ECLI:NL:PHR:2022:170

ECLI:NL:PHR:2022:170, Parket bij de Hoge Raad, 22-02-2022, 20/04188

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-02-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/04188
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:807
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 5 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0006297

Samenvatting

Conclusie PG. Bijzondere voorwaarden bij voorwaardelijke straf. De PG geeft de Hoge Raad in overweging de maatstaf ‘ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde’ teneinde te bepalen of een voorwaarde het gedrag van de veroordeelde betreft te vervangen dan wel te verduidelijken. De PG is van mening dat de door het hof gestelde voorwaarde die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen in casu niet toelaatbaar is. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

Uitspraak

Nummer20/04188

Zitting 22 februari 2022

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

Het procesverloop

3. De voorliggende zaak is eerder in cassatie aan de orde geweest. Het hof had het vonnis van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 29 oktober 2013 bij arrest van 25 augustus 2014 bevestigd met aanvulling van de gronden. Bij arrest van 23 februari 2016 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:302) het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, de schadevergoedingsmaatregel daaronder begrepen. De grond voor cassatie was erin gelegen dat de gestelde bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen niet is aan te merken als een voorwaarde als bedoeld in art. 14c tweede lid 2 onder 5°, (oud) Sr (thans art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr).

4. Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2020 dat is gewezen nadat het arrest van dat hof van 25 augustus 2014 door de Hoge Raad gedeeltelijk was vernietigd.

Het middel

5. Het middel, bezien in het licht van de toelichting, bevat drie deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat de gestelde bijzondere voorwaarde onvoldoende precieze gedragsvoorschriften formuleert. Als tweede deelklacht wordt aangevoerd dat het hof bij de formulering van de medewerkingsverplichting niet de noodzakelijke beperkingen heeft aangebracht die uit de rechtspraak van de Hoge Raad voortvloeien. De derde deelklacht houdt in dat de bijzondere voorwaarde onvoldoende is gemotiveerd, mede in aanmerking genomen het ruime tijdsverloop tussen de bewezen verklaarde feiten en de strafoplegging in het bestreden arrest.

De uitspraak van het hof en een namens de verdachte gevoerd verweer

6. Het hof heeft de volgende bijzondere voorwaarden gesteld en ten aanzien van (de medewerking aan) het toezicht het volgende overwogen:

“Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- wordt verplicht om zich te onthouden van:

(a) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en

(b) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd.

Ten behoeve van de naleving van deze verplichtingen is veroordeelde verder verplicht zijn medewerking te verlenen aan het steekproefsgewijs laten controleren van zijn digitale gegevensdragers. De reclassering bepaalt in welke gevallen, op welke manier, door wie en wanneer de feitelijke controle plaatsvindt. Die medewerking dient uit het volgende te bestaan:

- veroordeelde moet maximaal tweemaal per jaar in het kader van die controle aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot zijn woning;

- veroordeelde moet dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers;

- veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”

7. Het hof heeft de aan de verdachte opgelegde straf, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, als volgt gemotiveerd:

“Oplegging van straf en maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zijn buurmeisje (…) van haar achtste tot haar dertiende levensjaar herhaaldelijk seksueel misbruikt. De seksuele handelingen hebben plaatsgevonden in de opeenvolgende woonplaatsen/woningen van verdachte. Het meisje kwam regelmatig bij hem over de vloer, omdat verdachte in de eerste woning een buurman was en een vriend van de familie van het slachtoffer. Verdachte heeft aldus ernstig misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van een jeugdige, de lichamelijke integriteit van het meisje op grove wijze geschonden en het door de familie van het slachtoffer in hem gestelde vertrouwen zeer ernstig geschonden.

Voorts heeft verdachte een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit gehad en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van een markt waarop dergelijk verwerpelijk en voor jeugdigen schadelijk materiaal wordt aangeboden. Het mag als algemeen bekend worden verondersteld dat kinderen door genoemd misbruik lichamelijke en psychische schade kunnen oplopen, hetgeen ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Uit het onderzoek van de bij verdachte inbeslaggenomen gegevensdragers blijkt dat 70 procent van de kinderpornografische afbeeldingen minderjarigen onder de 12 jaar betreft. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Verdachte heeft bovendien ook zelf kinderporno vervaardigd met afbeeldingen van jonge meisjes van wie de ouders vertrouwden dat zij bij hem veilig zouden zijn. Ook daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en de eerbaarheid van de slachtoffers.

(…)

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal van de op te leggen straf een groter deel voorwaardelijk worden opgelegd, hetgeen resulteert in een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft hierbij tevens acht geslagen op de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten. Aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf zal een bijzondere voorwaarde worden gekoppeld op hierna te melden wijze.”

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 november 2020 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende heeft aangevoerd:

“De gezondheid van cliënt is slechter geworden. Hij is inmiddels verhuisd naar een aangepaste woning. Cliënt heeft obesitas. Hij weegt 180 kilo. Hij kan zijn huis nauwelijks verlaten en verplaatst zich met een rollator. Het is mij niet meer gelukt om een doktersverklaring te vragen.

Het verbaast mij niet dat cliënt de woning niet meer uitkomt. Ik heb gezien dat hij steeds dikker werd. Eerder heeft cliënt een tia gehad en daarvan ervaart hij regelmatig de consequenties. Hij heeft problemen met zijn geheugen en vindt het lastig om woorden te vinden.

(…)

De opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk vindt cliënt te veel. Een werkstraf ligt meer in de rede met daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Momenteel zijn er bij cliënt lichamelijke beperkingen om een werkstraf uit te voeren maar cliënt wil wel zijn best doen.

Gelet op het enorme tijdsverloop lijkt het mij niet nodig om te controleren bij iemand die zijn woning niet meer uitkomt en eigenlijk geen contact met de buitenwereld meer heeft.”

De bespreking van het middel

‘voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’
Medewerking aan toezicht

9. Het middel geeft mij aanleiding iets langer stil te staan bij de mogelijkheid bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke veroordeling te verbinden.

10. De oplegging van een voorwaardelijke straf geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (art. 14, eerste lid, Sr). Daarnaast kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld (art. 14c, tweede lid, Sr). Daartoe behoort de categorie ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’ (art. 14c, tweede lid, onder 14, Sr). Deze zogenoemde gedragsvoorwaarde is al sinds de invoering van de voorwaardelijke veroordeling in 1915 in het wetboek opgenomen. In de oorspronkelijke regeling was daarnaast slechts één andere bijzondere voorwaarde afzonderlijk gerubriceerd, te weten de voorwaarde strekkende tot schadevergoeding. Schadevergoeding werd in mindere mate dan andere bijzondere voorwaarden aangemerkt als een middel om recidive te voorkomen en meer als een randvoorwaarde voor de toepassing van de voorwaardelijke veroordeling.

11. De gedragsvoorwaarde en de algemene voorwaarde staan in een logische verhouding tot elkaar: met de bijzondere voorwaarde tracht de rechter het gedrag van de veroordeelde dusdanig te beïnvloeden, dat de kans wordt vergroot dat deze de algemene voorwaarde, dat hij zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, naleeft. De veroordeelde zou actief moeten meewerken aan zijn ‘verbetering’, die strafbaar gedrag zou tegengaan. Volgens de memorie van toelichting zou sprake moeten zijn van een “krachtige zedelijke beïnvloeding”. Deze terminologie past in het toenmalige tijdsgewricht. Dat geldt ook voor voorwaarden die korte tijd na de invoering werden gesteld, zoals de voorwaarde dat de veroordeelde zal breken met zijn vrienden en de voorwaarde dat de veroordeelde haar moeder in het huishouden behulpzaam zal zijn en zich zal onthouden van elke niet door haar ouders goedgekeurde omgang met mannen of jongens. De voorwaarden hadden niet zelden een bevoogdend karakter en grepen soms diep in het leven van de veroordeelde in. In een duidelijke normering heeft de wetgever niet voorzien. Uit de tekst van de wet (‘het gedrag van de veroordeelde betreffende’) vloeit slechts voort dat de naleving van de voorwaarde uitsluitend in handen van de veroordeelde moet liggen.

12. In 1926 gaf de Hoge Raad een uitleg aan ‘andere voorwaarden het gedrag van de veroordeelde betreffende’. Daaronder moesten volgens de Hoge Raad worden verstaan “voorschriften betreffende zijn handel en wandel te huis en in de samenleving, zijn wijze van leven”. Voorwaarden zouden in “een berispelijk leven” verbetering kunnen brengen. In latere arresten worden ook voorwaarden die de strekking hebben “het maatschappelijk betamend gedrag van den veroordeelde te bevorderen” geschaard onder voorwaarden ‘het gedrag van de veroordeelde betreffende’. In zijn arrest van 25 juni 1963, NJ 1964/311 overweegt de Hoge Raad dat de in die zaak gestelde bijzondere voorwaarde niet het gedrag van de veroordeelde betrof in de zin van art. 14c, tweede lid, (oud) Sr, omdat deze noch de levenswandel van de veroordeelde betrof noch een gedraging waartoe de veroordeelde uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moest worden geacht. Daaruit volgt dat de formulering uit het arrest van 1926 is samengebald tot ‘levenswandel’ en dat daarnaast sprake kan zijn van een gedragsvoorwaarde als deze ertoe strekt de maatschappelijke betamelijkheid te bevorderen.

13. In 1968 zette de Hoge Raad de volgende stap in de rechtspraak over de gedragsvoorwaarde. De Hoge Raad oordeelt over een voorwaarde dat de veroordeelde Nederland zal verlaten en daarin binnen de proeftijd niet zal terugkeren dat “deze voorwaarde niet valt aan te merken als strekkende ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde noch te betreffen een gedraging waartoe de veroordeelde uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht en is dus niet een voorwaarde betreffende het gedrag van de veroordeelde als bedoeld in art. 14c Sr”. Deze lijn in de rechtspraak is nog steeds geldend recht. De omstandigheid dat veel bijzondere voorwaarden sinds 2012 afzonderlijk in art. 14c, tweede lid, Sr zijn opgenomen, heeft hierin geen verandering gebracht. Zo overweegt de Hoge Raad in zijn arrest van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410 onder verwijzing naar het arrest uit 1968 dat als voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht.

14. Aan het voorgaande doet niet af dat ook arresten zijn aan te wijzen waarin een voorwaarde is aangemerkt als een voorwaarde het gedrag van de veroordeelde betreffende nadat was vastgesteld dat deze de strekking had de veroordeelde te weerhouden van het begaan van strafbare feiten, met name van soortgelijke als waarvoor de verdachte werd vervolgd. Die formulering impliceert immers dat het voorkomen van recidive als uitingsvorm van ‘goed levensgedrag’ wordt aangemerkt, terwijl in arresten van zeer recente datum het criterium van ‘goed levensgedrag’ onverkort wordt vooropgesteld.

15. Zowel de term ‘goed levensgedrag’ als het begrip ‘maatschappelijke betamelijkheid’ heeft een normatief element. De maatstaf van ‘maatschappelijke betamelijkheid’ doet denken aan het bepaalde in art. 6:162 BW over hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. In de context van de bijzondere voorwaarden kan daarbij in het bijzonder worden gedacht aan fatsoensnormen die verplichten tot een gedraging naar aanleiding van het gepleegde delict en die enige vorm van morele genoegdoening inhouden. In het vervolg zal ik mij concentreren op de categorie voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde.

16. Eerder heb ik betoogd dat de maatstaf dat een voorwaarde strekt ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde beter kan worden vervangen door het criterium dat de voorwaarde strekt ter voorkoming van strafbaar gedrag. Anderen waren mij daarin voorgegaan, om te beginnen Enschedé. In zijn in 1970 verschenen noot onder het arrest van 1968 laat hij doorklinken dat hij de term ‘goed levensgedrag’ niet goed bruikbaar acht voor het strafrecht “van nu”. Hij stelt dat in de huidige, pluriforme maatschappij op de vraag wat ‘goed levensgedrag’ is geen ondubbelzinnig antwoord meer mogelijk is. De wet dringt de rechter de formulering ‘goed’ levensgedrag niet op, terwijl de rechter die dit criterium toepast partij moet kiezen in wat goed levensgedrag is.

17. Deze argumentatie heeft anno 2022 alleen maar aan kracht gewonnen. Ten tijde van de invoering van de voorwaardelijke veroordeling waren formuleringen als ‘krachtige zedelijke beïnvloeding’ en verbetering brengen in een ‘berispelijk leven’ niet ongebruikelijk. Maar in de huidige maatschappelijke verhoudingen komt de rechter die zich moet uitlaten over ‘goed levensgedrag’ onvermijdelijk in een ongemakkelijke positie, omdat dit begrip per definitie subjectief is en de rechter het verwijt van bevoogdend optreden over zich afroept. In een moderne visie op de taak van de rechter in onze democratische rechtsorde past beter dat de strafrechter zich concentreert op het voorkomen van strafbaar gedrag, dat in het verlengde ligt van de berechting van strafbare feiten. Het lijkt mij van belang dat de strekking van de bijzondere voorwaarden strafrechtelijke doelen reflecteren. Speciale preventie wordt aangemerkt als een van de strafdoeleinden. Voorwaarden met het oog op het voorkomen van toekomstig strafbaar gedrag van de veroordeelde passen naadloos bij dat doel van de straf, terwijl dat niet zonder meer geldt voor de categorie voorwaarden ter bevordering van ‘goed levensgedrag’. De legitimatie voor een surplus boven het speciaal-preventieve doel is bepaald niet vanzelfsprekend.

18. Het begrip ‘goed levensgedrag’ heeft bovendien het nadeel van de vaagheid. Ook dat past beter in de tijd waarin de voorwaardelijke veroordeling werd ingevoerd dan in ons huidige rechtsstelsel. De voorwaardelijke veroordeling draagt de sporen van het gedachtegoed van de Moderne Richting in het strafrecht, die een persoonsgerichte strafrechtelijke reactie voorstond en waarin beginselen van legaliteit en rechtszekerheid op de achtergrond bleven. In de tweede helft van de vorige eeuw werd de nadruk op die beginselen groter, mede onder invloed van Europese rechtspraak. Zo zal aan een bijzondere voorwaarde die een inbreuk maakt op een verdragsrechtelijk beschermd recht van de veroordeelde een wettelijke regeling ten grondslag moeten liggen die voldoet aan de eisen van kenbaarheid en voorzienbaarheid. De wetgever heeft in 2012 bij deze ontwikkeling aansluiting gezocht door een aantal bijzondere voorwaarden afzonderlijk in art. 14c, tweede lid, Sr op te nemen. Daarmee werd mede beoogd de rechtszekerheid te bevorderen. De maatstaf ‘goed levensgedrag’ is ook in dit verband een anachronisme.

19. Ook uit een oogpunt van wetssystematiek ligt het meer voor de hand het begrip ‘goed levensgedrag’ te vervangen door de maatstaf ‘ter voorkoming van strafbaar gedrag’. De bijzondere voorwaarde staat aldus beschouwd in een logisch verband tot de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De gedragsvoorwaarde staat in zoverre in dienst van de naleving van de algemene voorwaarde en daarmee van het strafdoeleinde van speciale preventie.

20. Ten slotte zie ik geen praktische bezwaren tegen vervanging van het criterium van ‘goed levensgedrag’ door ‘strafbaar gedrag’. Voor zover ik kan overzien, wordt de desbetreffende categorie gedragsvoorwaarden in de praktijk al op die wijze ingezet. Ook uit praktisch oogpunt lijkt er geen behoefte te bestaan buiten de grenzen van het voorkomen van strafbaar gedrag van de veroordeelde te treden.

21. Gelet op het bovenstaande, geef ik de Hoge Raad in overweging de lijn in de rechtspraak in zoverre te verduidelijken dan wel aan te passen dat als voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter voorkoming van strafbaar gedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht.

22. Ik keer terug naar het middel. De steller van het middel keert zich tegen de bijzondere voorwaarde die inhoudt dat de veroordeelde wordt verplicht om zich te onthouden van: (a) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en (b) gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. De strekking ervan is onmiskenbaar dat daarmee wordt beoogd te voorkomen dat de veroordeelde zich schuldig maakt aan strafbaar gedrag, in het bijzonder aan soortgelijke misdrijven als die waarvoor hij is veroordeeld. Gelet op de bewoordingen, aard en strekking van de voorwaarde, acht ik de voorwaarde niet te onbepaald. Anders dan de steller van het middel aanvoert, laat de formulering van de voorwaarde er geen twijfel over bestaan dat de veroordeelde wel gebruik zal mogen maken van zoekmachines op internet, mits hij deze maar niet gebruikt om op zoek te gaan naar websites waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en/of waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. In de omschrijving van de voorwaarde komt de gerichtheid van de gedragingen tot uitdrukking. De voorwaarde is aan te merken als een voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende, als bedoeld in art. 14c, tweede lid, onder 5, (oud) Sr (thans: art. 14c, tweede lid, onder 14, Sr. Voor zover het middel de klacht behelst dat de voorwaarde ontoelaatbaar is omdat de gedragsvoorschriften onvoldoende precies zijn, meen ik dat het geen doel treft. De eerste deelklacht faalt.

23. Tot een nadere motivering van de gestelde voorwaarde was het hof, mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte ter zitting is aangevoerd, niet gehouden. Ook de derde deelklacht faalt.

24. In het door de Hoge Raad gecasseerde arrest had het hof – door bevestiging van het in eerste aanleg gewezen vonnis – verder als bijzondere voorwaarde gesteld dat “de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen”.

25. Bij de beoordeling van het middel moet worden bedacht dat het bewezen verklaarde plaatsvond in de jaren 2009 tot en met 2011. Voor het toepasselijke wettelijk kader verwees de Hoge Raad naar de conclusie van AG Vegter. Die nam tot uitgangspunt de wettelijke bepalingen zoals die golden ten tijde van het bewezen verklaarde. Art. 14c Sr luidde toen, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, als volgt:

“1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

(…)

5°.andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen.”

26. De Hoge Raad verwees in zijn arrest naar het genoemde art. 14c, tweede lid, onder 5, (oud) Sr en oordeelde de gestelde bijzondere voorwaarde in strijd met de genoemde bepaling. De Hoge Raad overwoog daartoe:

“2.4 Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 5º, (oud) Sr (thans art. 14c, tweede lid onder 14°, Sr) dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968: AB6079, NJ 1970/123).

2.5. De door het Hof gestelde bijzondere voorwaarde dat "de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen", is in strijd met genoemde bepaling omdat deze voorwaarde niet voldoet aan de hiervoor onder 2.4 weergegeven maatstaven.

Daarbij heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat het Hof weliswaar kennelijk het oog had op gedrag dat met - kort gezegd - kinderporno verband houdt, maar daartoe niet een voldoende precies gedragsvoorschrift heeft geformuleerd, alsmede dat het toezicht op de naleving van voorwaarden separaat is geregeld en een bijzondere voorwaarde in de zin van art. 14c, tweede lid onder 14º, Sr, niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeen komt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen op de veelomvattende en ingrijpende wijze zoals in de onderhavige voorwaarde is geformuleerd.”

27. De uitspraak van het hof is uitsluitend wat de strafoplegging betreft vernietigd. De bewezenverklaring is onaangetast gebleven. Dat betekent dat in cassatie moet worden uitgegaan van de bewezen verklaarde periode die ook in de ‘vorige ronde’ aan de orde was (kort samengevat: in de jaren 2009 tot en met 2011). Daarmee is art. 14c, tweede lid, onder 5, (oud) Sr, zoals hiervoor onder 21 geciteerd, toepasselijk. De wetswijzigingen vanaf 2012, voor zover daarbij is voorzien in een wettelijke grondslag voor een verder strekkende en de veroordeelde belastende medewerkingsverplichting ten aanzien van het reclasseringstoezicht en daarmee van een wezenlijk onderdeel van de sanctieoplegging en strafbedreiging, zullen buiten beschouwing moeten blijven.

28. Resteert de vraag of de formulering van de bijzondere voorwaarde in het bestreden arrest kan worden aangemerkt als een voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende. Deze vraag moet ontkennend moet worden beantwoord. In HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410 had het hof de volgende bijzondere voorwaarde gesteld:

28. “(ii) Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde maximaal tweemaal per jaar in het kader van controle van zijn digitale gegevensdragers aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaft tot zijn woning, waarbij de veroordeelde dan op verzoek van de reclassering, al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking moet stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers. De veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.”

29. De Hoge Raad overwoog:

“3.3.2

Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, lid 2 onder 14°, Sr dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. ten aanzien van artikel 14c, lid 2 onder 5° (oud), Sr, HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6079 (NJ 1970/123, m.nt. Ch.J. Enschedé; red.)).

Zo’n voorwaarde dient voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift te formuleren. Zij kan niet geacht worden gedrag van de verdachte te omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen (vgl. HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302).

3.4

De hiervoor onder (ii) door het hof gestelde bijzondere voorwaarde is in strijd met artikel 14c, lid 2 onder 14°, Sr omdat deze voorwaarde niet voldoet aan de hiervoor onder 3.3.2 weergegeven maatstaven.

Voor zover het hof met het formuleren van dit gedragsvoorschrift zou hebben beoogd het toezicht op de naleving van de onder (i) weergegeven bijzondere voorwaarde te regelen, heeft het hof dat niet voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht, terwijl het hof dan evenmin voldoende precies heeft geformuleerd dat het onderzoek aan de gegevensdragers — en het daarmee verbonden verlenen van toegang tot de woning en de gegevensdragers — beperkt dient te blijven tot dat toezicht op de naleving van die bijzondere voorwaarde en evenmin voldoende precies heeft geformuleerd op welke wijze dat onderzoek aan de gegevensdragers mag worden uitgevoerd en welke functionarissen daarbij de reclassering (technische) ondersteuning mogen bieden, teneinde te waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet meer dan nodig voor het beoogde toezicht wordt beperkt.”

30. Daarmee valt ook het doek voor de door het hof gestelde voorwaarde. Daaraan doet niet af dat het hof de voorwaarde meer dan in het arrest uit 2020 heeft verbonden met de naleving van de specifieke bijzondere voorwaarden ten aanzien van internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen en waarin over seksuele handelingen met kinderen wordt gecommuniceerd. Het hof heeft immers in elk geval niet voldoende precies geformuleerd op welke wijze het onderzoek aan de gegevensdragers mag worden uitgevoerd en welke functionarissen daarbij de reclassering (technische) ondersteuning mogen bieden, teneinde te waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet meer dan nodig voor het beoogde toezicht wordt beperkt. Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.

31. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Het huidige art. 14c, derde lid, Sr luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:

“(…)

b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.”

32. Art. 14c, zesde lid, Sr luidt als volgt: “De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”

33. De nieuwe bepalingen staan er volgens de Hoge Raad niet aan in de weg dat een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, tweede lid, onder 14, Sr wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c, tweede lid, Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Wel moet het daarbij gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is.

34. De vraag naar de reikwijdte van het reclasseringstoezicht, in het bijzonder ten aanzien van digitale gegevensdragers, is aan de hand van de wettelijke regeling moeilijk te beantwoorden. Gelet op de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die het onderzoek van gegevensdragers kan meebrengen, verdient het de voorkeur dat de wetgever bij de normering het voortouw neemt.

35. Het hof heeft ten aanzien van het toezicht niet meer overwogen dan dat het de reclassering opdracht geeft tot het houden van toezicht op de naleving van “voormelde bijzondere voorwaarde” en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De voorwaarde die ertoe strekt het toezicht op een (andere) voorwaarde mogelijk te maken of te bevorderen, is wel nader ingevuld en op zodanige wijze dat daarmee onmiskenbaar een meer dan ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde wordt gemaakt. Kennelijk heeft het hof daarmee – indirect – een kader voor de reclassering willen geven voor de reikwijdte van het toezicht. De in het bestreden arrest gekozen constructie, waarbij de opdracht tot het houden van toezicht aan de reclassering algemeen en de medewerkingsverplichting ten laste van de veroordeelde specifiek en verstrekkend is, ligt naar mijn mening niet in de rede.

36. De tweede deelklacht is terecht voorgesteld. Het middel slaagt in zoverre.

37. Slotsom

38. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

39. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de strafoplegging betreft, en tot een zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sr als de Hoge Raad passend voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

PG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?