HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04409
Datum 27 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2020, nummer 21-006593-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, tot verbetering van de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarden.
Om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.3 en 4.4 staan vermeld, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat de Hoge Raad de bijzondere voorwaarden zal verbeteren.
Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten, overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare straffen.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 400 dagen, waarvan 164 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat de eerste door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde in die zin dat deze luidt dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de reclassering), zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- verstaat de tweede door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde in die zin dat deze luidt dat de verdachte verblijft bij Vast & Verder van het Leger des Heils of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 389 dagen, waarvan 164 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2022.