34. oogsten x voorlopige netto opbrengst koelruimte =€ 1.586.168,00
34 oogsten x voorlopige netto opbrengst silo = € 1.586.168,00
Verdachte [verdachte 1] heeft verklaard dat in de kelder 220 planten per vertrek stonden, dat hij van de eerste twee hokken in totaal ongeveer vijf keer geoogst heeft en van het derde hok drie keer. Voor de berekening zal worden uitgegaan van 660 planten. Voor de berekening van het aantal oogsten zal worden uitgegaan van de verbruikte elektriciteit ten behoeve van hennepkweek zoals weergegeven in de tabel ‘verbruik elektriciteit ten behoeve van (hennep)kweek en huishoudelijk verbruik’. Hieruit blijkt het restant verbruik voor de
kelder na aftrek van volledig verbruik in silo en koelruimte. Door dit verbruik ( 529.581 kWh ) te delen door het verbruik per oogst, zijnde 30.334 kWh , komt het aantal oogsten afgerond naar beneden op 17 . De berekening voor de kelder wordt dan als volgt. De afschrijvingskosten van de investeringen zijn afhankelijk van het aantal planten per oogst. Bij 600 - 699 planten bedraagt de afschrijving per oogst € 400 . De inkoopprijs van de stekken bedraagt € 2,85 per stek. De overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) bedraagt € 3,33 per plant. De totale variabele kosten bedragen dan € 6,18 per stek; 660 planten x € 6,18 = € 4.078,80 . De totale kosten (vast en variabel) van de kelder bedragen dan: € 400,00 + € 4.078,80= € 4.478,80 .
[verdachte 1] heeft opgegeven dat de opbrengst per vertrek 3,5 à 4 kilo was. Er zal worden uitgegaan van een opbrengst van 4 kilo per vertrek. Dit levert de volgende berekening op:
bruto opbrengst: (3 x 4 kilo =) 12 kg x € 3.000,00 = € 36.000,00
minus vaste en variabele kosten: € 4.478,80
-------------- -
voorlopige netto opbrengst kelder: € 31.521,20
17. oogsten x voorlopige netto opbrengst € 31.521,20 = € 535.860,40
Zoals is gebleken uit het overzicht elektriciteitsverbruik van Enexis, werd de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerijen legaal afgenomen. Een overzicht van de diverse leveranciers in de betreffende periode is door Enexis verstrekt. Deze leveranciers zijn bevraagd over de jaarrekeningen elektriciteitsverbruik. Daaruit blijken de betaalde elektriciteitskosten voor de afgenomen hoeveelheid kWh. De elektriciteitskosten ten behoeve van het huishoudelijk gebruik dienen daarop in mindering te worden gebracht. Voor de berekening zal worden uitgegaan van het totaalbedrag aan afgenomen elektriciteit minus het totaalbedrag aan huishoudelijk verbruik. De berekening ziet er dan als volgt uit:
Nuon: Deze periode beslaat 47 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 47 maanden is dan 47/12 x 10.000 kWh = 39.166 kWh. Uitgaande in het voordeel van verdachten van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,05805, komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 39.166 kWh x € 0,05805 = € 2.273,58. Totaal aftrek Nuon: € 11.777,18 + € 3.809,86 + € 10.921,80 + € 4.913,89 + € 16.231,61 + € 25.401,82 + € 2.880,50 - € 2.273,58 = € 73.663,08 .
E.on: Deze periode beslaat 33 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 33 maanden is dan 33/12 x 10.000 kWh = 27.500 kWh. Uitgaande van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,0987 komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 27.500 kWh x € 0,0987 = € 2.715,00. Totaal aftrek E.on: € 17.187,42 + € 25.399,35 + € 24.306,23 - € 2.715,00 = € 64.178,00 .
Eneco: Deze periode beslaat 16 maanden. Voor het huishoudelijk verbruik van elektriciteit uitgegaan van 10.000 kWh per jaar. 16 maanden is dan 16/12 x 10.000 kWh = 13.333 kWh. Uitgaande van de in deze periode laagste éénheidsprijs kWh van € 0,07 komen de kosten voor huishoudelijk verbruik in deze periode op 13.333 kWh x € 0,07 = € 933,31. Totaal aftrek Eneco: € 15.708,37 + € 5.599,72 + € 264,29 - € 933,31 = € 20.639,07 .
Totaal aftrek kosten verbruik elektriciteit ten behoeve van hennepkweek afgenomen van en betaald aan elektriciteitsleveranciers Nuon, E.on en Eneco: € 73.663,08 + € 64.178,00 + € 20.639,07 = € 158.480,15 .
De kosten van hypotheek op de woning zijn als aftrekpost buiten beschouwing gelaten. Deze zijn sowieso verschuldigd, ook zonder aanwezigheid van een hennepkwekerij.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte 2] (hierna: [verdachte 2] ) wordt in mindering gebracht op de netto opbrengst. De beelden van de beveiligingscamera dienen als basis voor de berekening van het voor [verdachte 2] verkregen voordeel. In twaalf dagen cameraregistratie in de periode van 22 juni tot 3 juli 2013 is [verdachte 2] om de dag en in totaal vijf dagen in de kelder onder de woning aan de [adres] in [plaats] . Als hij in twaalf dagen tijd vijf dagen in [plaats] is geweest om [verdachte 1] te helpen in diens hennepkwekerij in verband met diens ziekte, zoals [verdachte 1] heeft verklaard, is het aannemelijk dat [verdachte 2] om de dag in de kwekerij heeft gewerkt. Op jaarbasis betekent dat afgerond 152 dagen. In verband met vakanties, school en andere verplichtingen wordt het aantal aldaar gewerkte dagen naar beneden afgerond naar een gewerkt aantal dagen van 100 per jaar. [verdachte 1] kreeg in maart 2012 een auto-ongeval waarbij hij letsel opliep en als gevolg daarvan moest hij de hulp van [verdachte 2] inschakelen. Tussen het moment van het ongeval tot het moment van ontdekking van de hennepkwekerij in de kelder zitten, naar beneden afgerond, vijftien maanden. 100 dagen per jaar werken betekent afgerond naar beneden acht dagen per maand. In vijftien maanden is derhalve 120 dagen gewerkt. Een gemiddelde van vier uur per dag is, gezien het aantal uren dat op beeld is vastgelegd, te weten tussen de anderhalf en elf uur per dag, ruimschoots in het voordeel van de verdachte. 120 dagen x 4 uur = 480 uur x een verdienste van € 10,00 per uur is een totale opbrengst van € 4.800,00 . [verdachte 2] woont in [plaats] en reist naar [plaats] een retourafstand van 90 kilometer. Dit is in 120 dagen 10.800 kilometer. Uitgaande van een brandstofverbruik van 1:10 is het verbruik negen liter brandstof per dag en 1.080 liter in totaal. Uitgaande van een voor hem in dit geval gunstige prijs van € 1,70 per liter brandstof komen de kosten op € 1.836,00 . € 4.800,00 - € 1.836,00 = € 2.964,00 .
De uiteindelijke berekening ziet er dan als volgt uit:
Opbrengst koelruimte: € 1.586.168,00
Opbrengst silo: € 1.586.168,00
Opbrengst kelder: € 535.860,40
------------------ +
Totale opbrengst: € 3.708.196,40
Elektriciteitskosten: € 158.480,15
------------------ -
Voorlopige netto opbrengst: € 3.549.716,25
Wederrechtelijk verkregen voordeel [verdachte 2] € 2.964,00
------------------ -
Totaal netto opbrengst: € 3.546.752,25
Voorts heeft de rechtbank overwogen:
Grondslag van de ontnemingsvordering
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen vast komen te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde telen en bewerken van hennep en soortgelijke feiten (voor zover het de periode vóór 1 juli 2011 betreft) dan wel andere strafbare feiten (voor zover het de periode vanaf 1 juli 2011 betreft), waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. Deze soortgelijke feiten, dan wel andere strafbare feiten, betreffen het telen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 mei 2012 en het verkopen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013.
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde gedurende deze gehele periode in de kelder onder het pand aan [adres] te [plaats] en in de silo en de koelruimte op dit perceel hennep heeft geteeld en dat hij deze hennep heeft verkocht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Veroordeelde heeft erkend dat hij hennep heeft geteeld in de genoemde ruimtes, dat hij in al deze ruimtes meerdere malen hennep heeft geoogst en dat hij de geoogste hennep heeft verkocht.
Uit de gegevens die zijn verstrekt door de netwerkbeheerder Enexis blijkt dat op het perceel [adres] te [plaats] in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 sprake is van een zeer hoog elektriciteitsverbruik.
De verdediging heeft gesteld dat dit elektriciteitsverbruik is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende de periode van 2005 tot 2012 legaal bloemen en groenten heeft gekweekt in het kassencomplex op het perceel, een deel van het kassencomplex door de stiefzoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen en bovendien sprake was van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik.
Op grond van de verklaring van [naam 2] , de bewoner van een naastgelegen perceel , en hetgeen veroordeelde heeft verteld aan een medewerker van [bedrijf 3] BV in het kader van de letselschadeprocedure in verband met het auto-ongeluk dat veroordeelde in maart 2012 heeft gehad , acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde gedurende de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 in het kassencomplex tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) heeft geteeld. Op grond van dezelfde bewijsmiddelen acht de rechtbank niet aannemelijk dat nadien nog bloemen en/of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Daartoe overweegt de rechtbank dat [naam 2] heeft verklaard dat hij weet dat toen veroordeelde, [verdachte 3] en [familie verdachte 3] op het adres [adres] in [plaats] kwamen wonen, veroordeelde in het begin tulpen verbouwde, dat veroordeelde dit naar zijn idee maar één seizoen heeft gedaan en dat de kassen na de tulpen niet meer in gebruik waren. Voorts overweegt de rechtbank daartoe dat in het rapport van [bedrijf 3] BV staat dat veroordeelde gedurende een jaar tulpen heeft geteeld, maar dat hij daarmee is gestopt omdat het telen van tulpen financieel onvoldoende opleverde. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdediging geen documenten - zoals aankoopfacturen van zaden of stekjes, verkoopfacturen van bloemen of groenten of betalingsbewijzen - of andere bewijsmiddelen heeft overgelegd of aangedragen, waaruit zou kunnen blijken dat in de periode na medio 2006 nog bloemen of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, ook indien in die periode nog wel bloemen en/of groenten zouden zijn geteeld, dit het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik op het perceel niet (volledig) zou hebben kunnen verklaren. Daartoe overweegt zij dat [naam 1] heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres] in [plaats] in het verleden in bezit heeft gehad, dat hij toen werkzaam was als tuinder, dat zijn gemiddelde verbruik van stroom toen jaarlijks ongeveer tussen de 20.000 en 30.000 kWh lag, dat dit zowel het stroomverbruik van de woning als van de kas betrof, dat het verbruik van 30.000 kWh een piekjaar was, dat het verbruik nooit hoger was en dat hij de kas dan op volledige productie had draaien.
De rechtbank acht aannemelijk dat een deel van het kassencomplex gedurende een deel van de ontnemingsperiode door de stiefzoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd echter nog geen begin van aannemelijkheid dat het elektriciteitsverbruik op het perceel daardoor zozeer is toegenomen dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat het kassencomplex werd verwarmd met behulp van gas en niet met behulp van elektriciteit.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de verdediging om aannemelijk te maken dat gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 op het perceel sprake is geweest van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik. Uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank nog geen begin van aannemelijkheid dat sprake was van een zodanig hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen de vorige eigenaar van het perceel heeft verklaard, zoals hiervoor weergegeven onder 6.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zeer hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende die gehele periode hennep heeft geteeld. Gelet op de verklaringen van veroordeelde is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde de door hem geteelde hennep heeft verkocht en dat hij uit deze verkoop wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank zal de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseren op het tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Berekening aantal oogsten op basis van elektriciteitsverbruik
De rechtbank neemt de ontnemingsrapportage als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat. De rechtbank baseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel - in navolging van de ontnemingsrapportage - op het hiervoor besproken, onverklaarbaar hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zeer hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 is veroorzaakt doordat veroordeelde gedurende die gehele periode hennep heeft geteeld. De rechtbank acht aannemelijk dat de in deze periode verbruikte elektriciteit geheel is aangewend voor het telen van hennep, met uitzondering van de elektriciteit die gedurende deze periode is verbruikt voor het driepersoonshuishouden, de jacuzzi, de koikarpervijver en het houden van paarden en de elektriciteit die in de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 is verbruikt voor het telen van tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) in het kassencomplex. Daarom acht de rechtbank de verklaringen van veroordeelde, die inhouden dat hij weliswaar hennep heeft geteeld maar dat dit gedurende een veel kortere periode en met een veel kleinere omvang is geweest dan in de ontnemingsrapportage wordt aangenomen, niet aannemelijk. De rechtbank volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat de berekening dient te worden gebaseerd op de verklaringen van veroordeelde.
Voor de berekening van de hoogte van het legale elektriciteitsverbruik sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. Dit betekent dat zij aannemelijk acht dat in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 jaarlijks 10.000 kWh is verbruikt voor het driepersoonshuishouden, de jacuzzi, de koikarpervijver en het houden van paarden. Daarnaast acht de rechtbank aannemelijk dat in de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 30.000 kWh is verbruikt voor het telen van tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) in het kassencomplex.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging geen begin van bewijs geleverd voor haar stelling dat het huishoudelijke elektriciteitsverbruik meer heeft bedragen dan de in de ontnemingsrapportage berekende en onderbouwde 10.000 kWh per jaar, laat staan dat het huishoudelijke elektriciteitsverbruik 54.000 kWh per jaar heeft bedragen. Ook anderszins is dit niet aannemelijk geworden. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. In de periode van ongeveer twee jaar na het ontmantelen van de hennepkwekerij is door de netwerkbeheerder een elektriciteitsverbruik van (omgerekend) meer dan 50.000 kWh per jaar gemeten. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, is echter niet gebleken dat dit uitzonderlijk hoge elektriciteitsverbruik kan worden gerelateerd aan legaal huishoudelijk verbruik. In het bijzonder is niet gebleken dat in die periode op het perceel (legale) apparaten, installaties of voorzieningen aanwezig zijn geweest die dit grote stroomverbruik kunnen verklaren en die niet zijn meegenomen in de berekening van het huishoudelijk elektriciteitsverbruik in de ontnemingsrapportage. Daarentegen zijn in het dossier wel aanwijzingen gevonden dat in de periode na de ontmanteling van de hennepkwekerij op 3 juli 2013 opnieuw hennep is geteeld op het dossier. Bij een inval op 14 mei 2014 zijn op het perceel onder meer een naar hennep ruikende kweektent en droognet, vers ogende grond, steenwolblokjes, nieuw ogende bloempotten, een nieuw ogend slakkenhuis en een voor gebruik gereed zijnde koolstoffilter aangetroffen, die daar ten tijde van de inval op 3 juli 2013 nog niet waren. Bovendien hing er een henneplucht in één van de kelderruimtes en lag in de kelder een nieuw aangelegde elektriciteitskabel. [fraudeinspecteur] , werkzaam als fraude-inspecteur bij netwerkbeheerder Enexis heeft ten aanzien van de meetresultaten betreffende het perceel [adres] te [plaats] over de periode van 26 mei 2014 tot en met 20 oktober 2014 verklaard dat er in bepaalde periodes met name 's nachts telkens gedurende 9 tot 12 uur een aanzienlijk stroomverbruik is, dat in een bepaalde periodes gedurende 8 à 9 uur per dag sprake is van een onverklaarbare energie-afname van continu 4 kWh en dat de in- en uitschakeling automatisch moet zijn of met een automatische schakelaar. Ook neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen de vorige eigenaar van het perceel heeft verklaard over het elektriciteitsverbruik op het perceel, zoals hiervoor is weergegeven onder 6.6. Gelet op deze verklaring en de in de ontnemingsrapportage vermelde gegevens van het NIBUD betreffende het gemiddelde elektriciteitsverbruik van een driepersoonshuishouden en de op het perceel aangetroffen grote stroomverbruikers, is een legaal huishoudelijk elektriciteitsverbruik van 54.000 kWh zeer onaannemelijk.
Zoals de rechtbank hiervoor onder 6.6. heeft overwogen, acht zij niet aannemelijk dat veroordeelde in de periode na medio 2006 nog bloemen en/of groenten heeft gekweekt in het kassencomplex. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat het gebruik van een deel van het kassencomplex als showroom voor auto's en brommobielen tijdens een deel van de ontnemingsperiode heeft geleid tot een zodanig hoog elektriciteitsverbruik dat het totale legale elektriciteitsverbruik in die periode hoger was dan 10.000 kWh per jaar. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de berekening van het jaarverbruik van 10.000 kWh - in het voordeel van veroordeelde - ruime marges in acht zijn genomen en dat het niet aannemelijk is dat het gedeelte van het kassencomplex dat als showroom werd gebruikt, elektrisch werd verwarmd.
Voor de berekening van de hoeveelheid elektriciteit die nodig is voor een geslaagde oogst in de silo, de koelruimte en de kelder sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet bestreden. De rechtbank neemt het in de ontnemingsrapportage vermelde elektriciteitsverbruik van 11.938 kWh per oogst in de silo en 12.640 kWh per oogst in de koelruimte over. De rechtbank constateert dat in de ontnemingsrapportage bij de berekening van het elektriciteitsverbruik van de kweekruimtes in de kelder is uitgegaan van 49 lampen van elk 600 Watt, terwijl elders in deze rapportage is vermeld dat in die kweekruimtes 42 lampen van 600 Watt en zeven lampen van 700 Watt zijn aangetroffen. De rechtbank zal in het voordeel van veroordeelde uitgaan van de laatstgenoemde aantallen en wattages. Dit betekent dat de rechtbank aanneemt dat het elektriciteitsverbruik per oogst in de kweekruimtes in de kelder (7 lampen x 100 Watt x 110% x 798 uren =) 614,46 kWh hoger is geweest dan is vermeld in de ontnemingsrapportage. Daarom gaat de rechtbank uit van een elektriciteitsverbruik per oogst in de kelder van (30.334,92 kWh + 614,46 kWh =) 30.949 kWh.
Voor de berekening van het aantal oogsten per kweekruimte sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De rechtbank zal per periode eerst het geschatte legale elektriciteitsverbruik aftrekken van het door de netwerkbeheerder vastgestelde elektriciteitsverbruik. Van de uitkomst van die som zal de rechtbank het elektriciteitsverbruik aftrekken dat nodig is voor een zo groot mogelijk aantal oogsten in de silo en de koelruimte tot een maximum van vijf oogsten per jaar. Het elektriciteitsverbruik dat daarna resteert, zal de rechtbank toerekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Dit echter met uitzondering van de periode 2012/2013. In die periode zal de rechtbank het gehele elektriciteitsverbruik dat resteert na aftrek van het geschatte legale elektriciteitsverbruik toerekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Voorts zal de rechtbank het elektriciteitsverbruik van 38.255 kWh dat in de ontnemingsrapportage is vermeld bij de laatste periode in de tabel ‘elektriciteitsverbruik ten behoeve van hennepkweek en huishoudelijk verbruik’ (hierna: de tabel) buiten beschouwing laten, omdat zij ervan uitgaat dat dit verbruik gerelateerd is aan de teelt van de hennepplanten en stekjes die zijn aangetroffen bij de inval op 3 juli 2013, welke teelt niet tot voordeel heeft geleid.
Ten aanzien van de hiervoor vermelde volgorde van de toerekening overweegt de rechtbank het volgende. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde al in augustus 2005 is begonnen met het telen van hennep. Daarnaast acht de rechtbank het op grond van de tabel aannemelijk dat gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode tegelijkertijd hennep is geteeld in de silo en de koelruimte én in de kelder. Voor zover veroordeelde heeft verklaard dat hij maximaal twee jaar voor juni of juli 2012 is begonnen met het telen van hennep in de silo en de koelruimte en dat hij pas is begonnen met het telen van hennep in de kelder, nadat in juni of juli 2012 was gestopt met het telen van hennep in de silo en de koelruimte, acht de rechtbank deze verklaring dan ook niet geloofwaardig. Op grond van deze verklaring acht de rechtbank wel aannemelijk dat het zwaartepunt van de hennepteelt in de periode vóór juni of juli 2012 in de silo en de koelruimte lag en dat veroordeelde na juni of juli 2012 in die ruimtes geen hennep meer heeft geteeld.
Dit leidt tot de volgende berekening van het aantal oogsten per kweekruimte.
jaar: verbruik: privé: over tbv silo: koelruimte: rest=kelder:
in kWh in kWh kweek:
3 oogsten = 3 oogsten =
05/06 (114.859 - 40.000 =) 74.859 kWh - (35.814 kWh + 37.920 kWh) = 1.125 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
06/07 (152.503 - 10.000 =) 142.503 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 19.613 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
07/08 (201.437 - 10.000 =) 191.437 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 68.547 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
08/09 (208.988 - 10.000 =) 198.988 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 76.098 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
09/10 (208.603 - 10.000 =) 198.603 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 75.713 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
10/11 (221.573 - 10.000 =) 211.573 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 88.683 kWh
5 oogsten = 5 oogsten =
11/12 (204.647 - 10.000 =) 194.647 kWh - (59.690 kWh + 63.200 kWh) = 71.757 kWh
12/13 (162.623 - 10.000 =) 152.623 kWh - 0 + 0 =152.623 kWh
------------- ------------- ----------------
totaal aantal oogsten 33 oogsten 33 oogsten
totaal resterend elektriciteitsverbruik 554.159 kWh
De rechtbank berekent het aantal oogsten in de kelder door het resterende elektriciteitsverbruik van 554.159 kWh te delen door het in overweging 7.5. berekende elektriciteitsverbruik van 30.949 kWh dat nodig is voor één oogst in deze kweekruimtes. Dit resulteert (naar beneden afgerond) in zeventien oogsten.
Berekening opbrengst hennepteelt
Ook voor de berekening van de opbrengst per oogst in hennep en geld sluit de rechtbank aan bij de ontnemingsrapportage. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling dat voor wat betreft de opbrengst van de silo en de koelruimte moet worden uitgegaan van de verklaring van veroordeelde dat de opbrengst 14,1 gram per hennepplant was. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Volgens de verdediging is de door veroordeelde gestelde opbrengst van 14,1 gram per hennepplant veroorzaakt doordat veroordeelde wekelijks een strook hennepplanten knipte, waardoor de andere planten in die ruimte extra licht kregen en sprake was van een onregelmatig lichtschema gedurende de volledige cyclus. Dit heeft er volgens de verdediging toe geleid dat de planten gestrest raakten en minder opbrachten. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat veroordeelde de lichtcyclus van de hennepplanten heeft verstoord door planten te knippen op een moment dat het donker diende te zijn in de desbetreffende kweekruimte. Daartoe overweegt zij dat hiervoor - buiten de verklaring van veroordeelde - geen aanwijzingen zijn. Bovendien bestond er ook geen noodzaak om de hennepplanten in de donkere periode te knippen en kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat veroordeelde, als professionele kweker en ervaren hennepteler, op de hoogte was van het belang van de lichtcyclus voor de hennepplanten, zodat het maken van extra licht voor het knippen van hennepplanten zeer onlogisch zou zijn geweest. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verbalisant] , hoofdinspecteur van politie, drugsexpert en eenheidscoördinator hennep bij de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie, erop heeft gewezen dat vrouwelijke hennepplanten standaard niet worden ontdaan van de bloemtoppen als de planten nog in de grond staan maar in hun geheel worden geknipt en verwijderd, dat voor het knippen geen extra licht behoeft te worden gemaakt als dit wordt gedaan tijdens de 12 uren dat de planten in de bloeifase licht krijgen en dat de vrouwelijke hennepplanten hierdoor geen last ondervinden van het knippen en verwijderen. Zelfs indien ervan uit zou worden gegaan dat veroordeelde hennepplanten heeft geknipt op het moment dat het donker diende te zijn in de desbetreffende kweekruimte, acht de rechtbank niet aannemelijk dat daarvoor zoveel en zolang extra licht is gebruikt dat dit kan hebben geleid tot een substantieel lagere opbrengst van de hennepplanten. Daarom acht de rechtbank aannemelijk dat de hennepplanten in de silo en de koelruimte gemiddeld 28,2 gram per plant hebben opgebracht. Deze opbrengst betreft het gewogen gemiddelde dat is vermeld in het BOOM-rapport.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de opbrengst van zowel de silo als de koelruimte 16,92 kg hennep per oogst bedroeg en dat veroordeelde zowel voor de hennep uit de silo als voor de hennep uit de koelruimte per oogst € 50.760 ontving, zoals is berekend in de ontnemingsrapportage. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat de opbrengst van de kweekruimtes in de kelder 12 kg hennep per oogst bedroeg en dat veroordeelde daarvoor € 36.000 ontving, zoals is berekend in de ontnemingsrapportage.
Berekening af te trekken kosten
Ten aanzien van de berekening van de af te trekken afschrijvingskosten, kosten voor de inkoop van hennepstekken en overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) volgt de rechtbank de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet betwist. Daarom zal de rechtbank zowel voor wat betreft de silo als voor wat betreft de koelruimte per oogst een bedrag van € 4.108 aan kosten in mindering brengen op het voordeel. Voor wat betreft de kweekruimtes in de kelder zal de rechtbank per oogst een bedrag van € 4.478,80 aan kosten in mindering brengen op het voordeel.
Ook voor wat betreft de berekening van de kosten van het elektriciteitsverbruik volgt de rechtbank de ontnemingsrapportage. De verdediging heeft deze berekening niet betwist. Daarom zal de rechtbank voor de kosten van het elektriciteitsverbruik in totaal een bedrag van € 158.480,15 in mindering brengen op het voordeel.
De rechtbank volgt de verdediging niet in haar betoog dat per jaar een bedrag van € 24.000 aan kosten voor de huur van het kassencomplex in mindering moet worden gebracht op het voordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat dit geen kosten zijn die rechtstreeks voortvloeien uit het telen van de hennep, aangezien veroordeelde deze kosten ook zou hebben gemaakt indien hij geen hennep zou hebben geteeld. Veroordeelde heeft het kassencomplex oorspronkelijk (mede) gehuurd om daarin legaal bloemen en/of groenten te telen. Daarnaast werd een deel van het kassencomplex gedurende een deel van de ontnemingsperiode door de stiefzoon van veroordeelde gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen. Bovendien blijkt uit de verklaringen van veroordeelde dat hij daarvoor van zijn stiefzoon maandelijks een huursom ontving van € 2.000 à € 2.500.
De rechtbank constateert dat in de ontnemingsrapportage een voorzichtige schatting is gemaakt van het bedrag dat [verdachte 2] van veroordeelde heeft ontvangen voor de door hem in het kader van de hennepteelt verrichte werkzaamheden. Deze schatting is in het nadeel van veroordeelde. Daarom zal de rechtbank afwijken van de berekening in de ontnemingsrapportage en een ruimhartigere berekening maken van de arbeidskosten van [verdachte 2] . In navolging van de ontnemingsrapportage neemt de rechtbank als uitgangspunten dat [verdachte 2] werkzaamheden in de hennepkwekerij heeft verricht in de periode vanaf het ongeval van veroordeelde op 21 maart 2012 tot de ontmanteling van de hennepkwekerij op 3 juli 2013 (zijnde een periode van 470 dagen), dat veroordeelde [verdachte 2] voor zijn werkzaamheden in het kader van de hennepteelt € 10 per uur betaalde en dat tijdens de observatieperiode van twaalf dagen is vastgesteld dat [verdachte 2] op vijf dagen in de kelder onder de woning aan de [adres] te [plaats] is geweest en dat hij daar telkens anderhalf tot elf uur is gebleven. Op basis hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte 2] op (5/12 x 470 =) 196 dagen werkzaamheden heeft verricht en dat [verdachte 2] op die dagen gemiddeld zes uren aan het werk was in de hennepkwekerij. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde in verband met de werkzaamheden van [verdachte 2] naar schatting (196 x 6 x € 10 =) € 11.760 aan arbeidskosten heeft betaald. Deze arbeidskosten zal de rechtbank in mindering brengen op het voordeel.
Berekening van het voordeel
10. Dit levert de volgende berekening op:
opbrengst silo (33 x € 50.760 =) € 1.675.080
opbrengst koelruimte (33 x € 50.760 =) € 1.675.080
opbrengst kelder (17 x € 36.000 =) € 612.000
-------------- +
totale opbrengst € 3.962.160
kosten silo (33 x € 4.108 =) € 135.564
kosten koelruimte (33 x € 4.108 =) € 135.564
kosten kelder (17 x € 4.478,80 =) € 76.139,60
kosten elektriciteit € 158.480,15
arbeidskosten € 11.760
-------------- +
totale kosten € 517.507,75
totale opbrengst € 3.962.160
totale kosten € 517.507,75
-------------- -
wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.444.652,25
Verdeling van het voordeel en hoogte betalingsverplichting
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen dient te worden verdeeld tussen veroordeelde en [verdachte 3] . Daartoe overweegt de rechtbank dat [verdachte 3] in de hoofdzaak is vrijgesproken van het telen en bewerken van hennep en dat uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken ook niet is gebleken dat [verdachte 3] in de ontnemingsperiode een rol heeft gehad bij het telen en verkopen van de hennep. Daarom kan [verdachte 3] niet worden aangemerkt als dader van de feiten waaruit het wederrechtelijk voordeel is verkregen. Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken acht de rechtbank niet aannemelijk dat [verdachte 3] samen met veroordeelde de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. De rechtbank acht aannemelijk dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegenereerd door veroordeelde en dat hij degene was die daarover de beschikking had. Uit het dossier blijkt dat [verdachte 3] op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij, dat zij is veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten, dat zij in het verleden getrouwd is geweest met veroordeelde, dat zij tijdens (een deel van) de ontnemingsperiode met veroordeelde samenwoonde in de woning op het perceel waar de hennepkwekerij zich bevond en dat zij van veroordeelde contante bedragen heeft ontvangen, waarvan zij (ten minste) bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat deze afkomstig waren van de opbrengst van de hennepkwekerij. Uit deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [verdachte 3] heeft geprofiteerd van de opbrengsten van de hennepteelt door veroordeelde. Maar daaruit blijkt niet dat dit op zodanig grote schaal heeft plaatsgevonden dat het redelijk is om het wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen te verdelen tussen veroordeelde en [verdachte 3] . De omstandigheid dat veroordeelde en [verdachte 3] geen volledige openheid van zaken hebben gegeven ten aanzien van de onderlinge verdeling van het voordeel is onvoldoende reden om hier anders over te oordelen.
De rechtbank acht aannemelijk dat [verdachte 3] de beschikking heeft gehad over de bedragen van in totaal € 236.697,14 die blijkens de ontnemingsrapportage contant zijn gestort op haar bankrekeningen en de bedragen van in totaal € 84.080,08 die blijkens (de bijlagen bij) de ontnemingsrapportage in de periode van januari 2006 tot en met december 2011 contant zijn gestort op haar hypotheekrekeningen . Gelet op de omstandigheden dat veroordeelde heeft verklaard dat de alimentatie die hij contant aan [verdachte 3] betaalde, welke volgens [verdachte 3] € 1.600 per maand bedroeg , afkomstig was van de opbrengst van de hennepkwekerij en dat [verdachte 3] in de ontnemingsperiode geen andere substantiële, verifieerbare contante inkomsten had, acht de rechtbank aannemelijk dat alle geldbedragen die in die periode contant zijn gestort op haar (hypotheek)rekeningen, afkomstig zijn uit de opbrengst van het telen en verkopen van hennep door veroordeelde.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte 3] (€ 236.697,14 + € 84.080,08 =) € 320.777,22 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Daartoe overweegt zij dat de omstandigheid dat veroordeelde ervoor heeft gekozen om een deel van het door hem verkregen voordeel aan [verdachte 3] te geven niet van invloed is op de hoogte van het door hemzelf uit de strafbare feiten verkregen voordeel. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 3.444.652,25.
De rechtbank zal het bedrag van € 320.777,22 dat [verdachte 3] van veroordeelde heeft gekregen echter wel aftrekken van de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. Dit om te voorkomen dat dit bedrag tweemaal dient te worden terugbetaald. Bij beslissing van heden heeft de rechtbank in de ontnemingsprocedure tegen [verdachte 3] immers vastgesteld dat zij dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en wordt haar reeds de verplichting opgelegd dit bedrag terug te betalen. Daarom zal de rechtbank de betalingsverplichting van veroordeelde vaststellen op een bedrag van (€ 3.444.652,25 - € 320.777,22 =) € 3.123.875,03.
Het hof sluit zich aan bij de door de rechtbank gehanteerde berekeningsmethode en neemt vorenstaande bewijsmiddelen en overwegingen over en maakt die tot de zijne, met uitzondering van overwegingen van de rechtbank over de aftrek van de huurkosten als omschreven in 9.3 en (gelet op de doorwerking daarvan) de verdere berekeningen genoemd in 10, 11.3 en 11.4.
De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleidooi in eerste aanleg, in hoger beroep opnieuw betoogd dat – kort gezegd – :
een andere berekeningsmethode dan die in de ontnemingsrapportage (en door de rechtbank) zou moeten worden gehanteerd, namelijk een die in het voordeel van betrokkene moet zijn, te weten de toerekening van het aantal kWh aan de diverse kweekruimtes, te beginnen met de kelder en voorts op basis van ingekochte en gebruikte potgrond;
het huishoudelijk verbruik van het gezin [verdachte 1] weliswaar hoog was maar dat geen onderzoek is verricht naar het abnormaal hoge stroomverbruik, dat er wel een ‘zeven maanden meting” is geweest gedurende welke geen hennepplanten zijn aangetroffen zodat het hoge verbruik niet aan hennepkweek te relateren valt;
de opbrengst per plant in de ontnemingsrapportage met 28,2 gram veel te hoog is ingeschat en dat de opbrengst, in ieder geval in de silo en de koelruimte, slechts 14,1 gram per plant opleverde;
e huurkosten van het kassencomplex dienen te worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ten aanzien van de verweren van de raadsman overweegt het hof nog (voor zover niet reeds door de rechtbank verworpen) het volgende.
Ad a) de door de raadsman voorgestelde ‘potgrond-berekeningsmethode’ acht het hof niet betrouwbaar, nu deze enkel is gebaseerd op facturen van [leverancier] en de verklaring van verdachte dat hij potgrond enkel van die leverancier heeft betrokken; bovendien kan die methode het enorme elektriciteitsverbruik niet verklaren. Het hof ziet om die reden geen aanleiding de door de verdediging aldus gepresenteerde berekeningsmethode te hanteren;
Ad b) de verklaring dat de exorbitant hoge electriciteitsafname enkel voor huishoudelijk verbruik was, acht het hof volstrekt onaannemelijk, mede gelet hetgeen in de ontnemingsrapportage op basis van de kengetallen van het Nibud is beschreven over het gemiddelde electriciteitsverbruik van een driepersoonshouden, nota bene rekening houdend met verbruik voor jacuzzi, koikarpervijver en paardenverblijf . De verdediging heeft geen objectieve gegevens aangereikt die maken dat aan die berekening moet worden getwijfeld. Dat in de periode van de (later uitgevoerde) zogenoemde ‘zeven maandenmeting’ volgens Enexis geen henneppatroon is aangetroffen, maakt het verbruik – reeds naar de hoeveelheid afgenomen kWh-en genomen - niet zonder meer verklaarbaar en betekent overigens niet dat in die periode geen hennep werd gekweekt. Het verweer wordt verworpen;
Ad c) de opbrengst per plant van 14,1 gram acht het hof onaannemelijk. Betrokkene is een professionele en ervaren kweker en weet precies welke lichtcyclus voor hennepteelt vereist is, te weten 12 uur licht en 12 uur donker. Het is volstrekt logisch dat de planten worden bewerkt gedurende de 12 uur dat de lampen branden. Het is naar het oordeel van het hof daarom ondenkbaar en ongeloofwaardig dat betrokkene die lichtcyclus zou doorbreken voor het knippen van de planten met als gevolg dat de groei van de planten door lichtstress werd verstoord en de opbrengst daardoor veel minder (nota bene de helft) zou zijn. Het verweer wordt verworpen.
Ad d) de huurkosten van het kassencomplex dienen te worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof is – anders dan de rechtbank – met de raadsman van oordeel dat de huurkosten van het kassencomplex ad € 2.000,-- per maand dienen te worden aangemerkt als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Naar het oordeel van het hof ziet dit evenwel alleen op de huurperiode van oktober 2010 (het moment dat de stiefzoon van verdachte de loods niet langer huurde) tot en met december 2012 (het einde van de berekeningsperiode), zijnde totaal 27 maanden, zodat de in die periode gemaakte huurkosten ad € 54.000,-- in mindering zullen worden gebracht, hetgeen leidt tot de volgende berekening:
Berekening van het voordeel
opbrengst silo (33 x € 50.760 =) € 1.675.080,00
opbrengst koelruimte (33 x € 50.760 =) € 1.675.080,00
opbrengst kelder (17 x € 36.000 =) € 612.000,00
-------------- +
totale opbrengst € 3.962.160,00
kosten silo (33 x € 4.108 =) € 135.564,00
kosten koelruimte (33 x € 4.108 =) € 135.564,00
kosten kelder (17 x € 4.478,80 =) € 76.139,60
kosten elektriciteit € 158.480,15
arbeidskosten € 11.760,00
huurkosten € 54.000,00
-------------- +
totale kosten € 571.507,75
totale opbrengst € 3.962.160,00
totale kosten € 571.507,75
-------------- -
wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.390.652,25
Het hof zal het bedrag van € 320.777,22 dat [verdachte 3] van betrokkene heeft gekregen, aftrekken van de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Dit om te voorkomen dat dit bedrag tweemaal dient te worden terugbetaald. Bij beslissing van heden heeft het hof in de ontnemingsprocedure tegen [verdachte 3] immers vastgesteld dat zij dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en wordt haar reeds de verplichting opgelegd dit bedrag terug te betalen. Daarom zal het hof de betalingsverplichting van betrokkene vaststellen op een bedrag van (€ 3.390.652,25 - € 320.777,22 =) € 3.069.875,03.
Redelijke termijn
Wat er ook zij van overschrijding van de redelijke termijn, dit dient naar het oordeel van het hof geen gevolgen te hebben voor enige beslissing in de ontnemingsprocedure, nu het hof die overschrijding al in de hoofdzaak heeft gecompenseerd.
Draagkracht
Namens betrokkene is verzocht de betalingsverplichting op nihil te stellen. Het hof volgt de verdediging hierin niet. Het hof gaat er daarbij van uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de betrokkene in de toekomst in staat zal zijn om (gedeeltelijk) aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Het hof overweegt daartoe onder meer dat, gelet op de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, betrokkene heel erg veel geld moeten hebben verdiend en hij over heel veel vermogen (heeft) beschikt. Waar al dat geld is gebleven, is onduidelijk gebleven en op dit moment kan onvoldoende worden uitgesloten dat betrokkene nog over (een aanzienlijk) vermogen kan beschikken. De omstandigheden dat betrokkene al de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, slechts een uitkering geniet en vanwege twee eerdere ontnemingsbeslissingen al aan de Staat moet betalen, geven het hof geen aanleiding om thans het verzoek tot het op nihil stellen van de terugbetalingsverplichting te honoreren. Het verweer wordt verworpen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 3.390.652,25 (driemiljoen driehonderdnegentigduizend zeshonderdtweeënvijftig euro en vijfentwintig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.069.875,03 (driemiljoen negenenzestigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en drie cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. G. Dam en mr. A. van Maanen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Wormgoor, griffier,
en op 1 juli 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 juli 2020.
Tegenwoordig:
mr. H. Heins, voorzitter,
mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,
M. Muurmans, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De betrokkene is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.