ECLI:NL:PHR:2022:971

ECLI:NL:PHR:2022:971, Parket bij de Hoge Raad, 21-10-2022, 21/05381

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-10-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/05381
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:98
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0009755

Samenvatting

Energierecht. Verzwaring aansluiting op het elektriciteitsnet; onvoldoende capaciteit op door afnemer gewenst aansluitpunt; technische redenen (art. 27, aanhef en lid 2, onder a, Elektriciteitswet 1998)

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/05381

Zitting 21 oktober 2022

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

O-I Netherlands B.V.,eiseres tot cassatie,advocaat: mr. D. Rijpma,

tegen

Stedin Netbeheer B.V.,verweerster in cassatie,advocaten: mrs. B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove.

Partijen worden hierna verkort aangeduid als O-I respectievelijk Stedin.

1. Inleiding en samenvatting

Deze zaak betreft de vraag of een regionale netbeheerder een verzoek van een afnemer om verzwaring van een aansluiting op het elektriciteitsnet dient te honoreren op de wijze als door die afnemer is verzocht.

De afnemer in kwestie, O-I, exploiteert een glasfabriek op een fabrieksterrein te Leerdam. Zij is met andere bedrijven op dat fabrieksterrein voor haar elektriciteitsvoorziening aangesloten op een gesloten distributiesysteem, dat is aangesloten op het transformatorstation Leerdam van Stedin. O-I wenst de capaciteit van de aansluiting op dat station te verzwaren van 12 mega-volt-ampère (MVA) tot 18 MVA. Stedin heeft O-I laten weten dat daarvoor niet voldoende capaciteit beschikbaar is. Een aansluiting van 18 MVA is wel mogelijk op het verder weg gelegen transformatorstation in Arkel. De kosten daarvan worden geraamd op € 6.000.000,- en zouden ten laste van O-I komen.

O-I heeft – kennelijk (mede) in verband met deze kosten – bij Stedin erop aangedrongen dat de verzwaring van de aansluiting wordt gerealiseerd op het station in Leerdam. Zij heeft zich daartoe beroepen op art. 27 lid 2, aanhef en onder a, van de Elektriciteitswet 1998 (E-wet). Ingevolge deze bepaling heeft een afnemer recht op een aansluiting op het door hem gewenste spanningsniveau, tenzij dit om technische redenen redelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd. Het hof heeft geoordeeld dat dergelijke technische redenen zich voordoen als de door O-I gewenste aansluitconstructie zou worden gerealiseerd.

Het middel komt met name tegen dat oordeel op, naar ik meen tevergeefs.

2. Feiten

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

O-I exploiteert een glasfabriek op het fabrieksterrein aan de Lingedijk te Leerdam. Op dat fabrieksterrein is ook een aantal andere glasproducenten gevestigd, waaronder de B.V. Koninklijke Nederlandsche Glasfabriek Leerdam (hierna: Libbey). De glasproducenten op het fabrieksterrein zijn aangesloten op een gesloten distributiesysteem, dat wordt beheerd door O-I.

De aansluiting van het gesloten distributiesysteem op het openbare elektriciteitsnet heeft een capaciteit van 12 MVA. Die aansluiting is uitgevoerd door vier aansluitkabels die lopen van het in Leerdam gelegen station TT085 van Stedin (hierna: station Leerdam) naar een inkoopstation dat is gelegen op het fabrieksterrein, op enige afstand van de erfgrens.

Station Leerdam wordt op zijn beurt gevoed vanuit het station TH099 van Stedin in Arkel (hierna: station Arkel). In station Arkel is het 50 kV tussenspanningsnet (TS), dat wordt beheerd door Stedin, verbonden met het hoogspanningsnet, dat wordt beheerd door TenneT. Vanuit station Arkel lopen twee 50 kV-verbindingen naar station Leerdam. Daar wordt dit voltage met twee transformators, met elk een capaciteit van 40 MVA, omgezet naar 13 kV middenspanning (MS).

Station Leerdam bevindt zich op ca. 2,5 kilometer van het fabrieksterrein. Station Arkel bevindt zich ca. 8 kilometer daar vandaan.

Begin 2015 heeft Libbey aan Stedin laten weten behoefte te hebben aan een eigen aansluiting van 10 MVA op het openbare elektriciteitsnet. Stedin was toen bereid om voor Libbey een nieuwe, eigen aansluiting te realiseren vanuit station Leerdam naar een nieuw aan te leggen inkoopstation, onder de voorwaarde dat er geen verbinding zou komen tussen deze nieuwe aansluiting en het gesloten distributiesysteem. De kosten voor die eigen aansluiting voor Libbey werden geraamd op € 593.000,-.

Op 11 december 2015 heeft O-I aan Stedin een offerte aangevraagd voor de verzwaring van de bestaande aansluiting op het elektriciteitsnet met 6 MVA (van 12 tot 18 MVA). Stedin heeft O-I gevraagd om verduidelijking van haar aanvraag, onder andere omdat de aanvraag van Libbey al liep (die is later ingetrokken). Ook wees Stedin erop dat zij niet zou meewerken aan een tweede aansluiting voor O-I.

Op 29 juli 2016 heeft Stedin aan O-I bericht dat de gevraagde verzwaring naar 18 MVA betekent dat er een rechtstreekse aansluiting moet worden gemaakt op station Arkel. De kosten daarvan werden geraamd op € 6.000.000,-. Stedin schrijft:

“O-I heeft Stedin een verzoek gedaan om een voorstel te doen voor het verzwaren van de bestaande aansluiting [van] 12 MVA met minimaal 6 MVA, in totaal 18 MVA. De aansluiting is boven de 10 MVA en voor de bepaling van het aansluittarief wordt (…) als uitgangspunt (…) genomen het dichtstbijzijnde punt in het net van de netbeheerder waar voldoende capaciteit beschikbaar is. In de Tarieven en Vergoedingsregeling Stedin (…) staat dat groter dan 10 MVA aangesloten wordt op TS. De benodigde extra capaciteit zal tot gevolg hebben dat de huidige aansluiting van O-I (13 kV) verzwaard moet worden naar 50 kV. Het dichtstbijzijnde 50 kV punt in net waar voldoende capaciteit beschikbaar is, is het 150/50kV-onderstation te Arkel.”

In reactie op dit bericht heeft O-I op 13 september 2016 (nogmaals) verzocht om een voorstel voor een aansluiting op station Leerdam. Volgens O-I is er op station Leerdam voldoende capaciteit beschikbaar om een aansluiting van 18 MVA te realiseren.

Op 21 oktober 2016 heeft Stedin een voorstel gedaan voor een aansluiting op station Leerdam.

Op 14 februari 2017 heeft O-I Stedin om een aangepast voorstel voor de aansluiting op station Leerdam gevraagd.

Stedin heeft haar voorstel van 21 oktober 2016 niet op de door O-I gewenste wijze aangepast. Op 7 april 2017 heeft zij aan O-I het volgende bericht:

“U heeft ons laatste voorstel d.d. 21 oktober 2016 niet aanvaard en verzoekt in uw e-mail d.d. 14 februari 2017 om een aangepast voorstel. Voor zover nodig trekken wij alle door ons gedane voorstellen in en kunt u hieraan (…) geen rechten ontlenen. Na hernieuwd beraad zullen [wij] zo spoedig mogelijk met een nieuw voorstel komen.”

O-I heeft bij brief van 20 september 2017 Stedin opnieuw verzocht om een offerte uit te brengen voor de verzwaring van de bestaande aansluiting van 12 MVA tot 18 MVA. O-I preciseerde in die aanvraag dat (i) de verzwaring zou moeten worden gerealiseerd door het trekken van een nieuwe, vijfde aansluitkabel vanaf station Leerdam naar een nieuw te bouwen inkoopstation aan de rand van het fabrieksterrein en dat (ii) de huidige aansluitconfiguratie van de vier aansluitkabels van station Leerdam naar het bestaande inkoopstation gehandhaafd zou blijven. Feitelijk vroeg O-I een extra kabel naar een nieuw inkoopstation, dat verbonden zou moeten worden met het gesloten distributiesysteem.

In haar aanvraag erkent O-I dat voor een aansluitpunt met een capaciteit van 18 MVA een aansluiting op een net met een spanningsniveau van 50 kV (TS) is vereist. O-I beroept zich echter op art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet (en art. 2.1.5 van de Tarievencode Elektriciteit) voor een aansluiting op een aansluitpunt dat daarvan afwijkt.

Stedin heeft niet een aanbod gedaan voor de aansluiting waar O-I om had verzocht. Stedin heeft het standpunt ingenomen dat O-I voor een aansluiting met een capaciteit van 18 MVA alleen recht heeft op een aansluiting op station Arkel, omdat dat het dichtstbijzijnde punt in het net is waar voor een dergelijke aansluiting voldoende capaciteit aanwezig is.

3. Procesverloop

Bij inleidende dagvaarding van 20 december 2018 heeft O-I Stedin gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank). O-I heeft, kort samengevat, gevorderd dat voor recht wordt verklaard (1) dat Stedin onrechtmatig handelt door te weigeren de verzochte verzwaring volgens de door O-I gewenste aansluitconstructie in station Leerdam te realiseren en (2) dat Stedin onrechtmatig handelt door te weigeren daarvoor een offerte uit te brengen. Daarnaast heeft O-I gevorderd (3) dat Stedin wordt veroordeeld om de verzochte aansluiting te realiseren uiterlijk op 1 december 2019, althans binnen vier maanden na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 8.000.000,-, en (4) dat Stedin wordt veroordeeld om een offerte uit te brengen binnen veertien dagen na het vonnis, eveneens op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 8.000.000,-. O-I heeft aan deze vorderingen, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

Het netaansluitpunt voor de gevraagde verzwaring van de aansluiting moet worden gerealiseerd op station Leerdam. Volgens de standaardregeling van Stedin hoort een aansluiting van 18 MVA weliswaar thuis op station Arkel, maar O-I heeft met een beroep op de wettelijke uitzondering van art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet verzocht om aansluiting op het lagere spanningsniveau van station Leerdam. Als een afnemer een beroep doet op deze bepaling uit de E-wet, dan moet de netbeheerder de installatie (in dit geval: het gesloten distributiesysteem) van de afnemer op het door de afnemer gewenste spanningsniveau aansluiten. De netbeheerder kan dat slechts weigeren als om technische redenen redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd de gevraagde aansluiting te realiseren. Deze weigeringsgrond, die restrictief moet worden uitgelegd, doet zich volgens O-I niet voor. Stedin heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Bij vonnis van 20 november 2019 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen, met veroordeling van O-I in de proceskosten.

O-I is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). O-I heeft, onder aanvoering van 17 grieven, gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen.

Stedin heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 28 januari 2021 doen bepleiten. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

Het hof heeft bij arrest van 28 september 2021 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het door O-I in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen, met veroordeling van O-I in de proceskosten in hoger beroep.

Het hof stelt voorop dat O-I met deze procedure wil bereiken dat Stedin een offerte uitbrengt voor de door O-I gewenste aansluiting en deze aansluiting realiseert (rov. 4.1).

Het hof stelt vast dat Stedin niet weigert om verzwaring van de aansluiting van O-I tot stand te brengen, maar wel weigert om dat te doen op de specifieke wijze waar O-I om heeft gevraagd. Ook in hoger beroep is de centrale vraag of O-I aanspraak kan maken op uitbreiding van haar bestaande aansluiting door de aanleg van een nieuwe, vijfde aansluitkabel vanaf station Leerdam naar een nieuw te bouwen inkoopstation, met handhaving van de aansluitconfiguratie van de vier aansluitkabels van station Leerdam naar het bestaande inkoopstation dat elders op het fabrieksterrein is gelegen (rov. 5.4).

Het hof onderscheidt in het standpunt van Stedin drie verweren (rov. 5.15):

(i) de door O-I gewenste aansluitconstructie, met twee afzonderlijke inkoopstations, komt erop neer dat zij twee aansluitingen vraagt. O-I kan voor het door haar beheerde gesloten distributiesysteem echter slechts aanspraak maken op één aansluiting;

(ii) de door O-I gevraagde aansluiting van 18 MVA hoort thuis op station Arkel. O-I verzoekt, met een beroep op art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet om haar aan te sluiten op station Leerdam dat een lager spanningsniveau heeft. Een beroep op deze bepaling kan echter alleen worden gedaan als wordt gevraagd om een aansluiting op een hoger spanningsniveau dan waar de aansluiting thuishoort; en

(iii) ook als art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet wél ruimte zou bieden om een aansluiting te vragen op een lager spanningsniveau, kan het verzoek van O-I nog steeds niet worden toegewezen. Aansluiting op station Leerdam kan namelijk om technische redenen redelijkerwijs niet van Stedin worden verlangd, gezien de ‘diepe netinvesteringen’ die Stedin zou moeten doen om dat mogelijk te maken.

Het hof bespreekt in rov. 5.16-5.17 het verweer onder (i) en oordeelt dat dit slaagt:

“5.16 De door O-I gewenste constructie voor de uitbreiding van haar aansluiting houdt in dat ten behoeve van het gesloten distributiesysteem van O-I een tweede inkoopstation moet worden gerealiseerd, waar de extra vijfde aansluitkabel naartoe zou moeten lopen, terwijl het bestaande inkoopstation, waar de bestaande vier aansluitkabels naartoe lopen, gehandhaafd blijft. O-I heeft aangevoerd dat het hier gaat om een en dezelfde onroerende zaak, waarvoor de bestaande aansluiting alleen maar hoeft te worden verzwaard. Daarmee gaat O-I er echter aan voorbij dat haar verzoek de oprichting van een tweede inkoopstation behelst op een andere locatie op het fabrieksterrein dan het bestaande inkoopstation. Daarmee vraagt zij feitelijk om een tweede aansluiting voor het gesloten distributiesysteem.5.17 Het hof is van oordeel dat de in artikel 23 van de Elektriciteitswet neergelegde verplichting van de netbeheerder om degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van hoofdstuk 3 van de Elektriciteitswet niet ziet op meer dan één aansluiting. Dit is in lijn met de sectorspecifieke uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven(CBb). Dat betekent dat O-I geen recht heeft op twee afzonderlijke aansluitingen in de vorm van twee inkoopstations. Zij kan daar dus geen aanspraak op maken.”

Het hof gaat in rov. 5.18 e.v. in op het verweer onder (iii) en oordeelt dat dit eveneens slaagt. Daarbij heeft het hof vooropgesteld dat het deze kwestie moet beoordelen tegen de achtergrond van de vorderingen zoals O-I die in hoger beroep heeft geformuleerd. Het hof dient te beoordelen of er op dit moment technische redenen zijn die meebrengen dat van Stedin redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam volgens de door O-I gewenste aansluitconstructie (rov. 5.21).

Vervolgens vat het hof de standpunten van Stedin en O-I als volgt samen:

“5.22 Stedin heeft uiteengezet waarom de door O-I gevraagde aansluiting op station Leerdam om technische redenen niet van haar kan worden verlangd. (…).

5.23 Stedin heeft in station Leerdam - net als bij ieder ander transformatorstation - twee transformators geplaatst. De beschikbare capaciteit in het station is begrensd tot het veilig beschikbaar vermogen van één transformator. De tweede transformator dient namelijk als storingsreserve: die moet kunnen worden ingezet bij onderhoud, storingen of calamiteiten om de ononderbroken stroomvoorziening in het achterliggende gebied te kunnen waarborgen. Op deze manier is sprake van zogenoemde ‘n-1 redundantie’. In het door haar opgestelde technisch rapport van 25 juni 2020, heeft Stedin de belasting van station Leerdam weergegeven. Met de huidige aansluiting van het gesloten distributiesysteem van O-I wordt de totale transportcapaciteit van station Leerdam van 40 MVA (de capaciteit van één transformator) voor 80% belast. Daarbij is nog geen rekening gehouden met toekomstige belasting als gevolg van uitbreiding van de aansluitingen van twee klanten die door Stedin uitgebrachte offertes al hebben geaccepteerd, de in aanbouw zijnde all-electric nieuwbouwwijk en het toenemende elektriciteitsgebruik van bestaande huishoudens in het kader van de energietransitie (gas wordt vervangen door elektriciteit, laadpalen voor elektrische auto’s). Rekening houdend met een realistische groei van 6,2 MVA als gevolg hiervan, komt de belasting uit op 38,2 MVA. De aansluiting die O-I vraagt leidt tot een toename met 6 MVA. Daarmee komt de totale belasting van station Leerdam op 44,2 MVA. Dat is een belasting van 110,5%. Dit zou betekenen dat Stedin direct zal moeten investeren in nieuwe transformatorcapaciteit in station Leerdam om de betrouwbaarheid en veiligheid van het net te kunnen blijven waarborgen door het aanhouden van de n-1 redundantie. Uitbreiding is namelijk nodig als een enkele transformator voor meer dan 100% wordt belast. Met de benodigde uitbreiding van het transformatorvermogen in station Leerdam is een bedrag van ca. € 8.000.000,- gemoeid. Dit is een aanmerkelijke extra investering die nodig zou zijn om de door O-I gevraagde aansluiting op station Leerdam te kunnen realiseren. Dat maakt dat O-I deze aansluiting niet van Stedin kan verlangen, aldus Stedin.

5.24 O-I betoogt van haar kant dat Stedin haar niet tegen kan werpen dat in station Leerdam sprake moet zijn van n-1 en dat zij daarom extra investeringen moet doen om de aansluiting van O-I daar te realiseren.”

O-I heeft aangevoerd dat Stedin de n-1 situatie in station Leerdam heeft opgeheven, maar naar het oordeel van het hof heeft O-I die stelling, tegenover de uitleg die Stedin over de situatie op station Leerdam heeft gegeven, niet voldoende onderbouwd (rov. 5.25-5.27). Voorts heeft O-I aangevoerd dat Stedin niet wettelijk verplicht is om op station Leerdam de n-1 redundantie aan te houden en dat haar standpunt dat zij aanzienlijke investeringen moet doen om deze storingsreserve in stand te houden als zij het verzoek van O-I zou honoreren, daarom niet opgaat (rov. 5.28). Daarover overweegt het hof het volgende:

“5.30 Het hof overweegt dat de omstandigheid dat [Stedin] wettelijk niet verplicht is om n-1 aan te houden voor station Leerdam niet meebrengt dat Stedin daar geen n-1 storingsreserve mag aanhouden. Niet gebleken is dat Stedin in het kader van haar taakuitoefening niet in redelijkheid tot het aanhouden van die n-1 reserve heeft mogen besluiten. Naar het oordeel van het hof kan Stedin niet worden verplicht om de n-1 situatie in station Leerdam op te heffen, alleen om te bewerkstelligen dat O-I (zonder extra investeringen van Stedin) aangesloten kan worden op een lager spanningsniveau dan waar haar aansluiting volgens de standaardaansluitingen thuishoort (namelijk station Arkel) en waar Stedin haar aansluiting kan en wil realiseren. Ook het tweede argument van O-I faalt dus. Dat betekent dat Stedin zich op het standpunt mag stellen dat zij n-1 in station Leerdam wil handhaven en dat O-I haar niet kan verplichten om die storingsreserve op te heffen.”

