11. Het tweede middelklaagt over één van de gestelde bijzondere voorwaarden.
12. Het hof heeft zes bijzondere voorwaarden gesteld. Het middel richt zich tegen de volgende voorwaarde: “dat de veroordeelde (…) toestemming zal geven relevante referenten te raadplegen.” Voorts heeft het hof opdracht aan de reclassering gegeven tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Alle bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.
13. De klacht is dat door het stellen van deze bijzondere gedragsvoorwaarde “een niet voldoende precies gedragsvoorschrift is geformuleerd, nu immers niet blijkt wie en waarom als ‘relevante referent’ kan worden aangemerkt. Voorts is niet helder welk goed levensgedrag door de naleving van de voorwaarde wordt bevorderd.”
14. Naar valt aan te nemen heeft het hof de bijzondere voorwaarde willen stoelen op art. 14c, tweede lid onder 14, Sr dat de basis geeft voor ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’.
15. De volgende zin in de strafmotivering is voor het opleggen van de bijzondere voorwaarde van belang:
“Het hof zal aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel de door reclassering geadviseerde en door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden, verbinden, nu het hof continuering van die voorwaarden - gelet op de omstandigheid dat de verdachte woonachtig is in de nabijheid van de drie slachtoffers - nog geboden acht.”
16. De zogenaamde gedragsvoorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 14, Sr omgrenst de Hoge Raad als volgt:
“Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 5º, (oud) Sr (thans art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr) dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968: AB6079, NJ 1970/123).”
Daaraan wordt wel toegevoegd:
“Zo’n voorwaarde dient voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift te formuleren. Zij kan niet geacht worden gedrag van de verdachte te omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen (vgl. HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302).”
17. Uit de onder randnummer 15 geciteerde zin uit de strafmotivering komt de reden voor of het doel van het geven van toestemming relevante referenten te raadplegen niet uitdrukkelijk naar voren. De stellers van het middel hebben in zoverre dus al een punt. Waartoe deze bijzondere voorwaarde strekt, is niet zonder meer duidelijk en evenmin nader geëxpliciteerd. Uiteindelijk zal het er om gaan ontucht met minderjarigen te voorkomen, maar niet zonder meer duidelijk is of bijvoorbeeld eveneens het aanbieden van snoep er onder valt. Legitimeert de voorwaarde er toe dat aan ouders van jonge kinderen in de omgeving van de veroordeelde wordt gevraagd of hij snoep aan hun kinderen aanbiedt? Bovendien zijn met de woorden ‘relevante referenten’ de personen aan wie inlichtingen kunnen worden gevraagd onvoldoende bepaald en beperkt. Daarop wordt in de toelichting op het middel terecht gewezen: vallen beroepsgeheimhouder zoals een advocaat en een huisarts er eveneens onder? Daarmee is het gedragsvoorschrift niet precies geformuleerd. Immers gaat het om inlichtingen bij ouders, bij behandelaars of bij zowel bij ouders als bij behandelaars? Wie referent is, is niet bepaald en of de referent relevant is evenmin. De voorwaarde voldoet in het licht van het geciteerde onder randnummer 16 niet aan de eisen die de Hoge Raad stelt. Ik wijs er ook nog op dat bij de formulering van de voorwaarde nadere regels ontbreken over de toepassingsfrequentie en de wijze van het inwinnen van de inlichtingen. Enige waarborg dat de persoonlijke levenssfeer niet verder wordt beperkt dan nodig ontbreekt.
18. Ik vraag hier ook nog aandacht voor het derde lid aanhef en onder b van art. 14c Sr. Van rechtswege geldt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde “medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht”. Kan het geven van toestemming relevante referenten te raadplegen worden aangemerkt als te zijn begrepen onder het medewerken aan het reclasseringstoezicht, hoewel dit niet uitdrukkelijk is genoemd?
19. De medewerking aan reclasseringstoezicht waaronder huisbezoek is indertijd bij de herziening van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling bij tweede Nota van wijziging ingevoegd. De wijziging is als volgt toegelicht:
“De veroordeelde is gehouden medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht. Dat is inherent aan de opdracht van de rechter bij de voorwaardelijke veroordeling (of van het openbaar ministerie bij de voorwaardelijke invrijheidstelling) aan de reclassering om op de naleving van de bijzondere voorwaarden door de veroordeelde toe te zien. Het reclasseringstoezicht brengt mee dat de reclassering aangekondigd en onaangekondigd een bezoek kan brengen aan het woonhuis van de veroordeelde. Dat staat ook in de afspraken die de reclassering en de veroordeelde over het toezicht maken. In de praktijk van het reclasseringstoezicht blijken veroordeelden niet altijd bereid te zijn de reclassering tot hun woning toe te laten en ontstaat er discussie of dit meebrengt dat overgegaan moet worden tot het vorderen van de tenuitvoerlegging van de straf. Om buiten twijfel te stellen dat in een dergelijk geval sprake is van een schending van de voorwaarden, wordt voorgesteld om in de wet de voorwaarde op te nemen dat de veroordeelde verplicht is medewerking te verlenen aan reclasseringstoezicht, waaronder de medewerking aan huisbezoeken. In de wet is al opgenomen dat de veroordeelde medewerking moet verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit in het kader van het toezicht op de naleving van voorwaarden. De verplichting medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht wordt daaraan toegevoegd.
Een in de wet gespecificeerde verplichting om medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht kan eveneens van betekenis zijn in gevallen waarin de veroordeelde weigert informatie te verschaffen over het verloop van een als bijzondere voorwaarde opgelegde behandeling. Ik verwijs hiervoor naar de nota naar aanleiding van het verslag.
Het opleggen van de verplichting om medewerking te verlenen aan de reclassering in het kader van het toezicht past tevens bij de ontwikkelingen binnen de EU. In het kaderbesluit 2008/947/JBZ van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PbEU L 337) is een soortgelijke verplichting opgenomen (artikel 4, eerste lid, onder j).
De verplichting om medewerking te verlenen aan huisbezoeken in het kader van het reclasseringstoezicht betekent overigens niet dat daarmee de reclassering bevoegd wordt om de woning van de veroordeelde te betreden zonder dat deze daarmee heeft ingestemd. Een dergelijke bevoegdheid is voorbehouden aan politie en justitie binnen de daarvoor gestelde wettelijke kaders.”
20. De wettelijke regeling die dient om te bevorderen dat bijzondere voorwaarden ook daadwerkelijk worden nageleefd is in de loop van de laatste vijftig jaar sterk van karakter veranderd. Aan het begin van de bedoelde periode verleende de reclassering de veroordeelde hulp en steun bij de naleving van voorwaarden, terwijl het geenszins voor zich sprak dat schending van de voorwaarden door de reclassering aan het openbaar ministerie werd gemeld. Hulp en steun zijn niet alleen vervangen door toezicht, maar er is tegenwoordig zelfs een wettelijke verplichting mee te werken aan het toezicht. Ten behoeve daarvan gelden in het geval bijzondere voorwaarden worden gesteld enkele bijzondere voorwaarden van rechtswege. Dat roept de vraag op naar de verhouding tussen de in het tweede en derde lid van art. 14c Sr geregelde voorwaarden. Die vraag rijst omdat niet alle voorwaarden scherp zijn afgebakend. In dat opzicht zijn hier van belang de ruime gedragsvoorwaarde onder punt 14 van het tweede lid van art. 14c Sr en de van rechtswege geldende voorwaarde tot medewerking aan reclasseringstoezicht in art. 14c, derde lid onder b, Sr (toezichtvoorwaarde). De scheiding tussen toezicht en inhoud van voorwaarden is vervaagd. Bijzondere voorwaarden worden gesteld om toezicht te realiseren.
21. De toezichtvoorwaarde van art. 14c, derde lid onder b, Sr omvat volgens de wetstekst in ieder geval huisbezoek en meldplicht. De toelichting op de Nota van wijziging voegt daar de plicht tot het geven van inlichtingen over het verloop van de behandeling aan toe, al is ook na lezing van de Nota naar aanleiding van het verslag niet glashelder wat daarmee is bedoeld. Wordt bedoeld dat de veroordeelde zelf die informatie geeft of dat hij verplicht is toe te stemmen dat die informatie wordt opgevraagd en verstrekt door de behandelaar? Dat laatste gaat ver en zou gaan in een richting die ook in deze zaak aan de orde is. Gelet op de bewoordingen van art. 14c, derde lid, Sr is de plicht tot medewerking niet beperkt tot deze drie situaties (huisbezoek, melden bij de reclassering en verstrekken van inlichtingen over de behandeling), maar is er meer. Deze regelgeving wijst op een behoefte (bij de reclassering) om de verplichtingen van de veroordeelde gedetailleerd te regelen, zodat daar bij de uitvoering geen discussie over mogelijk is. De catalogus van bijzondere voorwaarden in een vonnis of arrest dijt steeds verder uit. Enige terughoudendheid van de straf opleggende rechter lijkt hier op de plaats.
22. Gelet op de structuur van de wetgeving lijkt het mij weinig voor de hand te liggen dat het aan de rechter is om met toepassing van art. 14c, derde lid, Sr verplichtingen als bijzondere voorwaarde te stellen, zelfs niet als ze naadloos vallen binnen het verlenen van medewerking aan het toezicht. Het door de rechter niet stellen van voorwaarden op grond van art. 14c, derde lid, Sr sluit overigens niet uit dat de rechter in voorkomend geval de inhoud van de genoemde bepaling in zijn vonnis of arrest verduidelijkt. Het vormt echter geen basis voor het stellen van voorwaarden. Te stellen voorwaarden moeten derhalve steeds binnen het bereik van art. 14c, tweede lid, Sr vallen.
23. De conclusie luidt nu dat het geven van toestemming relevante referenten te raadplegen niet een voorwaarde is die op basis van art. 14c, derde lid, Sr door de rechter kan worden gesteld. En dat kan ook niet op basis van het tweede lid (onder 14) van de genoemde bepaling. Een dergelijke voorwaarde voldoet, zoals al opgemerkt, niet aan de omschrijving van de Hoge Raad, zoals geciteerd onder randnummer 16. Het middel slaagt derhalve.
24. Om redenen van doelmatigheid is er wel wat voor te zeggen dat de Hoge Raad voor wat betreft dit gegronde tweede middel zal volstaan met vernietiging van de betreffende voorwaarde (al dan niet met de bepaling dat de bestreden voorwaarde komt te vervallen). Een daartoe strekkend voorstel deed ook mijn ambtgenoot Spronken onlangs in een enigszins vergelijkbaar geval. De Hoge Raad ging toen niet met haar mee. Hier ligt het anders, omdat van rechtswege geldt dat de veroordeelde moet meewerken aan het toezicht. Dat kan, indien de veroordeelde daarover door de reclassering wordt geïnformeerd en het met mate geschiedt, een basis bieden voor het (incidenteel) inwinnen van inlichtingen over het gedrag van de veroordeelde bij getuigen van dat gedrag. Hetgeen met de voorwaarde door het hof werd beoogd, kan op die wijze, voor zover het rechtens is toegelaten, worden gerealiseerd zonder alsnog een nieuwe voorwaarde te formuleren.
25. Het tweede middelslaagt.
26. Het derde middel klaagt over de opgelegde vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregelen.
27. Dit derde middel is gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 m.nt. Ten Voorde terecht voorgesteld.
28. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met behulp van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Zowel het tweede als het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft:
- de bijzondere voorwaarde dat “dat de veroordeelde toestemming zal geven relevante referenten te raadplegen”. De Hoge Raad kan bepalen dat deze voorwaarde komt te vervallen,
- de schadevergoedingsmaatregelen doch uitsluitend voor zover vervangende hechtenis is toegepast. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast
en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG