Nummer21/02206 P
Zitting 13 september 2022
Conclusie
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene
De procedure
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 mei 2021 het bedrag van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen vastgesteld op € 580.317,82 en de betrokkene ter ontneming van voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van € 287.524,67 aan de staat.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. W. Römelingh, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De ontvankelijkheid van het beroep
3. Ambtshalve stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Dit vraagstuk komt eveneens aan bod in de cassatieschriftuur, namelijk in de passage die daarin als vierde middel wordt gepresenteerd. Die passage betreft geen middel van cassatie in de zin der wet. Daarin wordt namelijk geen stellige en duidelijke klacht geformuleerd over de schending van een bepaalde rechtsregel of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Met die passage wordt immers niet opgekomen tegen enige beslissing van het gerechtshof, maar tegen een beslissing die de Hoge Raad nog moet nemen, namelijk die over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel de ontvankelijkheidsvraag voorafgaat aan de kennisneming en het onderzoek van de middelen van cassatie, heb ik de passage die in de schriftuur als vierde middel wordt aangeduid niettemin beschouwd als een toelichting op het standpunt van de raadsman dat de betrokkene in zijn cassatieberoep moet worden ontvangen.
4. Wat wil het geval? Het bestreden arrest is gewezen op 7 mei 2021. Dat was op tegenspraak. Ter terechtzitting van het gerechtshof van 23 april 2021 is de verdachte immers, vergezeld van zijn raadsman, verschenen. Bij die stand van zaken moet het cassatieberoep ingevolge artikel 432 lid 1 Sv uiterlijk de veertiende dag na de einduitspraak worden ingesteld. De gevolmachtigd raadsman van de betrokkene heeft de griffier bij faxbrief en bij e-mail, beide van 21 mei 2021, verzocht het beroep in cassatie in te stellen, en hem daartoe voorzien van een zogeheten ‘schriftelijke bijzondere volmacht’. De griffier heeft blijkens de akte instellen rechtsmiddel d.d. 25 mei 2021 overeenkomstig artikel 451 lid 1 Sv aan dit verzoek voldaan. In cassatie staat niet ter discussie dat de daaraan als bijlage gevoegde faxbrief ter griffie van het gerechtshof Amsterdam op 21 mei 2021 omstreeks 17.25 uur is ingekomen, terwijl een e-mail van diezelfde strekking omstreeks 17.28 uur ter griffie is ontvangen.
5. Volgens het bestuursreglement van het gerechtshof Amsterdam van 16 december 2020, Stcrt. 26 maart 2021, nr. 11973, in werking getreden met ingang van 1 april 2021, sluiten de griffies van dat gerechtshof om 17 uur.,
6. De opsteller van de schriftuur is bekend met vaste rechtspraak die inhoudt dat een per faxbericht of e-mailbericht verzonden schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450 Sv aan een griffiemedewerker tot het voor de betrokkene aanwenden van een rechtsmiddel slechts dan kan worden aangemerkt als binnen de beroepstermijn ingediend, indien deze volmacht ter griffie is binnengekomen vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van deze termijn. Niettemin bepleit hij dat de Hoge Raad (voortaan) van deze rechtspraak afwijkt.
7. De argumenten die in de schriftuur voor dit standpunt naar voren worden gebracht snijden vrij duidelijk geen hout, dan wel zijn niet relevant, dan wel zijn niet nieuw. De slotsom luidt dat het cassatieberoep (onverschoonbaar) te laat is ingesteld.
Slotsom
8. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG