PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/04409
Zitting 28 juni 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
Het bestreden arrest bevat voor zover voor de beoordeling van het middel relevant het volgende:
“BESLISSING
Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 400 (vierhonderd) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 164 (honderdvierenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt (…) dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich uiterlijk dinsdag 14 januari 2020 te 12.00 uur meldt bij het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering (hierna ‘reclassering’) op het adres [a-straat 1] , [plaats] , of hiertoe een telefonische afspraak maakt op telefoonnummer [telefoonnummer] ; verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- verblijft bij Vast & Verder van het Leger des Heils, of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele schorsingsperiode of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
(…)”
De strafoplegging is door het hof als volgt gemotiveerd:
“Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft verder acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële documentatie met betrekking tot verdachte van 5 november 2020 en een brief gedateerd 29 augustus 2020 van [betrokkene 1] van Leger des Heils Vast en Verder Arnhem over verdachtes situatie op dat moment.
Het hof stelt voorop dat de straf zoals door de rechtbank destijds, opgelegd, passend en geboden was. Verdachte heeft door het plegen van de bewezenverklaarde delicten gehandeld met het oog op puur financieel gewin voor zichzelf ten koste van anderen. Een voetbalvereniging als [A] heeft gereedschappen zoals door verdachte en zijn mededaders gestolen hard nodig om de dagelijkse sportactiviteiten van de leden mogelijk te maken. In de woning van [betrokkene 2] waren de daar ontvreemde spullen nodig voor de verbouwing De poging tot diefstal uit het voertuig van [betrokkene 3] Installatie [B] heeft gezorgd voor hinder in de uitoefening van professionele werkzaamheden doordat de achterruit van het werkvoertuig eruit lag. [betrokkene 4] heeft, in verband met de daarmee gemoeide kosten, zo begrijpt het hof uit het verhandelde ter zitting, het gaatje in de deur van zijn voertuig nog niet kunnen laten maken. De (pogingen tot) diefstallen betreffen, kortom, vervelende feiten die anderen overlast en financieel nadeel hebben berokkend en die - mede in het licht van verdachtes strafblad - zonder meer de oplegging zouden rechtvaardigen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan verdachte reeds in voorarrest heeft uitgezeten.
Daar staat tegenover dat de omvang van het aanzienlijke strafblad van verdachte al enige tijd min of meer gelijk is gebleven. Uit het besprokene ter zitting, waaronder de brief van het Leger des Heils, lijkt te volgen dat verdachte een andere weg is ingeslagen en het criminele pad heeft verlaten. Een detentie langer dan zes weken zou het lopende traject bij Vast en Verder kunnen verstoren. In de strafzaak met parketnurnmer 21-000761-19 is aan verdachte bij arrest van 23 december 2020 al een gevangenisstraf voor de duur van twee weken opgelegd. Ter zitting is verder namens verdachte de bereidheid geuit de schade (voor zover verdachte daarvoor rechtens aansprakelijk is) te vergoeden.
Al met al ziet het hof, met de advocaat-generaal, aanleiding verdachte de kans te bieden zich te bewijzen. Het hof gaat daarom mee in het voorstel van de raadsman om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 400 dagen waarvan 164 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen dezelfde voorwaarden verbonden worden als hebben gegolden tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis.
In de hierboven weergegeven beslissing heeft het hof twee bijzondere voorwaarden gesteld die het eerder aan de schorsing van de voorlopige hechtenis had verbonden. Als gevolg van een kennelijke vergissing zijn de bewoordingen van de schorsingsvoorwaarden woordelijk overgenomen. Het gevolg hiervan is dat het hof ten aanzien van beide gestelde bijzondere voorwaarden een datum (“14 januari 2020”) onderscheidenlijk een termijn (“de gehele schorsingsperiode”) heeft bepaald die in het verleden ligt, waardoor een voorwaarde wordt gesteld waar de verdachte op het moment van het wijzen van het arrest al niet meer aan kon voldoen. Het middel klaagt hierover op zichzelf genomen terecht.
Deze kennelijke vergissing hoeft naar mijn idee evenwel niet tot cassatie te leiden omdat uit de hiervoor bedoelde strafmotivering duidelijk blijkt welke voorwaarden het hof voor ogen hebben gestaan en de Hoge Raad het arrest in zoverre verbeterd kan lezen. Het eerste gedeelte (tot aan de puntkomma) van de onder het eerste gedachtestreepje gestelde voorwaarde kan naar het mij voorkomt worden gemist, omdat uit de onder 4.2 weergegeven motivering blijkt dat het contact tussen de verdachte en het Leger des Heils al tot stand is gekomen. Volstaan kan worden met de voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Wat betreft de onder het tweede gedachtestreepje genoemde voorwaarde blijkt uit de strafmotivering dat het hof heeft beoogd om het traject bij Vast en Verder te laten voortduren. Door het woord “schorsingsperiode” te vervangen door “proeftijd” wordt deze misslag verbeterd.
Opmerking verdient overigens nog het volgende. De kennelijke vergissing waar het in deze zaak om gaat, vormt een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten, overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare straffen. Het cassatieberoep ontbeert dus ‘in wezen’ belang – voor herstel is een andere route dan het aanwenden van een rechtsmiddel aangewezen. Nu deze zaak eenmaal aanhangig is gemaakt bij de Hoge Raad en ik daarin een conclusie heb genomen, komt het mij evenwel voor dat het om doelmatigheidsredenen de voorkeur verdient als de Hoge Raad de zaak zelf afdoet op de wijze als hierboven uiteengezet.
Het middel faalt na verbeterde lezing van het arrest.
5. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
Het cassatieberoep is ingesteld op 29 december 2020. De stukken van het geding zijn op 12 november 2021 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van 8 maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Aldus komt deze zaak in aanmerking voor strafvermindering.
Het middel is terecht voorgesteld.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, tot verbetering van de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde op de wijze als hierboven uiteengezet en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden