PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02172 B
Zitting 28 september 2021
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - bij beschikking van 7 juli 2020 het klaagschrift ex art. 552a Sv ten aanzien van de 23 onder de klager in beslaggenomen auto’s ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift, meer in het bijzonder het oordeel van de rechtbank dat voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
2. De procesgang
Uit de gedingstukken blijkt dat het in deze zaak gaat om het volgende. De klager heeft een bedrijf dat zich bezig houdt met de in- en verkoop en onderhoud van auto’s. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager wegens de verdenking van witwassen zijn onder hem op 12 november 2018 23 auto's inbeslaggenomen. De verdenking houdt onder meer in dat hij zijn bedrijf gestart is met crimineel vermogen. Het beslag is gegrond op art. 94 lid 2 Sv.
De rechtbank heeft bij beschikking van 10 mei 2019 het door de klager ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv, voor zover dat betrekking heeft op de inbeslagname van 23 auto’s, gegrond verklaard en een last tot teruggave aan de klager gegeven. Tegen deze beschikking is op 18 juli 2019 door de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld, waarbij onder meer werd geklaagd dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat het voortduren van het beslag op 23 auto’s niet in overeenstemming was met de eis van proportionaliteit ontoereikend zou zijn gemotiveerd. De Hoge Raad heeft op 26 mei 2020 geoordeeld dat deze klacht gegrond is en daarbij verwezen naar de volgende overwegingen uit de conclusie van mijn ambtgenoot AG Spronken:
“5.2. De rechtbank overweegt dat zij ‘’het belang van strafvordering tegen de belangen van klager bij voortduring van het beslag’’ weegt. Daarmee is de rechtbank kennelijk van oordeel dat de omstandigheden van het geval, in verband met hetgeen namens de klager is aangevoerd ten aanzien van een naderend faillissement, een onderzoek naar de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit meebrengen. In dat kader overweegt de rechtbank onder andere dat zij ‘’van oordeel [is] dat het belang van mogelijke verbeurdverklaring op dit moment niet opweegt tegen een faillissement van het bedrijf van klager’’ en dat ‘’alles overwegende, (…) de keuze om het beslag te handhaven en later verbeurd te verklaren op dit moment niet opweegt tegen de persoonlijke belangen van klager.”
5.3 Dit oordeel acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Zoals hiervoor geschetst dient de rechter bij een toetsing van de proportionaliteit van het beslag blijk te geven van een zorgvuldige belangenafweging door aandacht te besteden aan de bijzonderheden van het geval. Dat betekent naar mijn mening dat de rechtbank in dit geval niet alleen dient te motiveren dat en waarom de handhaving van het beslag zou leiden tot het faillissement van het bedrijf van de klager maar ook waarom door dat faillissement de persoonlijke belangen van klager zwaarder dienen te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag. De motivering van de rechtbank voldoet naar mening niet aan deze eisen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de klager zijn naderend faillissement niet concreet heeft onderbouwd, waardoor het niet duidelijk is of dit er al aan zat te komen omdat de verdachte sowieso naar eigen zeggen in financieel zwaar weer zat. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat het beslag niet disproportioneel is omdat de verdenking tegen de klager eruit bestaat dat hij zijn onderneming is gestart met crimineel vermogen en het uitbouwen van deze onderneming en alle winsten die hier uit zijn voortgekomen als vervolgprofijt dienen te worden gezien. De rechtbank gaat daar niet op in. Van een concrete en zorgvuldige belangenafweging blijkt dan ook niet. Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.”
Vervolgens heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank vernietigd, maar uitsluitend ten aanzien van de beslissing over de 23 auto’s, en de zaak teruggewezen.
De rechtbank heeft het klaagschrift op 23 juni 2020 opnieuw in raadkamer behandeld. De klager heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat de onder hem inbeslaggenomen auto’s aan hem moeten worden geretourneerd omdat de persoonlijke belangen van de klager zwaarder dienen te wegen dan het strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag, nu handhaving van het beslag mogelijk tot gevolg zal hebben dat het bedrijf van de klager failliet gaat.
In het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer is het standpunt van de klager als volgt weergegeven:
“Klager: Mijn bedrijf is nog niet failliet, maar het gaat niet goed met de onderneming omdat ik niet over de in beslag genomen auto’s kan beschikken. Mijn advocaat heeft de meest recente cijfers naar u gestuurd.”
In de door de raadsman in raadkamer overgelegde pleitnotitie is met betrekking tot depersoonlijke belangen van de klager en de proportionaliteit het volgende aangevoerd:
“Er is tot op heden geen faillissement van het bedrijf van klager uitgesproken. Hetgeen klager destijds voorzag is (nog) niet geschied. Maar het blijft kwakkelen en een faillissement ligt nog steeds op de loer. Als het bedrijf van klager failliet gaat, dan gaat klager zelf ook failliet omdat het een eenmanszaak is (nagezonden bijlage 1). Het moge toch duidelijk zijn dat een persoonlijk faillissement een drama is. Voor klager wellicht nog meer dan gemiddeld omdat klager, zoals dat wordt genoemd, niet goed in zijn vel zit. Als bijlage 4 nagezonden de patiëntenkaart van klager. Op 16 januari 2019 meldt klager zich met klachten van overspannenheid (inclusief slecht slapen) en krijgt hij Lorazepam voorgeschreven. Dat wordt voorgeschreven om gevoelens van angst en spanning te verminderen (nagezonden bijlage 5). Klager gebruikt nog steeds Lorazepam en is nog op 30 april 2020 voorgeschreven door de huisarts (zie patiëntenkaart). In geval van een faillissement is de kans aanwezig dat klager depressief raakt.
Dan het faillissement. Als bijlage 2 is een gedeelte van de jaarcijfers van het bedrijf van klager aan U toegezonden. Op blad 4 is te zien dat de omzet 2019 in vergelijking met 2019 aanzienlijk is gedaald. Ook is te zien dat in 2018 en 2019 verlies werd geleden (blad 5). Het verlies is niet toegenomen maar houdt verband met een sanering van de kosten. Daar staat wel tegenover dat klager op zijn eigen vermogen heeft moeten interen (blad 7). Klager heeft vervolgens bezien hoe het zit met omzet 2018 in vergelijking met 2019 (blad 8, de kolommenbalans en de uitwerking). Wat dan opvalt is dat de autoverhuur enigszins is toegenomen, zo ook de omzet in verband met reparatie van auto’s, maar de verkoop aanzienlijk is gedaald (marge auto's zijn de consumenten auto’s en verkoop auto’s hoog zijn de zakelijke auto’s). Klager heeft vervolgens aan zijn boekhouder gevraagd hoe een en ander moet worden geduid. Het antwoord lezen we in bijlage 3. En dat antwoord is eigenlijk simpel. Er zijn te weinig liquide middelen aanwezig om goed te kunnen handelen. Liquide middelen komen binnen door de verkoop van auto’s, immers wordt daarop winst gemaakt. Een groot aantal auto’s is in beslag genomen waardoor die auto’s niets opleveren en alleen maar geld kosten. De handel wordt daardoor steeds minder rendabel. De volgende vraag was dan ook, wat is de verwachting voor 2019? Er is sprake van omzet van € 96.833,- over het 1e kwartaal 2020. Dat komt neer op een jaaromzet van € 387.332,-. Je hoeft niet een groot boekhoudkundig inzicht te hebben om te concluderen dat bij een dalende omzet en gelijkblijvende kosten, het verlies als maar groter wordt. Je moet dan nog meer interen op het eigen vermogen om uiteindelijk op nihil uit te gaan komen.
Je zou dan kunnen denken dat als klager zijn arbeid gaat inzetten (ook auto’s gaat repareren) verliezen mogelijk kunnen worden ondervangen. Dat gaat voorlopig echter niet gebeuren. Klager is een arbeidsongeval overkomen. Hierdoor mist hij de helft van zijn middelvinger. Een andere vinger is er weer aangezet maar daar kan hij niets mee. Dat hiervan sprake is, valt te lezen, onder aan op de patiëntenkaart (bijlage 4). Gevolg hiervan is dat niet nog verder kan worden gesneden in de (personeels) kosten. Een faillissement is dan onvermijdelijk.
Het tij kan nog keren als het beslag wordt opgeheven. De beslagen auto’s kunnen dan worden verkocht en er kan weer worden geïnvesteerd zoals de boekhouder van klager dat omschrijft in zijn toelichting.
Dan is er nog het vermeende vervolgprofijt. Eigenlijk zegt justitie: [klager] toen jij in 2015 met je zaak begon had je helemaal niets; de teller stond op nul. Dus alles wat je nu hebt is niet van jou, althans heb je dat vergaard met onverklaarbaar of crimineel vermogen (onder 4.2 cassatieschriftuur). Maar dat is slechts een standpunt en klager heeft een ander standpunt en ook het nodige onderbouwd. Verder, als vermogen niet direct verklaarbaar is, wil dat nog niet zeggen dat sprake is van witwassen of een strafbaar feit. Er is soort van beleid gecreëerd waarbij elke geldstroom moet kunnen worden verklaard en gestaafd met bewijsstukken. Maar als je als jonge jongen sleutelt en handelt in auto’s en dit jaren achter elkaar doet en het geld wat je binnen krijgt investeer je weer in een andere auto en die verkoop je en zo ga je door, is het geld dat je dan op een zeker moment hebt, onverklaarbaar? Neen, alleen is niet meer precies te traceren hoe de geldstromen zijn verlopen. Dat is nu eenmaal inherent aan die wijze van handelen. Dat maakt echter wel dat van vervolgprofijt geen sprake is omdat er nooit enig profijt is behaald.”
De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de conclusie van het openbaar ministerie zoals dit in de eerste procedure naar voren is gebracht. In de beschikking van de rechtbank van 10 mei 2019 is dat standpunt als volgt weergegeven:
“Klager wordt verdacht van witwassen, in opdracht van verdachte [betrokkene 1]. De verdenking bestaat daarnaast dat het startkapitaal van klagers bedrijf crimineel vermogen van verdachte [betrokkene 1] is. (…). Ten aanzien van de auto’s is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat deze verbeurd zullen worden verklaard. Het strafvorderlijk belang tot voortduring van het beslag is daarmee gegeven. Het voortduren van het beslag is tot slot niet disproportioneel omdat de verdenking bestaat dat klager zijn onderneming met crimineel vermogen is gestart. Alle winst die met de onderneming wordt gemaakt moet gezien worden als vervolgprofijt en kan worden ontnomen.”
In aanvulling hierop maak ik nog melding van de volgende passages in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 23 juni 2020:
“De officier van justitie:De stand van zaken in de strafzaak is als volgt. In het onderzoek […] heeft het Openbaar Ministerie het eind proces-verbaal ontvangen, maar dit is op onderdelen niet volledig. De zaak kan nog niet worden aangebracht bij de rechtbank. In de strafzaak waar klager bij betrokken is, is het deeldossier wel volledig en die zaak zouden we aan kunnen brengen bij de rechtbank. Het Openbaar Ministerie weet welke feiten er op de dagvaarding komen. Het Openbaar Ministerie is nu aan het kijken of zij alle zaken in één keer wil aanbrengen of dat zij toch de zaken gaat splitsen. Ik durf met de huidige coronamaatregelen niet te zeggen wanneer dat zal zijn. “ (…)
“De officier van justitie: U vraagt mij waarom de auto’s op het terrein van klager zijn blijven staan. Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen om hem als bewaarder aan te stellen omdat klager anders met een leeg bedrijf zou achterblijven en dat wilde het Openbaar Ministerie niet voor het aanzien van het bedrijf. Op het moment dat er een klaagschrift werd ingediend, is de procedure on hold gezet. De procedure heeft langer geduurd in verband met cassatie. De auto’s zijn daarom ook nog niet vervreemd.
Klager: Dat de auto’s op het terrein bleven staan, was even fijn maar daarna niet meer. Ik moest ten opzichte van de klanten elke dag iets anders verzinnen. De auto’s stonden namelijk op mijn terrein maar ik mocht er niets mee doen. Ik heb de auto’s tijdelijk elders neergezet, maar dat mocht niet van de gemeente. Ik huur nu een terrein waar ik de auto’s heb neergezet. De auto’s worden met de dag groener en dalen in waarde. Ik heb inmiddels aangegeven dat ik geen bewaarder meer wil zijn. Mijn omzet is onder andere vanwege corona teruggelopen. Men is voorzichtiger met het uitgeven van geld. Ik kan niets over de toekomst zeggen. Ik moet nog harder werken dan normaal. Ik probeer alle randzaken zelf te doen, maar het gaat net. Mijn werknemers werken hard, maar als ik omval dan zijn wij uitgehandeld. Mijn omzet kan op dit moment wel hoog zijn, maar het verhoudt zich niet met wat ik eraan verdien. Ik moet eerst het geld van de klant overmaken naar andere bedrijven omdat ik het geld zelf niet heb. Ik heb overeenkomsten met bedrijven. De auto’s staan bij mij, maar zijn van die bedrijven. Als ik de auto’s verkoop, krijg ik een percentage. Als ik door deze zaak failliet ga, voel ik mij veroordeeld nog voordat de strafzaak is begonnen. Als ik failliet ga, hoef ik in het dorp niet meer opnieuw te beginnen.”
De rechtbank heeft het klaagschrift ten aanzien van de 23 onder de klager in beslaggenomen auto’s ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
“Ingeval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag moet de rechtbank beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Daarvan kan sprake zijn als het inbeslaggenomen voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Verder verzet het belang van strafvordering zich tegen de teruggave als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv heeft een summier karakter, mede omdat voorkomen moet worden dat de raadkamer vooruitloopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak door de strafrechter te geven oordeel.
De 23 auto’s zijn in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager wegens verdenking van witwassen onder hem op 12 november 2018 in beslag genomen. De verdenking houdt onder meer in dat klager zijn bedrijf is gestart met crimineel vermogen en de auto’s dus (deels) zijn gefinancierd met dit criminele vermogen dan wel met winsten die zijn behaald door verkoop van auto’s die met crimineel vermogen zijn gefinancierd. De officier van justitie is voornemens de verbeurdverklaring van deze auto’s te vorderen. Gelet daarop doet zich op dit moment de omstandigheid voor dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter, later oordelend over de strafzaak tegen klager, de in beslag genomen auto’s verbeurd zal verklaren. Dat maakt dat de belangen van strafvordering zich tegen teruggave verzetten.
Klager heeft gesteld dat handhaving van het beslag disproportioneel is, omdat hij de auto’s nu niet kan verkopen en de opbrengst dus niet kan investeren in de aankoop van nieuwe auto’s, wat tot gevolg kan hebben dat zijn bedrijf failliet gaat. Tijdens de behandeling in raadkamer heeft klager aan de hand van stukken uit zijn boekhouding toegelicht dat de financiële situatie van zijn onderneming op dit moment zorgelijk is, maar dat van faillissement op korte termijn geen sprake lijkt te zijn. Dat vooruitzicht kan volgens klager wel veranderen als klager, mede vanwege de spanningen die het lopende strafrechtelijke onderzoek bij hem teweeg brengen, arbeidsongeschikt raakt.”
3. Het middel
Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de klager onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat zijn bedrijf failliet zal gaan door handhaving van het beslag en dat voortduren van het beslag in dit geval strijdt met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, althans dat de rechtbank dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van wat door en namens de klager is aangevoerd.
4. Bespreking van het middel
De rechtbank heeft vastgesteld dat het beslag op de inbeslaggenomen auto’s rust op art. 94 Sv.
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van
art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering
het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag
genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als
rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv
beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien de
desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in
een zaak betreffende een ander dan de klager, of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat
de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave van
het beslag verzet en heeft daartoe overwogen dat er sprake is van een redelijk vermoeden
van schuld aan witwassen en dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de in beslag genomen auto’s verbeurd zal verklaren. Nu het hier gaat om
een beslag op grond van art. 94 Sv heeft de rechtbank in haar beoordeling het goede toetsingskader toegepast. Over de juistheid van de maatstaf wordt terecht niet geklaagd.
Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat klager onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat zijn bedrijf failliet zal gaan door handhaving van het beslag en dat voortduren van het beslag in dit geval strijdt met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het middel keert zich tegen dit oordeel. De rechtbank heeft in dit verband verder overwogen dat klager aan de hand van stukken uit zijn boekhouding heeft toegelicht ‘dat de financiële situatie van zijn onderneming op dit moment zorgelijk is, maar dat van faillissement op korte termijn geen sprake lijkt te zijn’ en dat dit vooruitzicht volgens klager wel kan veranderen ‘als klager, mede vanwege de spanningen die het lopende strafrechtelijke onderzoek bij hem teweeg brengen, arbeidsongeschikt raakt.’
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat de verdediging haar standpunt met betrekking tot de proportionaliteit onvoldoende heeft onderbouwd niet begrijpelijk is gelet op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht en de diverse documenten die in dit kader zijn ingebracht (zie onder 2.5). Daarnaast wordt aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door een (naderend) faillissement te eisen willen de persoonlijke belangen van de klager zwaarder wegen dan het belang van strafvordering. De lat wordt volgens de steller van het middel helemaal hoog gelegd als de overweging van de rechtbank zo moet worden gelezen dat een faillissement op korte termijn wordt verlangd. Dit geldt temeer nu de beslaglegging al op 12 november 2018 (dus anderhalf jaar vóór de bestreden beschikking) heeft plaatsgevonden en nog onbekend is wanneer de strafzaak tegen de klager zal dienen. De steller van het middel wijst in dit verband op de uitlating van de officier van justitie in raadkamer van 23 juni 2020 dat, mede door de coronamaatregelen, niets kon worden gezegd over de termijn waarop de strafzaak tegen de klager inhoudelijk zou kunnen worden behandeld en de rechtbank hier evenmin iets over heeft overwogen.
De toepassing van de hiervoor onder 4.2 genoemde maatstaf verplicht volgens de Hoge Raad niet tot een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat in verband met hetgeen door of namens de klager is aangevoerd de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat het daarbij kan gaan om de wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag maar ook om de belangen van strafvordering enerzijds en de persoonlijke belangen van de klager anderzijds. Verder is het tijdsverloop een omstandigheid die kan maken dat aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet langer is voldaan. Wanneer de rechter tot het oordeel komt dat het beslag op gronden van proportionaliteit en subsidiariteit niet kan worden gehandhaafd, zal hij zijn oordeel nauwkeurig dienen te motiveren.
Met de steller van het middel ben ik van mening dat de rechtbank, gelet op het feit dat de verdediging expliciet verweer heeft gevoerd met betrekking tot de proportionaliteit van het beslag, terecht onderzoek hier naar heeft gedaan. De vraag die dient te worden beantwoord is of de rechtbank daarbij een zorgvuldige en concrete belangafweging heeft gemaakt.
Mijn ambtgenoot AG Knigge en ook ikzelf hebben meermalen benadrukt dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is van onrechtmatig conservatoir beslag (ex art. 94a Sv) op grond van disproportionaliteit, gelet op het belang dat met het conservatoire beslag wordt gediend. Dat belang is immers dat voorkomen wordt dat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd, en aan dat beslag is nu eenmaal inherent dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad.
In onderhavige zaak is echter sprake van (klassiek) strafvorderlijk beslag (ex artikel 94 Sv) waarbij het belang is gelegen in het veiligstellen van auto’s waarvan de verbeurdverklaring door de strafrechter kan worden bevolen. Anders dan bij conservatoir beslag is verbeurdverklaring een bijkomende straf die is bedoeld om de verdachte in zijn vermogen te treffen. Kern van het betoog van klager is dat zijn bedrijf failliet dreigt te gaan bij handhaving van het beslag, dat hij dit – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – wel degelijk met stukken heeft onderbouwd en dat het persoonlijk van belang van de klager in deze steeds urgenter wordt met het verstrijken van de tijd. Zoals gezegd kan tijdsverloop een rol spelen bij de afweging of het beslag nog voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, maar daar teken ik bij aan dat aan de enkele vaststelling dat het een oude zaak is of dat er nog geen zittingsdatum bekend is, niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat het voortduren van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en het beslag moet worden opgeheven. Een en ander zal moeten worden afgezet tegen andere belangen en de bijzonderheden van het geval. In onderhavige zaak heeft de rechtbank echter in het geheel geen blijk gegeven de factor tijd in deze te hebben meegewogen, terwijl dat juist in deze zaak – die nu voor de tweede keer in cassatie voorligt – wel in de rede had gelegen. Ten tijde van de thans bestreden beslissing lag er inmiddels al anderhalf jaar beslag op de 23 auto’s. Uit de stukken blijkt dat deze auto’s destijds aan de klager in bewaring zijn gegeven en al die tijd buiten zijn bewaard, hetgeen de waarde van deze auto’s niet ten goede zal zijn gekomen. Uit navraag naar de status van het beslag is op 11 mei 2021 gebleken dat van de 23 inbeslaggenomen auto’s één auto op 19 mei 2019 door het OM is vernietigd en dat er pas in december 2020 en januari 2021 zeventien auto’s zijn verkocht. De resterende vijf auto’s waren toen nog niet vervreemd. In het licht van hetgeen namens de klager is aangevoerd en de uitlatingen van de officier van justitie dat er (destijds) nog geen zicht was op een inhoudelijke behandeling van de zaak heeft de rechtbank mijns inziens onvoldoende deugdelijk en concreet gemotiveerd waarom in deze zaak voortzetting van het beslag proportioneel is. Het middel slaagt.
5. De conclusie
Het middel is terecht voorgesteld.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG