Nummer20/02380
Zitting 18 januari 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het eerste middel
3. Het middel richt zich tegen de strafmotivering. De klacht houdt in dat het hof ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat hij eerder onherroepelijk tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren is veroordeeld voor het plegen van twee straatroven en witwassen, en dat bij die straatroven eveneens ten laste was gelegd dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen, terwijl deze feiten en omstandigheden niet zijn terug te vinden in de stukken van het geding, waaronder een uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juli 2020, zodat de strafmotivering niet begrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.
4. Het middel heeft betrekking op het volgende deel van de strafmotivering van het hof:
“Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren is veroordeeld voor het plegen van twee straatroven, en witwassen, bij welke eerstgenoemde feiten eveneens ten laste is gelegd dat gebruikt is gemaakt van een vuurwapen, hetgeen het hof ambtshalve bekend is.
Het voorgaande heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.”
5. Voormeld uittreksel Justitiële Documentatie vermeldt onder meer het volgende:
6. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte blijkt daarmee dat hij op 16 juni 2017 door de rechtbank in een andere zaak is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren wegens 1. “medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken” en 3. “medeplegen van witwassen”. Van feit 2 – kennelijk een andere straatroof – is de verdachte door de rechtbank vrijgesproken. Het hof heeft de verdachte ter terechtzitting van 1 maart 2018 vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
7. De bestreden overweging van het hof dat de verdachte eerder onherroepelijk tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren is veroordeeld wegens onder meer het plegen van twee straatroven, lijkt te berusten op een verkeerde lezing door het hof van het uittreksel Justitiële Documentatie en is daarmee niet zonder meer begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
8. Verder blijkt uit de strafmotivering dat het hof ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat bij de eerdere straatroven waarvoor de verdachte onherroepelijk veroordeeld zou zijn “eveneens ten laste is gelegd dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen, hetgeen het hof ambtshalve bekend is”.
9. In de onderhavige zaak kan aan de hand van het uittreksel Justitiële Documentatie ten aanzien van de gekwalificeerde diefstal waarvoor de verdachte onherroepelijk is veroordeeld, weliswaar worden vastgesteld dat daarbij geweld is gebruikt, maar niet dat de verdachte daarbij gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof niet dat aldaar aan de orde is geweest dat het hof ambtshalve bekend is met de omstandigheid dat in de tenlastelegging van eerdere feiten waarvoor hij onherroepelijk zou zijn veroordeeld, was vermeld dat door de verdachte gebruik is gemaakt van een vuurwapen. Het behoort evenwel tot de taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de art. 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in diens zaak. Het hof heeft gelet op het voorgaande niet ten nadele van de verdachte bij zijn oordeel omtrent de strafoplegging kunnen betrekken dat in een eerdere zaak eveneens was ten laste gelegd dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen. De steller van het middel klaagt daarover terecht.
10. Het middel slaagt in al zijn onderdelen.
Het tweede middel
11. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in cassatie is geschonden, omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en de datum van binnenkomst van de stukken op de strafgriffie van de Hoge Raad 9 maanden en 11 dagen zijn verstreken.
12. Omdat mijn conclusie ten aanzien van het eerste middel al meebrengt dat de uitspraak van het hof wat betreft de strafoplegging dient te worden vernietigd, hoeft het tweede middel niet te worden besproken. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik uiteraard tot nader concluderen bereid.
Slotsom
13. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel hoeft niet te worden besproken.
14. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG