B.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde (mede)plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot amfetamine en het onder 2 ten laste gelegde opzettelijk voorhanden hebben van softdrugs.
Daartoe is - kort gezegd - het volgende aangevoerd. In de woning van de verdachte op het perceel [a-straat 1] zijn geen stoffen of chemicaliën aangetroffen die bestemd waren voor de productie van amfetamine. Van de in de woning aangetroffen schriftelijke bescheiden en koppelstukken is de verdachte niet op de hoogte geweest. Wel zijn er diverse chemicaliën en stoffen aangetroffen in de opslagruimte naast de woning van de verdachte, alsmede op het perceel [a-straat 2] . De verdediging stelt dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die chemicaliën en stoffen. In dat verband is van belang dat de plekken waar de chemicaliën en stoffen zijn aangetroffen, voor derden vrij toegankelijk waren. De verdachte stelt dat hij geen gebruiker is geweest van de opslagruimte en dat de meterkast in die ruimte alleen via [a-straat 2] bereikbaar was. Bovendien waren de aangetroffen voorwerpen deels aan het zicht onttrokken. De verdediging heeft als contra-indicatie voor de aanwezigheid van wetenschap aangevoerd dat de verdachte pas bijna twee uren nadat de politie op het woonwagenkamp ter plaatse was, is aangehouden. In die tijd had hij gelegenheid om zich van de op zijn perceel aan getroffen goederen te ontdoen, hetwelk hij niet heeft gedaan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
C.
Het hof stelt als regel voorop dat verdachte als bewoner van [a-straat 1] geacht wordt weet te hebben van en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen. Dat geldt ook voor de in de opslagruimte en de zich daarin bevindende meterkast aangetroffen goederen, nu deze opslagruimte zich bevindt op het perceel van verdachte en blijkens het proces-verbaal van de politie d.d. 24 april 2013 verdachte heeft verklaard dat hij van deze ruimte de gebruiker was en daarbij geen uitzondering heeft gemaakt voor de meterkast. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Dat de meterkast alleen via [a-straat 2] te bereiken was doet in dit geval daaraan niet af, nu [a-straat 2] via een vrij toegankelijke schuur met [a-straat 1] te bereiken was.
Voormelde regel lijdt uitzondering indien er aanwijzingen zijn dat verdachte van de op zijn perceel aangetroffen voorwerpen en stoffen geen weet heeft gehad. Dergelijke aanwijzingen ontbreken echter. Veel van de aangetroffen voorwerpen bevonden zich in de keukenkast of -lade in de woning van verdachte, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bij een normaal gebruik van de woning bewoners daarin met enige regelmaat plegen te kijken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard te weten dat in zijn keukenkast aankoopbonnen van latex-handschoenen lagen, waarmee hij er ook blijk van heeft gegeven dat hij in de kast kijkt.
Het hof gaat er derhalve van uit dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de voorwerpen en stoffen op zijn perceel. Datzelfde geldt voor het onder de caravan aangetroffen masker. Dat deze caravan bewoond werd door een ander dan verdachte legt onvoldoende gewicht in de schaal om ten aanzien van dit voorwerp tot een ander oordeel te komen, nu dit masker lag op een plaats onder die caravan welke vanuit die caravan niet of moeilijk bereikbaar was. Dat het, naar van de zijde van de verdediging is betoogd, om een perceel op een woonwagencentrum gaat waar bewoners van elkaars erf gebruik mogen maken is onvoldoende doorslaggevend om op het punt van wetenschap tot een ander oordeel te komen.
Voor het oordeel dat verdachte wetenschap heeft gehad van de op het naastgelegen [a-straat 2] aangetroffen voorwerpen en stoffen schiet het bewijs evenwel tekort. Weliswaar woonden verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] naast elkaar (respectievelijk op [a-straat 1] en [a-straat 2] ), zijn beide percelen over en weer toegankelijk via de schuur op [a-straat 1] met een eigen toegangsdeur naar [a-straat 2] en zijn de op beide percelen aangetroffen voorwerpen en stoffen alle benodigd voor de productie van amfetamine, doch al deze omstandigheden zijn voor dat oordeel onvoldoende redengevend.
Het hof stelt voorts vast dat de op [a-straat 1] aangetroffen stof BMK een essentieel chemicalie vormt voor de productie van amfetamine. Daarbij gaat het hof er van uit dat deze stof ook met dat doel op het perceel aanwezig was. Bij dat oordeel heeft het hof meegewogen dat naast deze stof en aangetroffen onderdelen van de ten behoeve van het productieproces vereiste laboratoriumbenodigdheden een papier is aangetroffen waarop afkortingen staan (‘ketels, for+mieren+zout’ e.d.) die ontegenzeggelijk verwijzen naar de voor de synthese van amfetamine benodigde chemicaliën formamide, mierenzuur en zoutzuur. Dat de aangetroffen voorwerpen en stoffen een andere bestemming zouden hebben is niet aannemelijk geworden. Tekenend is in dit verband de hoeveelheid BMK die is aangetroffen, namelijk ruim 15 liter. De verdachte kan deze voor de synthese van amfetamine essentiële en kostbare grondstof in een dergelijke hoeveelheid redelijkerwijs niet anders voorhanden hebben gehad dan met de bedoeling om daarmee (wederom) amfetamine te produceren.
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. Dat daarbij sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen is niet gebleken zodat verdachte van dat onderdeel zal worden vrijgesproken.
D.
Op 23 april 2013 is onder in de kledingkast in de schuur aan de [a-straat 1] te Geldrop een plastic tas aangetroffen met inhoud (1135 gram), die qua hoeveelheid, kleur en samenstelling op hennep duidde. Voorts bevond zich in die kast een tas met inhoud (475 gram) die qua hoeveelheid, kleur en samenstelling op hasjiesj leek. Beide stoffen zijn middels een MMC-kleur-reactietest getest. De uitslag was dat de stoffen positief reageerden op de aanwezigheid van respectievelijk hennep en hasjiesj. De verdachte is, zoals hiervoor overwogen, gebruiker van deze schuur. De gebruiker van deze schuur moet geacht worden weet te hebben van hetgeen zich daarin bevindt, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel. Van dergelijke aanwijzingen is niet gebleken. Het hof verwijst hier naar hetgeen hiervoor onder C op dit punt is overwogen. Het hof acht derhalve het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj wettig en overtuigend bewezen.”
9. Onder 2 is bewezen verklaard het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Voor het bewijs hiervan is niet noodzakelijk dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen heeft. Voldoende is dat de hennep en hasjiesj zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, waaronder tevens is te begrijpen de situatie waarin de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
10. Onder 1 is bewezen verklaard het voorhanden hebben van bepaalde voorwerpen in de wetenschap dat deze bestemd zijn tot het voorbereiden en/of bevorderen van een feit bedoeld in het vierde lid van art. 10 Opiumwet. Voor “voorhanden hebben” als bedoeld in art. 10a Opiumwet zal eveneens een bepaalde machtsrelatie dienen te bestaan tussen de verdachte en het desbetreffende voorwerp, evenals wetenschap van het bestaan van het voorwerp.
11. Uit de toelichting op het middel leid ik af dat in het bijzonder wordt geklaagd over het bewijs van de wetenschap bij de verdachte van het voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde voorwerpen en van het aanwezig hebben van de onder 2 bewezen verklaarde hennep en hasjiesj. Er wordt niet geklaagd over de bewezen verklaarde wetenschap van de bestemming van de in bewezenverklaring onder 1 genoemde voorwerpen en stoffen.
12. Ik bespreek eerst de klacht over het bewijs van het opzet op het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen, zoals onder 1 bewezen verklaard. Het hof heeft vooropgesteld dat de verdachte als bewoner van [a-straat 1] geacht wordt weet te hebben van en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in beginsel ervan mag worden uitgegaan dat de bewoner van een perceel wetenschap heeft van hetgeen zich aldaar bevindt. In een zaak waarin het hof oordeelde dat ervan mocht worden uitgegaan dat degene die doende is de door hem gehuurde woning op te (laten) knappen en in te richten wetenschap heeft van wat zich in de woning bevindt, oordeelde de Hoge Raad dat het hof die ervaringsregel tot uitgangspunt had kunnen nemen. Ik betwijfel echter of een dergelijke ervaringsregel in de onderhavige zaak ten aanzien van het gehele perceel tot uitgangspunt kan worden genomen. Daarbij wijs ik erop dat uit de bewijsvoering blijkt dat de caravan en het kleine chalet werden bewoond door een ander dan de verdachte. Niettemin meen ik dat het oordeel van het hof dat de verdachte weet had van de zich op zijn perceel bevindende voorwerpen en stoffen, als bedoeld in de bewezenverklaring van feit 2, niet onbegrijpelijk is. Daartoe wijs ik op het volgende.
13. Het hof heeft overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte van de op zijn perceel aangetroffen voorwerpen en stoffen geen weet heeft gehad, omdat veel van de aangetroffen voorwerpen zich bevonden in de keukenkast of keukenlade in de woning van de verdachte, terwijl redelijkerwijs kan worden aangenomen dat bewoners bij een normaal gebruik van de woning daarin met enige regelmaat plegen te kijken. Uit de bewijsvoering blijkt dat het gaat om de routebeschrijving naar een particulier chemisch bedrijf in Duitsland, briefjes met daarop vermeld: ‘ketels + Bebum ketel, banden, for + mieren + zout’, een aankoopbon van Makro die betrekking heeft op latex handschoenen, een glazen koppelstuk voor een destilleeropstelling, een koppelstuk voor een mutaangas-aansluiting en twee kannen met substantie en één kan met, volgens het etiket, ammonium formiaat. Het oordeel van het hof dat de verdachte wist van de aanwezigheid van deze voorwerpen acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop dat het hof voorts heeft overwogen dat de verdachte heeft verklaard te weten dat in zijn keukenkast aankoopbonnen van latex handschoenen liggen, waarmee hij er blijk van heeft gegeven dat hij in de kast kijkt. Uit de bewijsvoering blijkt voorts niet dat de verdachte niet de enige bewoner was van de woning (woonwagen) op het perceel met nummer [a-straat 1] of dat anderen dan hij toegang hadden tot die woning, terwijl in hoger beroep ook geen verweer met die strekking is gevoerd.
14. Ook het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat zich op het perceel met nummer [a-straat 1] de stoffen benzylmethylketon (in de opslagruimte) en het volgelaatmasker (onder de caravan) bevonden, acht ik niet onbegrijpelijk. Ik wijs erop dat het hof heeft vastgesteld dat in de (meterkast van de) opslagruimte van de woning op het perceel met nummer [a-straat 1] een hoeveelheid van ruim 15 liter van de stof BMK (benzylmethylketon) is aangetroffen en dat dit een essentiële stof vormt voor de productie van amfetamine. Naast deze stof en aangetroffen onderdelen van laboratoriumbenodigdheden ten behoeve van het productieproces is, zo vervolgt het hof, een papier aangetroffen waarop afkortingen staan die ontegenzeggelijk verwijzen naar de voor de synthese van amfetamine benodigde chemicaliën formamide, mierenzuur en zoutzuur. Het desbetreffende briefje is – zoals hiervoor reeds bleek – aangetroffen in de woning van de verdachte. Het hof heeft voorts overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij de gebruiker was van de opslagruimte en dat hij daarbij geen uitzondering heeft gemaakt voor de meterkast. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, konden het hof tot het oordeel brengen dat de verdachte wist van de zich op zijn perceel bevindende voorwerpen en stoffen, ook voor zover deze zich niet in zijn woning bevonden. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Het middel faalt in zoverre.
15. Ten aanzien van het bewijs van de onder in een kledingkast in de schuur aangetroffen hennep en hasjiesj, kom ik tot een andere slotsom. Het hof is in dit verband uitgegaan van de ervaringsregel dat de gebruiker van de schuur geacht moet worden weet te hebben van hetgeen zich daarin bevindt, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel. Het probleem is evenwel dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte de schuur als enige gebruikte. In het licht van de eveneens uit de bewijsvoering blijkende omstandigheid dat de verdachte niet de enige bewoner van het perceel met nummer [a-straat 1] was, kon het hof voor het bewijs van het ten laste gelegde niet volstaan met de vaststelling dat de verdachte de schuur gebruikte. Bovendien is het hof onder C uitgegaan van de juistheid van de stelling van de verdediging dat de meterkast in de schuur slechts via het perceel met nummer [a-straat 2] toegankelijk was en niet via de woning van de verdachte. Daarbij neem ik voorts in aanmerking dat uit de bewijsvoering volgt dat de hennep en hasjiesj in de schuur aan het zicht waren onttrokken. Daaraan doet de omstandigheid dat in de onderhavige zaak in de woning van de verdachte voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen die waren bestemd voor het voorbereiden en/ of het bevorderen van het opzettelijk bereiden van amfetamine niet af.
16. Het middel slaagt.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden