34. oogsten x voorlopige netto opbrengst koelruimte =€ 1.586.168,00
34 oogsten x voorlopige netto opbrengst silo = € 1.586.168,00
Verdachte [betrokkene] heeft verklaard dat in de kelder 220 planten per vertrek stonden, dat hij van de eerste twee hokken in totaal ongeveer vijf keer geoogst heeft en van het derde hok drie keer. Voor de berekening zal worden uitgegaan van 660 planten. Voor de berekening van het aantal oogsten zal worden uitgegaan van de verbruikte elektriciteit ten behoeve van hennepkweek zoals weergegeven in de tabel ‘verbruik elektriciteit ten behoeve van (hennep)kweek en huishoudelijk verbruik'. Hieruit blijkt het restant verbruik voor de kelder na aftrek van volledig verbruik in silo en koelruimte. Door dit verbruik ( 529.581 kWh ) te delen door het verbruik per oogst, zijnde 30.334 kWh , komt het aantal oogsten afgerond naar beneden op 17 . De berekening voor de kelder wordt dan als volgt. De afschrijvingskosten van de investeringen zijn afhankelijk van het aantal planten per oogst. Bij 600 – 699 planten bedraagt de afschrijving per oogst € 400 . De inkoopprijs van de stekken bedraagt € 2,85 per stek. De overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) bedraagt € 3,33 per plant. De totale variabele kosten bedragen dan € 6,18 per stek; 660 planten x € 6,18 = € 4.078,80. De totale kosten (vast en variabel) van de kelder bedragen dan: € 400,00 + € 4.078,80 = € 4.478,80.
[betrokkene] heeft opgegeven dat de opbrengst per vertrek 3,5 a 4 kilo was. Er zal worden uitgegaan van een opbrengst van 4 kilo per vertrek. Dit levert de volgende berekening op:
Bruto opbrengst (3 x 4 kilo =) 12 kg x € 3.000,00 = € 36.000,00
Minus vaste en variabele kosten: € 4.478,80
-
Voorlopige netto opbrengst kelder: € 31.521,20
17. oogsten x voorlopige netto opbrengst € 31.521,20 =€ 535.860,50
Zoals is gebleken uit het overzicht elektriciteitsverbruik van Enexis, werd de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerijen legaal afgenomen. Een overzicht van de diverse leveranciers in de betreffende periode is door Enexis verstrekt. Deze leveranciers zijn bevraagd over de jaarrekeningen elektriciteitsverbruik. Daaruit blijken de betaalde elektriciteitskosten voor de afgenomen hoeveelheid kWh. De elektriciteitskosten ten behoeve van het huishoudelijk gebruik dienen daarop in mindering te worden gebracht. Voor de berekening zal worden uitgegaan van het totaalbedrag aan afgenomen elektriciteit minus het totaalbedrag aan huishoudelijk verbruik. De berekening ziet er dan als volgt uit:
Nuon: Deze periode beslaat 47 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 47 maanden is dan 47/12 x 10.000 kWh = 39.166 kWh.
Uitgaande in het voordeel van verdachten van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,05805, komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 39.166 kWh x € 0,05805 - € 2.273,58.Totaal aftrek Nuon: € 11.777,18 + € 3.809,86 + € 10.921,80 + € 4.913,89 + € 16.231,61 + € 25.401,82 + € 2.880,50 - € 2.273,58 = € 73.663,08.
E.on: Deze periode beslaat 33 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 33 maanden is dan 33/12 x 10.000 kWh = 27.500 kWh. Uitgaande van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,0987 komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 27.500 kWh x € 0,0987 = € 2.715,00. Totaal aftrek E.on: € 17.187,42 + € 25.399,35 + € 24.306,23 - € 2.715,00 = € 64.178,00.
Eneco: Deze periode beslaat 16 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 16 maanden is dan 16/12 x 10.000 kWh = 13.333 kWh. Uitgaande van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,07 komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 13.333 kWh x € 0,07 = € 933,31. Totaal aftrek Eneco: € 15.708,37 + € 5.599,72 + € 264,29 - € 933,31 = € 20.639,07 .
Totaal aftrek kosten verbruik elektriciteit ten behoeve van hennepkweek afgenomen van en betaald aan elektriciteitsleveranciers Nuon, E.on en Eneco: € 73.663,08 + € 64.178,00 + € 20.639,07 = € 158.480,15.
De kosten van hypotheek op de woning zijn als aftrekpost buiten beschouwing gelaten. Deze zijn sowieso verschuldigd, ook zonder aanwezigheid van een hennepkwekerij.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]) wordt in mindering gebracht op de netto opbrengst. De beelden van de beveiligingscamera dienen als basis voor de berekening van het voor [betrokkene 4] verkregen voordeel. In twaalf dagen cameraregistratie in de periode van 22 juni tot 3 juli 2013 is [betrokkene 4] om de dag en in totaal vijf dagen in de kelder onder de woning aan de [a-straat] 28 a in [plaats]. Als hij in twaalf dagen tijd vijf dagen in [plaats] is geweest om [betrokkene] te helpen in diens hennepkwekerij in verband met diens ziekte, zoals [betrokkene] heeft verklaard, is het aannemelijk dat [betrokkene 4] om de dag in de kwekerij heeft gewerkt. Op jaarbasis betekent dat afgerond 152 dagen. In verband met vakanties, school en andere verplichtingen wordt het aantal aldaar gewerkte dagen naar beneden afgerond naar een gewerkt aantal dagen van 100 per jaar. [betrokkene] kreeg in maart 2012 een auto-ongeval waarbij hij letsel opliep en als gevolg daarvan moest hij de hulp van [betrokkene 4] inschakelen. Tussen het moment van het ongeval tot het moment van ontdekking van de hennepkwekerij in de kelder zitten, naar beneden afgerond, vijftien maanden. 100 dagen per jaar werken betekent afgerond naar beneden acht dagen per maand. In vijftien maanden is derhalve 120 dagen gewerkt. Een gemiddelde van vier uur per dag is, gezien het aantal uren dat op beeld is vastgelegd, te weten tussen de anderhalf en elf uur per dag, ruimschoots in het voordeel van de verdachte. 120 dagen x 4 uur= 480 uur x een verdienste van € 10,00 per uur is een totale opbrengst van € 4.800,00 . [betrokkene 4] woont in [plaats] en reist naar [plaats] een retourafstand van 90 kilometer. Dit is in 120 dagen 10.800 kilometer. Uitgaande van een brandstofverbruik van 1:10 is het verbruik negen liter brandstof per dag en 1.080 liter in totaal. Uitgaande van een voor hem in dit geval gunstige prijs van € 1,70 per liter brandstof komen de kosten op € 1.836,00 . € 4.800,00 - € 1.836,00 = € 2.964,00
De uiteindelijke berekening ziet er dan als volgt uit:
Opbrengst koelruimte: € 1.586.168,00
Opbrengst silo: € 1.586.168,00
Opbrengst kelder: € 535.860,40
+
Totale opbrengst: € 3.708.196,40
Elektriciteitskosten: € 158.480,15
+
Voorlopige netto opbrengst: € 3.549.716,25
Wederrechtelijk verkregen voordeel [betrokkene 4] € 2.964,00
+
Totaal netto opbrengt: € 3.546.752,25
Voorts heeft de rechtbank overwogen:
Grondslag van de ontnemingsvordering
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen vast komen te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde telen en bewerken van hennep en soortgelijke feiten (voor zover het de periode vóór 1 juli 2011 betreft) dan wel andere strafbare feiten (voor zover het de periode vanaf 1 juli 2011 betreft), waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. Deze soortgelijke feiten, dan wel andere strafbare feiten, betreffen het telen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 mei 2012 en het verkopen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013.
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde gedurende deze gehele periode in de kelder onder het pand aan [a-straat 1] te [plaats] en in de silo en de koelruimte op dit perceel hennep heeft geteeld en dat hij deze hennep heeft verkocht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Veroordeelde heeft erkend dat hij hennep heeft geteeld in de genoemde ruimtes, dat hij in al deze ruimtes meerdere malen hennep heeft geoogst en dat hij de geoogste hennep heeft verkocht.
Uit de gegevens die zijn verstrekt door de netwerkbeheerder Enexis blijkt dat op het perceel [a-straat 1] te [plaats] in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 sprake is van een zeer hoog elektriciteitsverbruik.
De verdediging heeft gesteld dat dit elektriciteitsverbruik is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende de periode van 2005 tot 2012 legaal bloemen en groenten heeft gekweekt in het kassencomplex op het perceel, een deel van het kassencomplex door de stiefzoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen en bovendien sprake was van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik.
Op grond van de verklaring van [betrokkene 2], de bewoner van een naastgelegen perceel, en hetgeen veroordeelde heeft verteld aan een medewerker van Cordaet Personenschade BV in het kader van de letselschadeprocedure in verband met het auto-ongeluk dat veroordeelde in maart 2012 heeft gehad, acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde gedurende de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 in het kassencomplex tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) heeft geteeld. Op grond van dezelfde bewijsmiddelen acht de rechtbank niet aannemelijk dat nadien nog bloemen en/of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Daartoe overweegt de rechtbank dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij weet dat toen veroordeelde, [medeverdachte] en [betrokkene 5] op het adres [a-straat 1] in [plaats] kwamen wonen, veroordeelde in het begin tulpen verbouwde, dat veroordeelde dit naar zijn idee maar één seizoen heeft gedaan en dat de kassen na de tulpen niet meer in gebruik waren. Voorts overweegt de rechtbank daartoe dat in het rapport van Cordaet Personenschade BV staat dat veroordeelde gedurende een jaar tulpen heeft geteeld, maar dat hij daarmee is gestopt omdat het telen van tulpen financieel onvoldoende opleverde. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdediging geen documenten - zoals aankoopfacturen van zaden of stekjes, verkoopfacturen van bloemen of groenten of betalingsbewijzen - of andere bewijsmiddelen heeft overgelegd of aangedragen, waaruit zou kunnen blijken dat in de periode na medio 2006 nog bloemen of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, ook indien in die periode nog wel bloemen en/of groenten zouden zijn geteeld, dit het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik op het perceel niet (volledig) zou hebben kunnen verklaren. Daartoe overweegt zij dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] in het verleden in bezit heeft gehad, dat hij toen werkzaam was als tuinder, dat zijn gemiddelde verbruik van stroom toen jaarlijks ongeveer tussen de 20.000 en 30.000 kWh lag, dat dit zowel het stroomverbruik van de woning als van de kas betrof dat het verbruik van 30.000 kWh een piekjaar was, dat het verbruik nooit hoger was en dat hij de kas dan op volledige productie had draaien.
6. 7. De rechtbank acht aannemelijk dat een deel van het kassencomplex gedurende een deel van de ontnemingsperiode door de stiefzoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd echter nog geen begin van aannemelijkheid dat het elektriciteitsverbruik op het perceel daardoor zozeer is toegenomen dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat het kassencomplex werd verwarmd met behulp van gas en niet met behulp van elektriciteit.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de verdediging om aannemelijk te maken dat gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 op het perceel sprake is geweest van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik. Uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank nog geen begin van aannemelijkheid dat sprake was van een zodanig hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen de vorige eigenaar van het perceel heeft verklaard, zoals hiervoor weergegeven onder 6.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zeer hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende die gehele periode hennep heeft geteeld. Gelet op de verklaringen van veroordeelde is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde de door hem geteelde hennep heeft verkocht en dat hij uit deze verkoop wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank zal de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseren op het tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Berekening aantal oogsten op basis van elektriciteitsverbruik
De rechtbank neemt de ontnemingsrapportage als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat. De rechtbank baseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel - in navolging van de ontnemingsrapportage - op het hiervoor besproken, onverklaarbaar hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zeer hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende die gehele periode hennep heeft geteeld. De rechtbank acht aannemelijk dat de in deze periode verbruikte elektriciteit geheel is aangewend voor het telen van hennep, met uitzondering van de elektriciteit die gedurende deze periode is verbruikt voor het driepersoonshuishouden, de jacuzzi, de koikarpervijver en het houden van paarden en de elektriciteit die in de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 is verbruik voor het telen van tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) in het kassencomplex. Daarom acht de rechtbank de verklaringen van veroordeelde, die inhouden dat hij weliswaar hennep heeft geteeld maar dat dit gedurende een veel kortere periode en met een veel kleinere omvang is geweest dan in de ontnemingsrapportage wordt aangenomen, niet aannemelijk. De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat de berekening dient te worden gebaseerd op de verklaringen van veroordeelde.
Voor de berekening van de hoogte van het legale elektriciteitsverbruik sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. Dit betekent dat zij aannemelijk acht dat in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 jaarlijks 10.000 kWh is verbruikt voor het driepersoonshuishouden, de jacuzzi, de koikarpervijver en het houden van paarden. Daarnaast acht de rechtbank aannemelijk dat in de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 30.000 kWh is verbruikt voor het telen van tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) in het kassencomplex.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging geen begin van bewijs geleverd voor haar stelling dat het huishoudelijke elektriciteitsverbruik meer heeft bedragen dan de in de ontnemingsrapportage berekende en onderbouwde 10.000 kWh per jaar, laat staan dat het huishoudelijke elektriciteitsverbruik 54.000 kWh per jaar heeft bedragen. Ook anderszins is dit niet aannemelijk geworden. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. In de periode van ongeveer twee jaar na het ontmantelen van de hennepkwekerij is door de netwerkbeheerder een elektriciteitsverbruik van (omgerekend) meer dan 50.000 kWh per jaar gemeten. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, is echter niet gebleken dat dit uitzonderlijk hoge elektriciteitsverbruik kan worden gerelateerd aan legaal huishoudelijk verbruik. In het bijzonder is niet gebleken dat in die periode op het perceel (legale) apparaten, installaties of voorzieningen aanwezig zijn geweest die dit grote stroomverbruik kunnen verklaren en die niet zijn meegenomen in de berekening van het huishoudelijk elektriciteitsverbruik in de ontnemingsrapportage. Daarentegen zijn in het dossier wel aanwijzingen gevonden dat in de periode na de ontmanteling van de hennepkwekerij op 3 juli 2013 opnieuw hennep is geteeld op het dossier. Bij een inval op 14 mei 2014 zijn op het perceel onder meer een naar hennep ruikende kweektent en droognet, vers ogende grond, steenwolblokjes, nieuw ogende bloempotten, een nieuw ogend slakkenhuis en een voor gebruik gereed zijnde koolstoffilter aangetroffen, die daar ten tijde van de inval op 3 juli 2013 nog niet waren. Bovendien hing er een henneplucht in één van de kelderruimtes en lag in de kelder een nieuw aangelegde elektriciteitskabel. J. Vos, werkzaam als fraude-inspecteur bij netwerkbeheerder Enexis heeft ten aanzien van de meetresultaten betreffende het perceel [a-straat 1] te [plaats] over de periode van 26 mei 2014 tot en met 20 oktober 2014 verklaard dat er in bepaalde periodes met name 's nachts telkens gedurende 9 tot 12 uur een aanzienlijk stroomverbruik is, dat in bepaalde periodes gedurende 8 à 9 uur per dag sprake is van een onverklaarbare energie-afname van continu 4 kWh en dat de in- en uitschakeling automatisch moet zijn of met een automatische schakelaar. Ook neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen de vorige eigenaar van het perceel heeft verklaard over het elektriciteitsverbruik op het perceel, zoals hiervoor is weergegeven onder 6.6. Gelet op deze verklaring en de in de ontnemingsrapportage vermelde gegevens van het NIBUD betreffende het gemiddelde elektriciteitsverbruik van een driepersoonshuishouden en de op het perceel aangetroffen grote stroomverbruikers, is een legaal huishoudelijk elektriciteitsverbruik van 54.000 kWh zeer onaannemelijk.
Zoals de rechtbank hiervoor onder 6.6. heeft overwogen, acht zij niet aannemelijk dat veroordeelde in de periode na medio 2006 nog bloemen en/of groenten heeft gekweekt in het kassencomplex. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat het gebruik van een deel van het kassencomplex als showroom voor auto's en brommobielen tijdens een deel van de ontnemingsperiode heeft geleid tot een zodanig hoog elektriciteitsverbruik dat het totale legale elektriciteitsverbruik in die periode hoger was dan 10.000 kWh per jaar. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de berekening van het jaarverbruik van 10.000 kWh - in het voordeel van veroordeelde – ruime marges in acht zijn genomen en dat het niet aannemelijk is dat het gedeelte van het kassencomplex dat als showroom werd gebruikt, elektrisch werd verwarmd.
Voor de berekening van de hoeveelheid elektriciteit die nodig is voor een geslaagde oogst in de silo, de koelruimte en de kelder sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet bestreden. De rechtbank neemt het in de ontnemingsrapportage vermelde elektriciteitsverbruik van 11.938 kWh per oogst in de silo en 12.640 kWh per oogst in de koelruimte over. De rechtbank constateert dat in de ontnemingsrapportage bij de berekening van het elektriciteitsverbruik van de kweekruimtes in de kelder is uitgegaan van 49 lampen van elk 600 Watt, terwijl elders in deze rapportage is vermeld dat in die kweekruimtes 42 lampen van 600 Watt en zeven lampen van 700 Watt zijn aangetroffen. De rechtbank zal in het voordeel van veroordeelde uitgaan van de laatstgenoemde aantallen en wattages. Dit betekent dat de rechtbank aanneemt dat het elektriciteitsverbruik per oogst in de kweekruimtes in de kelder (7 lampen x 100 Watt x 110% x 798 uren =) 614,46 kWh hoger is geweest dan is vermeld in de ontnemingsrapportage. Daarom gaat de rechtbank uit van een elektriciteitsverbruik per oogst in de kelder van (30.334,92 kWh + 614,46 kWh =) 30.949 kWh.
Voor de berekening van het aantal oogsten per kweekruimte sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De rechtbank zal per periode eerst het geschatte legale elektriciteitsverbruik aftrekken van het door de netwerkbeheerder vastgestelde elektriciteitsverbruik. Van de uitkomst van die som zal de rechtbank het elektriciteitsverbruik aftrekken dat nodig is voor een zo groot mogelijk aantal oogsten in de silo en de koelruimte tot een maximum van vijf oogsten per jaar. Het elektriciteitsverbruik dat daarna resteert, zal de rechtbank toerekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Dit echter met uitzondering van de periode 2012/2013. In die periode zal de rechtbank het gehele elektriciteitsverbruik dat resteert na aftrek van het geschatte legale elektriciteitsverbruik toerekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Voorts zal de rechtbank het elektriciteitsverbruik van 38.255 kWh dat in de ontnemingsrapportage is vermeld bij de laatste periode in de tabel 'elektriciteitsverbruik ten behoeve van hennepkweek en huishoudelijk verbruik’ (hierna: de tabel) buiten beschouwing laten, omdat zij ervan uitgaat dat dit verbruik gerelateerd is aan de teelt van de hennepplanten en stekjes die zijn aangetroffen bij de inval op 3 juli 2013, welke teelt niet tot voordeel heeft geleid.
Ten aanzien van de hiervoor vermelde volgorde van de toerekening overweegt de rechtbank het volgende. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde al in augustus 2005 is begonnen met het telen van hennep. Daarnaast acht de rechtbank het op grond van de tabel aannemelijk dat gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode tegelijkertijd hennep is geteeld in de silo en de koelruimte én in de kelder. Voor zover veroordeelde heeft verklaard dat hij maximaal twee jaar voor juni of juli 2012 is begonnen met het telen van hennep in de silo en de koelruimte en dat hij pas is begonnen met het telen van hennep in de kelder, nadat in juni of juli 2012 was gestopt met het telen van hennep in de silo en de koelruimte, acht de rechtbank deze verklaring dan ook niet geloofwaardig. Op grond van deze verklaring acht de rechtbank wel aannemelijk dat het zwaartepunt van de hennepteelt in de periode vóór juni of juli 2012 in de silo en de koelruimte lag en dat veroordeelde na juni of juli 2012 in die ruimtes geen hennep meer heeft geteeld.
Dit leidt tot de volgende berekening van het aantal oogsten per kweekruimte.
jaar: verbruik privé: over tbv kweek silo: koelruimte: rest=kelder
in kWh in kWh
3 oogsten = 3 oogsten =
05/06 (114.859 – 40.000 =) 74.859 kWh - (31.814 kWh + 37.920 kWh) = 1.125 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
06/07 (152.503 – 10.000 =) 142.503 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 19.613 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
07/08 (201.437 – 10.000 =) 191.437 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 68.547 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
08/09 (208.988 – 10.000 =) 198.988 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 76.096 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
09/10 (208.603 – 10.000 =) 198.603 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 75.713 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
10/11 (221.573 – 10.000=) 211.573 kWh (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 88.683 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
11/12 (204.647 – 10.000=) 196.647 kWh (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 71.757 kWh
12/13 (162.623 – 10.000=) 152.623 kWh 0 + 0 = 152.623 kWh
-
totaal aantal oogsten 33 oogsten 33 oogsten
totaal resterend elektriciteitsverbruik 554.159 kWh
De rechtbank berekent het aantal oogsten in de kelder door het resterende elektriciteitsverbruik van 554.159 kWh te delen door het in overweging 7.5. berekende elektriciteitsverbruik van 30.949 kWh dat nodig is voor één oogst in deze kweekruimtes. Dit resulteert (naar beneden afgerond) in zeventien oogsten.
Berekening opbrengst hennepteelt
Ook voor de berekening van de opbrengst per oogst in hennep en geld sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling dat voor wat betreft de opbrengst van de silo en de koelruimte moet worden uitgegaan van de verklaring van veroordeelde dat de opbrengst 14,1 gram per hennepplant was. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Volgens de verdediging is de door veroordeelde gestelde opbrengst van 14,1 gram per hennepplant veroorzaakt doordat veroordeelde wekelijks een strook hennepplanten knipte, waardoor de andere planten in die ruimte extra licht kregen en sprake was van een onregelmatig lichtschema gedurende de volledige cyclus. Dit heeft er volgens de verdediging toe geleid dat de planten gestrest raakten en minder opbrachten. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat veroordeelde de lichtcyclus van de hennepplanten heeft verstoord door planten te knippen op een moment dat het donker diende te zijn in de desbetreffende kweekruimte. Daartoe overweegt zij dat hiervoor - buiten de verklaring van veroordeelde - geen aanwijzingen zijn.
Bovendien bestond er ook geen noodzaak om de hennepplanten in de donkere periode te knippen en kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat veroordeelde, als professionele kweker en ervaren hennepteler, op de hoogte was van het belang van de lichtcyclus voor de hennepplanten, zodat het maken van extra licht voor het knippen van hennepplanten zeer onlogisch zou zijn geweest. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat J.A.F. Jespers, hoofdinspecteur van politie, drugsexpert en eenheidscoördinator hennep bij de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie, erop heeft gewezen dat vrouwelijke hennepplanten standaard niet worden ontdaan van de bloemtoppen als de planten nog in de grond staan maar in hun geheel worden geknipt en verwijderd, dat voor het knippen geen extra licht behoeft te worden gemaakt als dit wordt gedaan tijdens de 12 uren dat de planten in de bloeifase licht krijgen en dat de vrouwelijke hennepplanten hierdoor geen last ondervinden van het knippen en verwijderen. Zelfs indien ervan uit zou worden gegaan dat veroordeelde hennepplanten heeft geknipt op het moment dat het donker diende te zijn in de desbetreffende kweekruimte, acht de rechtbank niet aannemelijk dat daarvoor zoveel en zolang extra licht is gebruikt dat dit kan hebben geleid lot een substantieel lagere opbrengst van de hennepplanten. Daarom acht de rechtbank aannemelijk dat de hennepplanten in de silo en de koelruimte gemiddeld 28,2 gram per plant hebben opgebracht. Deze opbrengst betreft het gewogen gemiddelde dat is vermeld in hei BOOM-rapport.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de opbrengst van zowel de silo als de koelruimte 16,92 kg hennep per oogst bedroeg en dat veroordeelde zowel voor de hennep uit de silo als voor de hennep uit de koelruimte per oogst € 50.760 ontving, zoals is berekend in de ontnemingsrapportage. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat de opbrengst van de kweekruimtes in de kelder 12 kg hennep per oogst bedroeg en dat veroordeelde daarvoor € 36.000 ontving, zoals is berekend in de ontnemingsrapportage.
Berekening af te trekken kosten
Ten aanzien van de berekening van de af te trekken afschrijvingskosten, kosten voor de inkoop van hennepstekken en overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) volgt de rechtbank de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet betwist. Daarom zal de rechtbank zowel voor wat betref! de silo als voor wat betreft de koelruimte per oogst een bedrag van € 4.108 aan kosten in mindering brengen op het voordeel. Voor wat betreft de kweekruimtes in de kelder zal de rechtbank per oogst een bedrag van € 4.478,80 aan kosten in mindering brengen op het voordeel.
Ook voor wat betreft de berekening van de kosten van het elektriciteitsverbruik volgt de rechtbank de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet betwist. Daarom zal de rechtbank voor de kosten van het elektriciteitsverbruik in totaal een bedrag van € 158.480,15 in mindering brengen op het voordeel.
De rechtbank volgt de verdediging niet in haar betoog dat per jaar een bedrag van € 24.000 aan kosten voor de huur van het kassencomplex in mindering moet worden gebracht op het voordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat dit geen kosten zijn die rechtstreeks voortvloeien uit het telen van de hennep, aangezien veroordeelde deze kosten ook zou hebben gemaakt indien hij geen hennep zou hebben geteeld. Veroordeelde heeft het kassencomplex oorspronkelijk (mede) gehuurd om daarin legaal bloemen en/of groenten te telen. Daarnaast werd een deel van het kassencomplex gedurende een deel van de ontnemingsperiode door de stiefzoon van veroordeelde gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen. Bovendien blijkt uit de verklaringen van veroordeelde dat hij daarvoor van zijn stiefzoon maandelijks een huursom ontving van € 2.000 à € 2.500.
De rechtbank constateert dat in de ontnemingsrapportage een voorzichtige schatting is gemaakt van het bedrag dat [betrokkene 4] van veroordeelde heeft ontvangen voor de door hem in het kader van de hennepteelt verrichte werkzaamheden. Deze schatting is in het nadeel van veroordeelde. Daarom zal de rechtbank afwijken van de berekening in de ontnemingsrapportage en een ruimhartigere berekening maken van de arbeidskosten van [betrokkene 4]. In navolging van de ontnemingsrapportage neemt de rechtbank als uitgangspunten dat [betrokkene 4] werkzaamheden in de hennepkwekerij heeft verricht in de periode vanaf het ongeval van veroordeelde op 21 maart 2012 tot de ontmanteling van de hennepkwekerij op 3 juli 2013 (zijnde een periode van 470 dagen), dat veroordeelde [betrokkene 4] voor zijn werkzaamheden in het kader van de hennepteelt € 10 per uur betaalde en dat tijdens de observatieperiode van twaalf dagen is vastgesteld dat [betrokkene 4] op vijf dagen in de kelder onder de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] is geweest en dat hij daar telkens anderhalf tot elf uur is gebleven. Op basis hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [betrokkene 4] op (5/12 x 470 =) 196 dagen werkzaamheden heeft verricht en dat [betrokkene 4] op die dagen gemiddeld zes uren aan het werk was in de hennepkwekerij. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde in verband met de werkzaamheden van [betrokkene 4] naar schatting (196 x 6 x € 10 =) € 11.760 aan arbeidskosten heeft betaald. Deze arbeidskosten zal de rechtbank in mindering brengen op het voordeel.
Berekening van het voordeel
10. Dit levert de volgende berekening op:
opbrengst silo (33 x € 50.760 =) € 1.675.080
opbrengst koelruimte (33 x € 50.760 =) € 1.675.080
opbrengst kelder (17 x € 36.000 =) € 612.000
+
totale opbrengst € 3.962.160
kosten silo (33 x € 4.108 =) € 135.564
kosten koelruimte (33 x € 4.108 =) € 135.564
kosten kelder (17 x € 4.478,80 =) € 76.139,60
kosten elektriciteit € 158.480,15
arbeidskosten € 11.760
+
totale kosten € 517.507,75
totale opbrengst € 3.962.160
totale kosten € 517.507,75
-
wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.444.652,25
Verdeling van het voordeel en hoogte betalingsverplichting
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen dient te worden verdeeld tussen veroordeelde en [medeverdachte]. Daartoe overweegt de rechtbank dat [medeverdachte] in de hoofdzaak is vrijgesproken van het telen en bewerken van hennep en dat uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken ook niet is gebleken dat [medeverdachte] in de ontnemingsperiode een rol heeft gehad bij het telen en verkopen van de hennep. Daarom kan [medeverdachte] niet worden aangemerkt als dader van de feiten waaruit het wederrechtelijk voordeel is verkregen. Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken acht de rechtbank niet aannemelijk dat [medeverdachte] samen met veroordeelde de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. De rechtbank acht aannemelijk dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegenereerd door veroordeelde en dat hij degene was die daarover de beschikking had. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij, dat zij is veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten, dat zij in het verleden getrouwd is geweest met veroordeelde, dat zij tijdens (een deel van) de ontnemingsperiode met veroordeelde samenwoonde in de woning op het perceel waar de hennepkwekerij zich bevond en dat zij van veroordeelde contante bedragen heeft ontvangen, waarvan zij (ten minste) bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat deze afkomstig waren van de opbrengst van de hennepkwekerij. Uit deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [medeverdachte] heeft geprofiteerd van de opbrengsten van de hennepteelt door veroordeelde. Maar daaruit blijkt niet dat dit op zodanig grote schaal heeft plaatsgevonden dat het redelijk is om het wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen te verdelen tussen veroordeelde en [medeverdachte]. De omstandigheid dat veroordeelde en [medeverdachte] geen volledige openheid van zaken hebben gegeven ten aanzien van de onderlinge verdeling van het voordeel is onvoldoende reden om hier anders over te oordelen.
De rechtbank acht aannemelijk dat [medeverdachte] de beschikking heeft gehad over de bedragen van in totaal € 236.697,14 die blijkens de ontnemingsrapportage contant zijn gestort op haar bankrekeningen en de bedragen van in totaal € 84.080,08 die blijkens (de bijlagen bij) de ontnemingsrapportage in de periode van januari 2006 tot en met december 2011 contant zijn gestort op haar hypotheekrekeningen. Gelet op de omstandigheden dat veroordeelde heeft verklaard dat de alimentatie die hij contant aan [medeverdachte] betaalde, welke volgens [medeverdachte] € 1.600 per maand bedroeg, afkomstig was van de opbrengst van de hennepkwekerij en dat [medeverdachte] in de ontnemingsperiode geen andere substantiële, verifieerbare contante inkomsten had, acht de rechtbank aannemelijk dat alle geldbedragen die in die periode contant zijn gestort op haar (hypotheek)rekeningen, afkomstig zijn uit de opbrengst van het telen en verkopen van hennep door veroordeelde.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeverdachte] (€ 236.697,14 + € 84.080.08 =) € 320.777,22 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Daartoe overweegt zij dat de omstandigheid dat veroordeelde ervoor heeft gekozen om een deel van het door hem verkregen voordeel aan [medeverdachte] te geven niet van invloed is op de hoogte van het door hemzelf uit de strafbare feiten verkregen voordeel. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 3.444.652,25.
De rechtbank zal het bedrag van € 320.777,22 dat [medeverdachte] van veroordeelde heeft gekregen echter wel aftrekken van de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. Dit om te voorkomen dat dit bedrag tweemaal dient te worden terugbetaald. Bij beslissing van heden heeft de rechtbank in de ontnemingsprocedure tegen [medeverdachte] immers vastgesteld dat zij dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en wordt haar reeds de verplichting opgelegd dit bedrag terug te betalen. Daarom zal de rechtbank de betalingsverplichting van veroordeelde vaststellen op een bedrag van (€ 3.444.652,25 - € 320.777,22 =) € 3.123.875,03.
Het hof sluit zich aan bij de door de rechtbank gehanteerde berekeningsmethode en neemt vorenstaande bewijsmiddelen en overwegingen over en maakt die tot de zijne, met uitzondering van overwegingen van de rechtbank over de aftrek van de huurkosten als omschreven in 9.3 en (gelet op de doorwerking daarvan) de verdere berekeningen genoemd in 10, 11.3 en 11.4.
De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleidooi in eerste aanleg, in hoger beroep opnieuw betoogd dat - kort gezegd -:
a) een andere berekeningsmethode dan die in de ontnemingsrapportage (en door de rechtbank) zou moeten worden gehanteerd, namelijk een die in het voordeel van betrokkene moet zijn, te weten de toerekening van het aantal kWh aan de diverse kweekruimtes, te beginnen met de kelder en voorts op basis van ingekochte en gebruikte potgrond;
b) het huishoudelijk verbruik van het gezin [van betrokkene] weliswaar hoog was maar dat geen onderzoek is verricht naar het abnormaal hoge stroomverbruik, dat er wel een “zeven maanden meting” is geweest gedurende welke geen hennepplanten zijn aangetroffen zodat het hoge verbruik niet aan hennepkweek te relateren valt;
c) de opbrengst per plant in de ontnemingsrapportage met 28,2 gram veel te hoog is ingeschat en dat de opbrengst, in ieder geval in de silo en de koelruimte, slechts 14,1 gram per plant opleverde; d) de huurkosten van het kassencomplex dienen te worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten aanzien van de verweren van de raadsman overweegt het hof nog (voor zover niet reeds door de rechtbank verworpen) het volgende.
Ad a) de door de raadsman voorgestelde ‘potgrond-berekeningsmethode’ acht het hof niet betrouwbaar, nu deze enkel is gebaseerd op facturen van Intervema en de verklaring van verdachte dat hij potgrond enkel van die leverancier heeft betrokken: bovendien kan die methode het enorme elektriciteitsverbruik niet verklaren. Het hof ziet om die reden geen aanleiding de door de verdediging aldus gepresenteerde berekeningsmethode te hanteren;
Ad b) de verklaring dat de exorbitant hoge elektriciteitsafname enkel voor huishoudelijk verbruik was. acht het hof volstrekt onaannemelijk, mede gelet hetgeen in de ontnemingsrapportage op basis van de kengetallen van het Nibud is beschreven over het gemiddelde elektriciteitsverbruik van een driepersoonshouden, nota bene rekening houdend met verbruik voor jacuzzi, koikarpervijver en paardenverblijf. De verdediging heeft geen objectieve gegevens aangereikt die maken dat aan die berekening moet worden getwijfeld. Dat in de periode van de (later uitgevoerde) zogenoemde ‘zeven maandenmeting’ volgens Enexis geen henneppatroon is aangetroffen, maakt het verbruik - reeds naar de hoeveelheid afgenomen kWh-en genomen - niet zonder meer verklaarbaar en betekent overigens niet dat in die periode geen hennep werd gekweekt. Het verweer wordt verworpen;
Ad c) de opbrengst per plant van 14,1 gram acht het hof onaannemelijk. Betrokkene is een professionele en ervaren kweker en weet precies welke lichtcyclus voor hennepteelt vereist is, te weten 12 uur licht en 12 uur donker. Het is volstrekt logisch dat de planten worden bewerkt gedurende de 12 uur dat de lampen branden. Het is naar het oordeel van het hof daarom ondenkbaar en ongeloofwaardig dat betrokkene die lichtcyclus zou doorbreken voor het knippen van de planten met als gevolg dat de groei van de planten door lichtstress werd verstoord en de opbrengst daardoor veel minder (nota bene de helft) zou zijn. Het verweer wordt verworpen.
Ad d) de huurkosten van het kassencomplex dienen te worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof is - anders dan de rechtbank - met de raadsman van oordeel dat de huurkosten van het kassencomplex ad € 2.000, — per maand dienen te worden aangemerkt als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Naar het oordeel van het hof ziet dit evenwel alleen op de huurperiode van oktober 2010 (het moment dat de stiefzoon van verdachte de loods niet langer huurde) tot en met december 2012 (het einde van de berekeningsperiode), zijnde totaal 27 maanden, zodat de in die periode gemaakte huurkosten ad € 54.000,— in mindering zullen worden gebracht, hetgeen leidt tot de volgende berekening:
Berekening van het voordeel
opbrengst silo (33 x € 50.760 =) € 1.675.080,00
opbrengst koelruimte (33 x € 50.760 =) € 1.675.080,00
opbrengst kelder (17 x € 36.000 =) € 612.000,00
+
totale opbrengst € 3.962.160,00
kosten silo (33 x € 4.108 =) € 135.564,00
kosten koelruimte (33 x € 4.108 =) € 135.564,00
kosten kelder (17 x € 4.478,80 =) € 76.139,60
kosten elektriciteit € 158.480,15
arbeidskosten € 11.760,00
huurkosten € 54.000,00
+
totale kosten € 571.507,75
totale opbrengsten € 3.962.160,00
totale kosten € 571.507,75
-
wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.390.652,25
Het hof zal het bedrag van € 320.777,22 dat [medeverdachte] van betrokkene heeft gekregen, aftrekken van de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Dit om te voorkomen dat dit bedrag tweemaal dient te worden terugbetaald. Bij beslissing van heden heeft het hof in de ontnemingsprocedure tegen [medeverdachte] immers vastgesteld dat zij dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en wordt haar reeds de verplichting opgelegd dit bedrag terug te betalen. Daarom zal het hof de betalingsverplichting van betrokkene vaststellen op een bedrag van (€ 3.390.652,25 - € 320.777,22 =) € 3.069,875,03.
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 juni 2020 heeft de raadsman het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van voetnoten en verwijzingen):
‘1. Het hoger beroep in de ontnemingszaak richt zich primair op de hoogte van het door de rechtbank vastgestelde ontnemingsbedrag.
2. In dat verband richt ik mij ook nu weer op de vier gegevens die in eerste aanleg expliciet zijn bestreden, te weten:
a) De toerekening van het aantal kWh aan de diverse kweekruimten;
b) Het huishoudelijk verbruik van het gezin [van betrokkene];
c) De opbrengst per plant (in gram);
d) De huurkosten die voor aftrek in aanmerking komen.
3. Die gegevens zijn in eerste aanleg uitgebreid bediscussieerd met een ‘conclusie van antwoord’ en een ‘conclusie van dupliek'. Die documenten hecht ik voor de volledigheid als bijlage A en bijlage B aan deze pleitnota. Ik zal daar op momenten naar verwijzen.
4. Verder zal ik nog met een alternatieve berekeningswijze komen, waarbij - anders dan nu het geval is - niet het stroomverbruik, maar de verbruikte hoeveelheid potgrond tot uitgangspunt wordt genomen. Dit leidt wat de verdediging betreft tot een objectievere en dus betrouwbaardere benadering van het daadwerkelijk genoten voordeel uit de hennepteelt.
II De toerekening van het aantal kWh aan de kweekruimten
5. Te beginnen dus bij de toerekening van het aantal kWh aan de diverse kweekruimten. Ik verwijs in dat verband naar het standpunt dat is verwoord onder .3 tot en met .9 van de CvA en .1 en .2 van de CvD, met het verzoek die passages hier als woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen. Bedoeld standpunt komt erop neer dat bij de toerekening van het stroomverbruik aan de verschillende kweekruimten - anders dan in de ontnemingsrapportage is gedaan - moet worden begonnen bij de kelder, vervolgens de koelcel en ten slotte de silo.
6. De rechtbank heeft hierop als volgt gerespondeerd:
"7.7. (...) Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde al in augustus 2005 is begonnen met het telen van hennep. Daarnaast acht de rechtbank het op grond van de tabel aannemelijk dat gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode tegelijkertijd hennep is geteeld in de silo en de koelruimte én in de kelder. Voor zover veroordeelde heeft verklaard dat hij maximaal twee jaar voor juni of juli 2012 is begonnen met het telen van hennep in de silo en de koelruimte en dat hij pas is begonnen met het telen van hennep in de kelder, nadat in juni of juli 2012 was gestopt met het telen van hennep in de silo en de koelruimte, acht de rechtbank deze verklaring dan ook niet geloofwaardig. Op grond van deze verklaring acht de rechtbank wel aannemelijk dat het zwaartepunt van de hennepteelt in de periode vóór juni of juli 2012 in de silo en de koelruimte lag en dat veroordeelde na juni of juli 2012 in die ruimtes geen hennep meer heeft geteeld.”
7. De rechtbank zegt hier in feite: ‘We geloven niet dat u pas in 2010 bent begonnen met kweken, maar we houden u desondanks wel aan de volgordelijkheid waarover u verklaart’. Op grond daarvan is de rechtbank dus van oordeel dat [betrokkene] eerst - medio 2005 - is begonnen met kweken in de koelruimte en de silo, om op een later moment daarnaast ook nog de kelder als kweekruimte in gebruik te nemen.
8. Dit oordeel beantwoord echter niet aan de kern van het ingenomen standpunt en is overigens zonder nadere motivering ook om meerdere redenen niet begrijpelijk. Ik zal dat toelichten,
9. Het oordeel van de rechtbank beantwoord niet aan het standpunt van de verdediging, omdat het in dit verband niet zozeer gaat om de chronologie van het gebruik van de verschillende kweekruimten, maar om het aantal oogsten per ruimte tijdens de (veronderstelde) gelijktijdige benutting van die ruimten.
10. Met de ontnemingsrapporteurs gaat de rechtbank er immers van uit dat gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode tegelijkertijd hennep is geteeld in de silo, de koelruimte én de kelder. Op pagina 17 en 18 van de ontnemingsrapportage wordt vervolgens berekend hoeveel oogsten er geweest kunnen op grond van het stroomverbruik. De opstellers van het ontnemingsrapport geven aan dat “voor de berekening van het voordeel [zal] worden uitgegaan van een maximale kweek en oogst, zijnde 5 per jaar, in zowel de silo als de koelruimte. Het overgebleven restant kWh is verbruikt in de hennepkwekerij in de kelder.” Waarom de stroom eerst wordt toegerekend aan de silo en de koelruimte, wordt echter niet beargumenteerd. Voor dat uitgangspunt is ook geen enkel redengevend argument aan het dossier te ontlenen.
11. Zo een argument is in ieder geval niet - zoals het oordeel van de rechtbank impliceert - dat [betrokkene] medio 2005 in de koelruimte en silo zou zijn begonnen met kweken en later pas in de kelder. Uiteraard verbruikt een kweekruimte die niet bestaat geen stroom. Maar gedurende de periode dat in casu de drie kweekruimten gelijktijdig in gebruik zouden zijn geweest, is het in retroperspectief niet vast te stellen dat de koelruimte en de silo de grootverbruikers waren. Je kunt achteraf immers niet zien naar welke ruimte die stroom gevloeid. Dat is in de ontnemingsberekening dus een onzekere factor en daardoor bestaat dan ook het reële risico dat [betrokkene] teveel wordt ontnomen. En dan moet - in dubio pro reo - worden uitgegaan van de voor hem meest gunstige situatie; de situatie dus dat de kelder juist de grootverbruiker was.
12. Verder is het oordeel van de rechtbank in dit verband ook om meerdere redenen niet begrijpelijk. Dat zit hem in de vastgestelde chronologie die de rechtbank dragend laat zijn voor de toerekening van het stroomverbruik: eerst de silo en koelruimte, daarna pas de kelder.
13. [betrokkene] heeft in zijn verklaring van 4 juli 2013 namelijk aangegeven dat hij juist eerst in de kelder is begonnen met kweken en dat hij de overige twee ruimten pas later in gebruik heeft genomen. In zijn verklaring van 21 oktober 2015 komt hij daar weliswaar op terug, maar waarom die verklaring geloofwaardig(er) wordt geacht dan zijn eerdere verklaring op dit punt, legt de rechtbank in haar beslissing niet uit. Natuurlijk heeft de rechtbank een ruime mate van bewijsselectievrijheid, maar in het licht van het feit dat het overige deel van die verklaring als ongeloofwaardig terzijde wordt gesteld had een nadere motivering hier wel op zijn plaats geweest: waaraan ontleent de rechtbank steun voor de vaststelling van deze volgordelijkheid? Ik kan u zeggen; die steun is er niet. Het dossier biedt daarvoor enkel contra-indicaties.
14. De rechtbank heeft immers eveneens vastgesteld dat [betrokkene] gedurende één jaar — in ieder geval in de periode van 10 september 2005 tot en met 18 april 2006 — legaal bloemen heeft gekweekt. Deze vaststelling sluit uit dat [betrokkene] in diezelfde periode in de koelruimte hennep heeft gekweekt, omdat die ruimte immers nodig was voor de legale teelt. De koelruimte diende immers voor de gekoelde opslag van geoogste bloemen. [betrokkene] verklaart hier ook over op pagina 57 van het persoonsdossier in de strafzaak: "Die koelcel was over van de tulpen". Met andere woorden; er kán niet reeds vanaf medio 2005 en tot en met derde kwartaal 2006 in die twee ruimten hennep zijn gekweekt, want één daarvan was toen nog voor andere (legale) doeleinden in gebruik. Dat is dus een stevige contra-indicatie voor de juistheid van het oordeel van de rechtbank in dit verband.
15. Daarnaast correspondeert ook de in 2005 en 2006 ingekochte hoeveelheid potgrond niet met de opvatting van de rechtbank dat [betrokkene] (in die jaren) is begonnen met hennepteelt in de koelruimte en de silo. In deze periode is in totaal 4.720 liter potgrond ingekocht. Zelfs als aangenomen wordt dat deze potgrond volledig is aangewend ten behoeve van hennepteelt, dan is die hoeveelheid volstrekt onvoldoende om daarmee een oogst te kunnen realiseren in de koelruimte en de silo. Uit het BOOM-rapport volgt immers dat per gepotte plant een hoeveelheid van 7 liter grond nodig is. Met andere woorden: in 2005/2006 heeft dan hoogstens een hoeveelheid van 674 planten gekweekt kunnen worden. Het totaal aantal planten per oogst in de koelruimte en silo tezamen bedroeg 1.200. Dat is dus bijna het dubbele, terwijl de rechtbank nota bene aangenomen heeft dat er in dat eerste jaar drie oogsten per ruimte hebben plaatsgevonden. Ook hierin is dus een contra-indicatie gelegen.
16. En nog afgezien van het feit dat het dossier dus geen grondslag biedt voor de vaststelling dat in de silo en de koelruimte is begonnen met kweken, bestaat er nog een ander argument waarom de hier gehanteerde berekeningswijze niet zonder meer begrijpelijk is: de situatie die met deze berekening wordt beschreven, kan feitelijk namelijk nooit hebben plaatsgehad. In die berekening wordt het totale restverbruik als uitgangspunt genomen en gedeeld door het aantal kWh dat nodig is voor één kweekcyclus in de kelder. Dan komt men uit op maar liefst 17 oogsten. Het punt is echter dat het jaarlijks geconstateerde (rest)verbruik geen basis biedt een dergelijke (efficiënte) benutting van de stroom.
17. In lijn met de ontnemingsrapportage wordt door de rechtbank immers aangenomen dat een kweekcyclus 9 weken bedraagt. Dat zijn dus 153 weken voor de vastgestelde 17 oogsten. De kelder zou derhalve ongeveer drie jaar in gebruik moeten zijn geweest als kwekerij. Dat correspondeert echter niet met het geconstateerde (rest)verbruik per jaar; ook in de jaren vóór 2010 is immers sprake van restverbruik dat aan de kelder wordt toegerekend. Dat begint in 2005/2006 met een kleine hoeveelheid van 1125 kWh, maar loopt in 2008/2009 op tot 76.098 kWh. De rechtbank is zonder motivering over deze discrepantie heengestapt. Ook daardoor is de gehanteerde ‘toerekeningswijze’ onbegrijpelijk.
Tussenconclusie
18. De conclusie is dus dat de rechtbank niet toereikend beargumenteerd heeft waarom bij de toerekening van het stroomverbruik de silo en de koelruimte tot uitgangspunt zijn genomen, in plaats van de kelder. Voor dat uitgangspunt is ook geen enkel valide argument aan het dossier te ontlenen. Sterker nog, er bestaan stevige contra-indicaties voor de juistheid van dat uitgangspunt.
19. Feit is anderzijds dat de gebezigde ‘toerekeningswijze’ wel fors in het nadeel van [betrokkene] uitpakt. Immers, de silo en de koelruimte krijgen op deze manier het meeste aantal oogsten toebedeeld, terwijl de kelder nu juist de minste winst per oogst genereerde.
20. Aangezien de hier gewraakte berekeningswijze dus geen dragende grondslag heeft of kan hebben - aan de elektriciteitsgegevens kan immers niet gezien worden naar welke teeltruimte de elektriciteit is gegaan - moet de berekening andersom worden gedaan: (in dubio pro reo) in het voordeel van [betrokkene].
21. Dat betekent dat uitgegaan moet worden van een maximale kweek en oogst, zijnde 5 per jaar, in de kelder. Het restant aan elektriciteit moet worden toegerekend, ten hoogste voor 5 oogsten per jaar, aan de koelcel (deze heeft immers een hoger wattage dan de silo) en het restant dáár weer van is gebruikt in de silo.
22. Enkel deze ‘omkering’ van het elektriciteitsverbruik heeft al tot gevolg dat het WVV over de volledige periode met 46% afneemt.
7. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het hof heeft ingestemd met het verzoek de aangeduide passages uit de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek als woordelijk herhaald en ingelast in het pleidooi te beschouwen. Tegen die achtergrond ga ik ervanuit dat het hof daar niet mee heeft ingestemd.
8. Het middel bevat in de eerste plaats de deelklacht dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot afwijking hebben geleid van het door de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de wijze van toerekening van het aantal kWh aan de diverse kweekruimten. Aangevoerd wordt dat door de verdediging bezwaar is gemaakt tegen de wijze van toerekening van het aantal kWh aan de diverse kweekruimten, waarbij eerst elektriciteit aan de silo en koelcel wordt toegerekend en vervolgens het restverbruik aan de kelder. Het hof zou in zijn arrest van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zijn afgeweken door de toerekeningswijze uit het ontnemingsrapport te volgen. Daarbij zou het hof in feite hebben volstaan met een ‘kale’ bevestiging van het vonnis van de rechtbank, terwijl in het bevestigde vonnis niet de redenen zijn gegeven die tot de afwijking van dat standpunt hebben geleid.
9. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende voorop worden gesteld. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Uw Raad leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat de wetgever de rechter een grote vrijheid heeft willen laten bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien de verdediging ter terechtzitting een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt inzake de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dient de rechter, indien de beslissing daarvan afwijkt, op grond van art. 511e, eerste lid, Sv (en art. 511g, tweede lid, Sv) in verbinding met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv in zijn uitspraak in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid. Van een standpunt dat de verplichting tot beantwoording schept kan slechts sprake zijn indien dat standpunt ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie’ ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De motivering van de verwerping van het standpunt kan ook besloten liggen in gebezigde bewijsmiddelen of in een aanvullende motivering in de bestreden uitspraak.
10. Kern van het in de pleitnota ingenomen standpunt is dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel het verbruik van elektriciteit in de kelder voorop had moeten stellen. Daarbij wordt in de eerste plaats gewezen op het in dubio pro reo beginsel. Voorts wordt aangevoerd dat vanaf medio 2005 tot en met het derde kwartaal van 2006 niet in zowel de koelcel als de silo kan zijn geteeld omdat, zo begrijp ik, één van die ruimten (de koelcel) nog in gebruik was voor tulpen. Ook zou de hoeveelheid in 2005 en 2006 ingekochte potgrond niet corresponderen met de opvatting dat de verdachte in die jaren is begonnen met hennepteelt in de koelruimte en de silo. En het geconstateerde restverbruik zou geen basis bieden voor de vaststelling dat 17 oogsten in de kelder hebben plaatsgevonden.
11. Uit rechtspraak van Uw Raad kan niet worden afgeleid dat het in dubio pro reo beginsel de bewijslastverdeling bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel beheerst. Uw Raad is van oordeel dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat in zaken waarin de grondslag van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in rechte is komen vast te staan, de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene. Voorts leidt Uw Raad, zo bleek, uit de wetsgeschiedenis af dat de wetgever de rechter een grote vrijheid heeft willen laten bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij deze stand van zaken past niet dat de rechter op grond van het in dubio pro reo beginsel gehouden zou zijn in alle gevallen de voor de betrokkene meest gunstige wijze van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te kiezen. Ik wijs er daarbij nog op dat het in dubio pro reo beginsel in verband staat met de onschuldpresumptie, en dat Bemelmans heeft laten zien dat meerdere argumenten zich verzetten tegen onverkorte toepassing van de onschuldpresumptie op de straftoemeting. Al met al brengt de verwijzing naar het in dubio pro reo beginsel naar het mij voorkomt niet mee dat het hof verplicht was op het aangevoerde te reageren.
12. In de door rechtbank en hof geciteerde passages uit het ontnemingsrapport staat dat de verdachte in de periode van 10 september 2005 tot en met 18 april 2006 in totaal 6.979 m3 gas heeft verbruikt, en dat aan te nemen is dat de verdachte één jaar lang een legale kwekerij (van tulpen en/of chrysanten) heeft gehad. In die passages staat voorts dat de verdachte heeft verklaard ‘dat hij een in werking zijnde hennepkwekerij heeft gehad in deze ruimte en dat dit een koelruimte betrof die over was van de tulpen’. De rechtbank heeft in door het hof overgenomen overwegingen aannemelijk geacht ‘dat veroordeelde gedurende de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 in het kassencomplex tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) heeft geteeld’. Dat laat, in samenhang bezien, de mogelijkheid open dat de koelcel aanvankelijk nog – deels - in gebruik is geweest voor de opslag van tulpen.
13. Die omstandigheid brengt mijns inziens evenwel niet mee dat het hof bij de toerekening van het stroomverbruik aan de verschillende kweekruimten voor de gehele in aanmerking genomen periode had moeten beginnen bij de kelder, en pas daarna aan de koelcel en de silo had mogen toekomen. Ook als zou worden aangenomen dat de koelruimte tot en met het derde kwartaal van 2006 in gebruik zou zijn geweest voor de gekoelde opslag van geoogste bloemen, betekent dat niet dat het hof voor de andere jaren (de in aanmerking genomen periode loopt door tot in 2013) diende uit te gaan van een berekening waarin toerekening aan de kelder vooropstond.
14. De gekozen volgorde van toerekening aan de verschillende ruimtes is door het hof, in navolging van de rechtbank, gebaseerd op een verklaring van de betrokkene (ov. 7.7). Die verklaring houdt in ‘dat hij maximaal twee jaar voor juni of juli 2012 is begonnen met het telen van hennep in de silo en de koelruimte en dat hij pas is begonnen met het telen van hennep in de kelder, nadat hij in juni of juli 2012 was gestopt met het telen van hennep in de silo en de koelruimte’. Hof en rechtbank achten deze verklaring niet geloofwaardig, maar achten het op grond van deze verklaring wel aannemelijk ‘dat het zwaartepunt van de hennepteelt in de periode vóór juni of juli 2012 in de silo en de koelruimte lag en dat veroordeelde na juni of juli 2012 in die ruimtes geen hennep meer heeft geteeld’. Dat oordeel van feitelijke aard komt mij niet onbegrijpelijk voor. Ik merk daarbij nog op dat het hof aan de omstandigheid dat teelt in koelcel en silo bedrijfseconomisch het meest aantrekkelijk was een bijkomend argument had kunnen ontlenen om (mede) op basis van de verklaring van de verdachte deze volgorde van toerekening aan te houden.
15. Mede tegen die achtergrond meen ik dat de stelling dat de koelcel aanvankelijk nog in gebruik was voor de koeling van tulpen het hof niet verplichtte tot een nadere toelichting op de gekozen volgorde van toerekening aan de verschillende ruimtes over de gehele in aanmerking genomen periode. Voor zover de steller van het middel ervanuit gaat dat het hof van een volgorde van exploitatie van kweekruimtes is uitgegaan, merk ik op dat deze aanname geen steun vindt in de overwegingen in het bestreden arrest. Het hof gaat er met de rechtbank vanuit ‘dat gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode tegelijkertijd hennep is geteeld in de silo en de koelruimte én in de kelder’. Hof en rechtbank hebben slechts aannemelijk geacht dat het zwaartepunt van de hennepteelt voor juni of juli 2012 in silo en koelruimte lag.
16. Het hof merkt over de ingekochte potgrond als grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op dat deze berekeningsmethode niet betrouwbaar is nu deze ‘enkel is gebaseerd op facturen van Intervema en de verklaring van verdachte dat hij potgrond enkel van die leverancier heeft betrokken’. Het hof wijst er voorts op dat een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van deze methode ‘het enorme elektriciteitsverbruik niet (kan) verklaren’. In deze overweging ligt reeds besloten dat en waarom het hof in de verwijzing naar de ingekochte potgrond in deze context geen argument heeft gezien voor een andere volgorde van toerekening aan de verschillende ruimtes. Daar komt bij dat de door de verdediging betrokken stelling inzake de ingekochte hoeveelheid potgrond niet zozeer de keuze voor de volgorde van toerekening aan de verschillende ruimtes als wel de vaststelling inzake de totale kweek in die ruimtes raakt. Tenslotte ziet ook het beroep op de ingekochte potgrond enkel op de berekening over de jaren 2005 en 2006 en doet het derhalve niet af aan de op de verklaring van de betrokkene gebaseerde beslissing om voor de gehele in aanmerking genomen periode een andere volgorde van toerekening aan de verschillende ruimtes te kiezen.
17. Dat het jaarlijks geconstateerde restverbruik geen basis biedt voor een totaal van 17 oogsten, staat er naar het mij voorkomt voorts niet aan in de weg dat het hof op basis van de gekozen berekeningsmethode 17 oogsten aan de kelder kon toerekenen. Die berekeningsmethode gaat uit van het totale elektriciteitsverbruik per jaar. Daarop wordt door het hof jaarlijks 10.000 kWh voor (kort gezegd) het huishouden en eenmalig 30.000 kWh voor het telen van (kort gezegd) tulpen in mindering gebracht. Vervolgens wordt van dat verbruik per jaar het elektriciteitsverbruik voor de oogsten die in silo en koelruimte gerealiseerd konden worden afgetrokken. Het restant, waar geen andere ‘besteding’ voor beschikbaar is, wordt toegerekend aan oogsten in de kelder. Deze berekening gaat er niet van uit dat in een aaneengesloten periode van 153 weken in alle ruimtes in de kelder in totaal 17 oogsten zijn gerealiseerd. Zij is, zo begrijp ik, gebaseerd op de aanname dat met deze elektriciteit in de kelder, waar vier ruimtes beschikbaar waren, over de gehele onderzoeksperiode het equivalent van 17 oogsten gerealiseerd is. Ook dit aspect van de gekozen berekeningsmethode komt niet onbegrijpelijk voor en behoefde in het licht van het door de verdediging aangevoerde naar het mij voorkomt geen nadere motivering.
18. Ik merk voorts nog op dat (ook) deze tegenwerping niet van belang is in verband met de volgorde van de toerekening aan de verschillende ruimtes, maar ziet op de vaststelling van het aantal oogsten in de ruimte die bij die toerekening het laatst in aanmerking wordt genomen. Deze tegenwerping is (reeds) op die grond naar het mij voorkomt geen argument voor een volgorde van toerekening waarin de kelder voorop wordt gesteld.
19. Al met al meen ik dat het standpunt dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de in aanmerking genomen periode toerekening van het elektriciteitsverbruik aan de kelder voorop had moeten stellen niet door argumenten geschraagd en derhalve niet ‘uitdrukkelijk onderbouwd’ is. Voor het geval Uw Raad daar anders over denkt meen ik dat het aangevoerde een toereikende weerlegging vindt in de onderbouwing van de gekozen volgorde van toerekening aan de verschillende ruimtes. Anders dan de steller van het middel meen ik dat zich niet een geval voordoet waarin argumenten die in hoger beroep zijn aangevoerd niet hun weerlegging vinden in overwegingen van de rechtbank (en de overweging van het hof over de potgrond).
20. De eerste deelklacht faalt.
21. De tweede deelklacht houdt in dat het hof is afgeweken van het door de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat in 2005/2006 niet gekweekt kan zijn in de koelruimte zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid. In de toelichting wordt gesteld dat in hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de onmogelijkheid dat in 2005/2006 is gekweekt in de koelruimte, ‘tevens besloten (ligt) dat het überhaupt niet bestaat dat in die periode in die ruimte hennep is gekweekt’. Dat zou ‘gezien de daartoe gebezigde argumenten’ een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zijn. Het hof zou van dat standpunt zijn afgeweken door over deze periode drie oogsten in de koelruimte vast te stellen.
22. Uit de geciteerde passages in de pleitnota volgt dat de stelling dat in 2005/2006 niet gekweekt kan zijn in de koelruimte slechts naar voren is gebracht in de context van een betoog dat ertoe strekte het hof ertoe te brengen voor een andere volgorde van toerekening van het elektriciteitsverbruik aan de verschillende ruimtes te kiezen. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is, zo bleek reeds, slechts sprake als dat standpunt ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie’ ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Aan hetgeen met betrekking tot de koelcel naar voren is gebracht is niet de ondubbelzinnige conclusie verbonden dat de berekening over de jaren 2005 en 2006 bijstelling behoeft.
23. Daarbij merk ik nog op dat de vaststellingen van het hof niet uitsluiten dat in het eerste jaar (ook) in de koelcel is gekweekt. De ontnemingsrapportage houdt blijkens de door het hof geciteerde passages in dat in ‘een aangebouwde ruimte aan de kas (…) ruimtes (zijn) aangetroffen met daarin sporen die erop wijzen dat in deze ruimtes hennepkwekerijen hebben gezeten’. Die formulering sluit niet uit dat delen van de koelcel niet voor de hennepkweek zijn benut. Voorts heeft de buurman blijkens de uit het ontnemingsrapport geciteerde passages verklaard dat betrokkene ‘deze tulpen verkocht in een tentje voor aan de weg’. Dat duidt erop dat de tulpen na de oogst in ieder geval niet allemaal en permanent in de koelcel zijn bewaard. De passage uit de verklaring van de verdachte waar de verdediging zich op baseert is tenslotte niet heel duidelijk. Dat de koelruimte naar de verklaring van de verdachte ‘over (was) van de tulpen’ maakt niet duidelijk welk gebruik gedurende welke periode in verband met de tulpen van de genoemde ruimte is gemaakt. Ook de argumentatie is kortom niet overvloedig. Dat maakt het des te belangrijker dat daaraan in de pleitnota een ondubbelzinnige conclusie wordt verbonden.
24. De tweede deelklacht faalt.
25. De derde deelklacht houdt in dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat aan de hand van het restverbruik niet 17 oogsten in de kweekruimte in de kelder kunnen hebben plaatsgevonden, zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid. In de toelichting wordt (erop gewezen dat is) aangevoerd in de berekening het totale restverbruik als uitgangspunt wordt genomen en gedeeld door het aantal kWh dat nodig is voor één kweekcyclus in de kelder, terwijl het jaarlijks geconstateerde (rest)verbruik geen basis biedt voor een dergelijke benutting van de stroom.
26. Ook voor dit onderdeel van het betoog in de pleitnota geldt dat een en ander naar voren is gebracht in de context van een betoog dat ertoe strekte het hof ertoe te brengen voor een andere volgorde van toerekening van het elektriciteitsverbruik aan de verschillende ruimtes te kiezen. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is, zo bleek reeds, slechts sprake als dat standpunt ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie’ ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Aan hetgeen met betrekking tot de wijze van berekening naar voren is gebracht is niet de ondubbelzinnige conclusie verbonden dat het aantal in de kelder gerealiseerde oogsten naar beneden bijgesteld diende te worden.
27. Ik merk daarbij op dat, zoals eerder aangegeven, de wetgever de rechter een grote vrijheid heeft willen laten bij het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit hetgeen ik eerder over de gekozen wijze van berekening en dit onderdeel van het pleidooi heb opgemerkt volgt dat de rechter naar het mij voorkomt voor de uit het bestreden arrest blijkende wijze van berekening heeft kunnen kiezen. Die wijze van berekening is, anders dan de steller van het middel – zo begrijp ik - meent, niet gebaseerd op de vaststelling dat de betrokkene 153 weken onafgebroken in de kelder hennep heeft geteeld. Het hof heeft vastgesteld dat betrokkene gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode tegelijkertijd hennep heeft geteeld in de silo, in de koelruimte en in de kelder. Het hof heeft daarbij in het midden gelaten op welke momenten in de periode van vanaf augustus 2005 tot en met 3 juli 2012 in (welke van de vier ruimtes in) de kelder hennep is geteeld.
28. De derde deelklacht faalt. Dat brengt mee dat het eerste middel faalt.
29. Het tweede middel bevat de klacht dat in de cassatiefase het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendtermijn, geschonden is.
30. Het cassatieberoep is ingesteld op 7 juli 2020. De stukken van het geding zijn op 13 augustus 2021 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat impliceert dat de inzendingstermijn van 8 maanden met ruim 5 maanden is overschreden.
31. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. De met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is eveneens bij Uw Raad aanhangig. In die zaak is de redelijke termijn in de cassatiefase eveneens overschreden. De compensatie wegens de overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegepast in de hoofdzaak. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan Uw Raad met dat oordeel volstaan.
32. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Het tweede slaagt maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Ambtshalve heb ik gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG