgenomen onder de nummers 15, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116, 117, 118, 119, 120, 122, 124, 135 en 144 vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.

58. De voorwerpen waar de steller van het middel op doelt, zijn:

- 15: filmcamera pocket DVT280

- 44b: portemonnee met een smiley

- 104: Philips Lamp (wake-up)

- 105: Fototoestel Trust, digitale camera

- 109: horloge, zilverkleurig, dames (02.02.b06)

- 110: Cilinder NEMEF, veiligheidscilinder in verpakking

- 113: Fototoestel Canon C713

- 116: Slot NEMEF

- 117: DVD-speler CAT draagbaar

- 118: gereedschap, oplaatbare multitool

- 119: Printer, Canon

- 120: Fototoestel, Kodak Easyshare C713

- 122: Babyliss, Men

- 124: DVD-speler, Seron

- 135: Fototoestel Easy Share C713

- 144: Fototoestel Kodak C713

59. Met de steller van het middel meen ik dat het oordeel van het hof dat deze voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Het zijn geen voorwerpen die in de bewezenverklaring van feit 1 voorkomen. En ook overigens kan uit het arrest niet worden afgeleid waarom deze voorwerpen vatbaar zouden zijn voor verbeurdverklaring.

60. Het vierde middel slaagt.

61. Het eerste middel slaagt ten dele. Het tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.

62. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

63. Naar het mij voorkomt ligt het niet in de rede dat Uw Raad bij het (deels) slagen van het eerste middel zelf een beslissing inzake de betreffende geldbedragen neemt. Dat is in beginsel wel mogelijk bij de voorwerpen waarvan de beslissing tot verbeurdverklaring door het vierde middel geraakt wordt. Zeker in het geval Uw Raad de beslissing tot verbeurdverklaring vernietigt wegens het (deels) slagen van het eerste middel, kan de beslissing inzake deze voorwerpen naar het mij voorkomt evenwel ook aan het hof worden overgelaten. Het is niet zo evident dat alleen teruggave aan de beslagene kan volgen dat Uw Raad deze beslissing zou kunnen nemen.

64. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het de beslissing tot verbeurdverklaring betreft ter zake van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen onder de nummers 1, 4, 5, 10, 15, 44, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116, 117, 118, 119, 120, 122, 124, 135 en 144 en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?