Vervolgens verwerpt het hof nog enkele andere argumenten van O-I:

“5.31 O-I heeft verder aangevoerd dat zij alleen maar extra aansluitcapaciteit wil en dat zij niet heeft gevraagd om extra transportcapaciteit. Tijdens het pleidooi heeft zij nader toegelicht dat zij de vier bestaande aansluitkabels op dit moment allemaal gebruikt voor transport van elektriciteit, dat zij de extra aansluitcapaciteit alleen wil gebruiken om reserve te hebben in geval van een storing, en dat de (transformator)belasting voor station Leerdam dus niet zal veranderen met de verzwaarde aansluiting van O-I. Het hof verwerpt dit verweer. O-I heeft namelijk zelf in de memorie van grieven gesteld dat de verzwaring niet alleen dient om reservecapaciteit voor het gesloten distributiesysteem van O-I te herstellen, maar ook “om verdere uitbreidingen van de productiecapaciteit van de glasfabrieken van O-I en Libbey die door de weigerachtige houding van Stedin tot op heden niet hebben kunnen plaatsvinden in de toekomst alsnog te kunnen laten plaatsvinden” Omdat O-I niet heeft uitgelegd hoe deze passage zich verhoudt tot de stelling dat de verzwaarde aansluiting niet tot een extra belasting van de transformators zal leiden, komt het hof tot het oordeel dat O-I deze stelling niet afdoende heeft onderbouwd.

5.32 O-I heeft verder aangevoerd dat zij zonder problemen op station Leerdam kan worden aangesloten omdat er nog voldoende lege aansluitvelden beschikbaar zijn. Volgens O-I betekent dit dat er dus wel degelijk voldoende vrije capaciteit is op dat station.

5.33 Het hof overweegt hierover als volgt. Stedin stelt dat om technische redenen redelijkerwijs niet van haar kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam, omdat zij daardoor zou worden gedwongen om meteen fors te investeren in uitbreiding van de transformatorcapaciteit van dit station. Het knelpunt is volgens Stedin dus gelegen in de capaciteit van de transformators, en dat staat - zoals Stedin terecht heeft aangevoerd - los van de omstandigheid dat er nog lege aansluitvelden zouden zijn in station Leerdam. Dit argument kan O-I dus evenmin baten.

5.34 O-I heeft verder betwist dat Stedin inmiddels twee nieuwe klanten heeft die aangesloten moeten worden op station Leerdam. Tijdens het pleidooi heeft O-I echter zelf geconstateerd dat er al één aansluiting van een nieuwe klant is ingetekend op de technische tekening van Stedin: de aansluiting van Campina. De betwisting van O-I dat sprake is van twee nieuwe klanten voor wie aansluitcapaciteit beschikbaar moet worden gehouden strookt dan ook niet met de feiten en is al met al onvoldoende onderbouwd. Ook dit argument van O-I faalt dus.”

Het hof komt daarmee tot de volgende tussenconclusie:

“5.35 De conclusie tot zover is dat er, beoordeeld naar de huidige stand van zaken, technische redenen zijn die meebrengen dat van Stedin redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam. De vorderingen van O-I moeten dus ook om deze reden worden afgewezen.”

Daar voegt het hof aan toe dat (overigens) ook op het moment van het wijzen van het vonnis door de rechtbank niet van Stedin kon worden verlangd dat zij O-I zou aansluiten op station Leerdam (rov. 5.36).

Het verweer onder (ii) laat het hof onbesproken (rov. 5.37).

Het hof overweegt tot slot:

“5.38 Voor zover O-I heeft aangevoerd dat Stedin onrechtmatig heeft gehandeld door op een eerder moment (eind 2015/2016/2017?) niet tegemoet te komen aan de door O-I gewenste wijze van uitbreiding van haar aansluiting, geldt dat het hof niet inziet hoe dat relevant is voor de vorderingen zoals O-I die in haar petitum heeft ingekleed. Overigens kan dat betoog van O-I niet slagen, alleen al omdat O-I vraagt om een tweede inkoopstation en zij dat niet van Stedin kan eisen omdat zij geen recht heeft op een tweede aansluiting (zie hiervoor bij 5.16-5.17).”

O-I heeft tegen het arrest van het hof – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Stedin heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, O-I mede door mr. M.R. het Lam (advocaat van O-I in feitelijke instantie) en Stedin mede door mr. J.H.G. Hordijk. Daarna heeft re- en dupliek plaatsgevonden.

4. Juridisch kader

Voordat ik toekom aan het middel geef ik een samenvatting van het juridisch kader. Ik doe dat aan de hand van de drie verweren van Stedin (zie 3.10) en ga tevens in op de door O-I voorgestane uitleg van art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet.

Verweer (i): op een tweede aansluiting bestaat geen recht

Een netbeheerder heeft ingevolge art. 16 lid 1, aanhef en onder e, E-wet tot taak om op de grondslag van art. 23 E-wet derden te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net. Art. 23 lid 1 E-wet luidt:

“1. De netbeheerder is verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk. (...)”

Dit is de aansluitingsplicht van de netbeheerder. Daaronder valt ook de verplichting tot het desgevraagd verzwaren van een bestaande aansluiting.

Art. 23 lid 4 E-wet (tot voor kort lid 3) bepaalt dat een aansluiting door de netbeheerder wordt gerealiseerd binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt 18 weken voor aansluitingen van minder dan 10 MVA.

Stedin heeft erop gewezen dat zowel de toezichthouder (ACM) als de bestuursrechter (CBb) heeft geoordeeld dat aan de aansluitplicht is voldaan als een afnemer beschikt over één aansluiting op het openbare elektriciteitsnet, welke verbinding niet rechtstreeks hoeft te zijn. Daaruit volgt dat een afnemer (slechts) recht kan doen gelden op één aansluiting.

Dit blijkt onder meer uit de uitspraak van het CBb in de zaak […] /Westland. Daarin haalt het CBb het in die zaak bestreden geschilbesluit van de NMa, de voorloper van de ACM, instemmend aan. Het CBb overweegt verderop (onderstreping toegevoegd):

“5.2 (…) De in artikel 23 van de [E-wet] neergelegde verplichting van de netbeheerder om degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van hoofdstuk 3 van de Wet ziet, anders dan appellante heeft betoogd, niet op meer dan één aansluiting."

Hetzelfde blijkt uit de zaak Friesland Campina (ZFC)/Liander, waar (net als in deze zaak) een gesloten distributiesysteem aan de orde was.

Verweer (ii): geen aansluiting op een lager spanningsniveau mogelijk

Hier gaat het om de uitleg van het reeds genoemde art. 27 lid 2, aanhef onder a, E-wet. Die bepaling luidt als volgt:

“In de tariefstructuren wordt in ieder geval opgenomen dat:

a. een afnemer recht heeft op een aansluiting op het door hem gewenste spanningsniveau, tenzij dit om technische redenen redelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd;”

Art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet, staat in hoofdstuk 3 (“Transport van elektriciteit”), paragraaf 5 (“Tariefstructuren en voorwaarden”) van die wet. De tariefstructuren beschrijven de elementen en de wijze van berekening van onder meer het tarief waarvoor afnemers zullen worden aangesloten op een net.

Deze bepaling is in de wet gekomen na het amendement Kortenhorst c.s. Met het amendement is beoogd de afnemer invloed te geven op de hoogte van het transporttarief. Ik citeer uit de toelichting bij het amendement (onderstreping toegevoegd):

“In verband met het bevorderen van het doelmatig handelen van afnemers wordt in de Elektriciteitswet 1998 bepaald dat het transporttarief voor verschillende categorieën afnemers (producenten en eindverbruikers) verschillend kan zijn. De hoogte van het door netbeheerders in rekening te brengen transporttarief hangt af van het spanningsniveau waarop een afnemer is aangesloten. Het opnemen van een doelmatigheidsprikkel brengt met zich mee dat afnemers in staat moeten worden gesteld door hun gedrag doelmatiger te gaan handelen. Het voorgestelde recht op een aansluiting op het door de betreffende afnemer gewenste spanningsniveau stelt de afnemer in staat rechtstreeks invloed uit te oefenen op de hoogte van het bij hem in rekening te brengen transporttarief. Het bedoelde recht is evenwel niet onbeperkt. (…).”

De ACM heeft op basis van art. 36 E-wet de Tarievencode elektriciteit vastgesteld. Een ‘code’ is een besluit van algemene strekking. De Tarievencode elektriciteit beschrijft hoe netbeheerders de tarieven moeten berekenen voor onder meer de aansluitdienst en uit welke onderdelen de tarieven zijn opgebouwd. Art. 2.1.5 Tarievencode elektriciteit, dat een uitwerking vormt van art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet, luidt:

“Een aangeslotene heeft recht op een aansluiting op het door hem gevraagde spanningsniveau, tenzij dit om technische redenen redelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd. De netbeheerder en de aangeslotene overleggen over onder welke voorwaarden en tegen welke vergoeding de aansluiting in deze gevallen wordt gerealiseerd.”

Ik wijs voorts op art. 27 lid 2, aanhef en onder d, E-wet:

“In de tariefstructuren wordt in ieder geval opgenomen dat:

(…)

d. iedere afnemer recht heeft te worden aangesloten op het dichtstbijzijnde punt in het net met een bij zijn aansluiting behorend spanningsniveau, met dien verstande dat een afnemer die een aansluiting op het net wenst met een aansluitwaarde groter dan 10 MVA, wordt aangesloten op het dichtstbijzijnde punt in het net waar voldoende netcapaciteit beschikbaar is;”

Uit deze bepaling blijkt (i) dat aansluiting dient plaats te vinden op het spanningsniveau dat hoort bij de gevraagde aansluitcapaciteit en (ii) dat voor aansluitingen vanaf 10 MVA de aansluiting moet plaatsvinden op het dichtstbijzijnde punt waar voldoende capaciteit beschikbaar is.

Art. 27 lid 2, aanhef en onder d, E-wet is uitgewerkt in de Netcode elektriciteit. Art. 2.25 lid 2 Netcode elektriciteit bepaalt welk spanningsniveau van het net hoort bij welke capaciteit van een aansluiting. Ingevolge art. 2.25 lid 2, onder e, wordt een aansluiting met een aansluitcapaciteit tussen 3 MVA en 100 MVA “aangesloten op een net met een spanningsniveau groter dan of gelijk aan 25 kV en kleiner of gelijk aan 50 kV”.

Het CBb heeft uitgemaakt dat een aansluiting op een net met een lager spanningsniveau dan het passende spanningsniveau niet mogelijk is. In rov. 3 van zijn uitspraak in […] /Westland haalt het CBb instemmend het bestreden geschil besluit van de NMa aan:

“Voorts heeft [Westland] terecht een aansluiting aangeboden op een net met een spanningsniveau dat hoort bij een aansluiting van 5,4 MW (en niet op een net met een lager spanningsniveau).”

Vervolgens bekrachtigde het CBb (ook) op dit punt het besluit van de NMa, waarvan randnummer 63 als volgt luidt (onderstreping toegevoegd):

“Tot slot heeft [ […] ] tijdens de hoorzitting gesteld dat hij alsnog aangesloten dient te worden op het lokale distributienet. De Raad [d.w.z.: de NMa; A-G] merkt op dat Knoppert op grond van artikel 27, tweede lid onder d van de E-wet recht heeft om te worden aangesloten op het dichtstbijzijnde punt in het net met een bij zijn aansluiting behorend spanningsniveau.[ ] heeft echter geen recht om te worden aangesloten op een net dat verbonden is met een lager dan bij zijn aansluiting behorend spanningsniveau. (…)”

Voor het aansluittarief maakt het geen verschil als op een afwijkend spanningsniveau wordt aangesloten. Art. 27 lid 2, aanhef en onder g, E-wet bepaalt namelijk dat het aansluittarief wordt gebaseerd op de grootte van de aansluitcapaciteit. Aansluiting op een hoger spanningsniveau leidt wel tot een lager transporttarief. Voorzien is in een trapsgewijs stelsel: hoe hoger het spanningsniveau is, hoe lager het transporttarief.

Dat art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet niet is bedoeld om afnemers de mogelijkheid te bieden te worden aangesloten op een lager spanningsniveau volgt impliciet ook uit het besluit van de ACM in een geschil tussen Notos en Liander (mijn onderstreping):

“39. De wetgever heeft met artikel 27, tweede lid, onderdeel a, E-wet beoogd om afnemers doelmatiger te laten handelen door hen in staat te stellen rechtstreeks invloed uit te oefenen op de hoogte van het transporttarief. Door aansluiting op een hoger en dus afwijkend spanningsniveau, krijgen afnemers een lager transporttarief. Dit houdt direct verband met het zogenoemde cascadestelsel waar de tarieven op zijn gebaseerd. Met het oog op de wens van de wetgever en het cascadestelsel, lijkt artikel 27, tweede lid, onderdeel a, E-wet er volgens de ACM voor bedoeld om afnemers de mogelijkheid te geven om te verzoeken om een aansluiting op een hoger spanningsniveau.

Een aansluiting op een afwijkend spanningsniveau kan bovendien worden geweigerd als technische redenen zich daartegen verzetten. Daarover gaat Stedins derde verweer.

Verweer (iii): aansluiting om technische redenen niet mogelijk

Het in art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet vermelde recht op een aansluiting op het door de aanvrager gewenste spanningsniveau is onderworpen aan twee beperkingen.

Ten eerste kan een aanvraag niet worden gehonoreerd als dit om technische redenen redelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd (zie het slot van deze bepaling). Dit volgt als gezegd uit de tekst van die bepaling. Technische redenen kunnen zien op de veiligheid en de betrouwbaarheid van het net, maar ook op economische aspecten zoals kosten. In de toelichting bij het amendement Kortenhorst c.s. staat, direct na de in 4.9 geciteerde passage, het volgende (onderstreping toegevoegd):

“(…). Het bedoelde recht is evenwel niet onbeperkt. Van een netbeheerder kan niet worden verlangd dat hij tot aanmerkelijke extra netinvesteringen (diepe aansluitkosten) overgaat, teneinde een gewenste aansluiting op een bepaald spanningsniveau te realiseren. Evenzeer moet de netbeheerder het recht hebben een gevraagde aansluiting op een bepaald spanningsniveau te weigeren, wanneer de gevraagde aansluiting rechtstreeks gevolgen zou hebben voor de fysieke integriteit en daarmee de betrouwbaarheid van het door de netbeheerder beheerde net. In deze gevallen kan de gevraagde aansluiting op een bepaald spanningsniveau redelijkerwijs niet worden verlangd. (…).”

‘Diepe aansluitkosten’ zijn investeringen in het net en in een uitbreiding van het net die verband houden met het realiseren van een of meer nieuwe aansluitingen. Dergelijke kosten worden niet gedekt door het aansluittarief, omdat dat tarief betrekking heeft op drie limitatieve kostenposten.

Ten tweede kan een aansluitwaarde groter dan 10 MVA worden aangesloten op een verder gelegen punt dan het dichtstbijzijnde als op dat laatste punt niet voldoende netcapaciteit beschikbaar is. Dit volgt uit het – in 4.11 aangehaalde – art. 27 lid 2, aanhef en onder d, E-wet. Uit de uitspraak van het CBb in de zaak Windpark Zeeland blijkt dat de regeling onder d een “meer specifieke regeling” is ten opzichte van de regeling onder a (onderstreping toegevoegd):

“6.4 Naar het oordeel van het College bevat artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, EW’98, voor een geval als het onderhavige een bijzondere, althans een meer specifieke regeling dan het bepaalde onder a van dit artikellid. In verband hiermee en in aanmerking genomen dat het bepaalde onder d is ingevoerd bij latere wetgeving dan het bepaalde onder a, dient - zoals hiervoor reeds tot uitdrukking is gebracht - de vraag of appellantes verzoek om aansluiting op de door haar aangewezen locatie voor inwilliging in aanmerking komt, in de eerste plaats te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, EW’98.”

In dat verband wijs ik erop dat ingevolge art. 16 lid 1, onder d, E-wet de netbeheerder tot taak heeft “voldoende reservecapaciteit voor het transport van elektriciteit aan te houden.” Dit geldt voor alle netten en is dus ook voor de netten van regionale netbeheerders als Stedin. Voor hoogspanningsnetten geldt op grond van art. 16 lid 4 E-wet daarnaast de expliciete verplichting een storingsreserve aan te houden voor uitvalsituaties. Art. 31 lid 12 E-wet bepaalt dat in de technische codes kan worden vastgelegd op welke wijze netbeheerders uitvoering geven aan de regels over de storingsreserve. Ingevolge art. 9.12 lid 2, aanhef en onder a, Netcode elektriciteit geldt voor het hoogspanningsnet van 110 kV en 150 kV de verplichting een enkelvoudige storingsreserve aan te houden. Dit is de n-1 norm of n-1 redundantie. Het aanhouden van een dergelijke storingsreserve heeft uiteraard gevolgen voor de (transport)capaciteit die voor afnemers beschikbaar is. Beheerders van netten met middenspanning zijn niet wettelijk verplicht de n-1 norm te hanteren. Zij mógen dat echter wel doen om aldus te voldoen aan hun verplichting voldoende reservecapaciteit aan te houden.

Daarmee kom ik toe aan het middel.

5. Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding

Het cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen met verschillende subonderdelen. Onderdeel 1 komt op tegen de wijze waarop het hof een aansluiting heeft afgebakend. Onderdeel 2 heeft betrekking op onder meer de uitleg door het hof van de vorderingen van O-I en het peilmoment waarnaar de gestelde onrechtmatigheid van het handelen van Stedin moet worden beoordeeld. Onderdeel 3 hekelt het oordeel dat het verzoek van O-I een verzoek om een tweede aansluiting behelst (het eerste dragende oordeel). De onderdelen 4 en 5 richten klachten tegen het oordeel dat er technische redenen zijn die meebrengen dat van Stedin redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam, zodat het beroep van O-I op art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet niet opgaat (het tweede dragende oordeel). Onderdeel 6 bevat een voortbouwklacht.

Stedin heeft bij wijze van preliminair verweer aangevoerd dat O-I belang mist bij al haar klachten. Stedin wijst er daarbij op dat zij heeft betoogd dat toepassing van art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet alleen kan leiden tot aansluiting op een hoger spanningsniveau dan het niveau waar de aansluiting ‘thuishoort’ (zie rov. 5.15, het verweer onder (ii)). Het hof heeft dit argument uitdrukkelijk onbesproken gelaten (rov. 5.37). Volgens Stedin is er echter geen andere conclusie mogelijk dan dat dit verweer gegrond is.

Gelet op wat ik hiervoor onder 4.7-4.15 heb opgemerkt, meen ik dat dit verweer zonder meer kansrijk was. Dat het verweer zou slagen staat echter niet met zekerheid vast. Er is namelijk geen wettelijke bepaling waaruit expliciet volgt dat een aansluiting op een net met een lager spanningsniveau dan normaal passend zou zijn, onder geen enkele omstandigheid kan worden toegestaan. De bespreking van het preliminaire verweer kan hier echter verder achterwege blijven omdat, zoals ik zal toelichten, geen van de klachten slaagt.

Onderdeel 1: definitie van ‘aansluiting’

Het eerste onderdeel is gericht tegen rov. 5.9, waarin het hof overweegt:

“Een aansluiting wordt begrensd door twee punten: (a) het netaansluitpunt en (b) het overdrachtspunt. Het netaansluitpunt (ook wel: de knip in het net) is het fysieke punt dat de grens is tussen de aansluiting en het net van de netbeheerder. Het overdrachtspunt is het fysieke punt dat de grens is tussen de aansluiting van het net en de installatie van de afnemer. De aansluiting omvat de verbinding(en) tussen die twee punten, die kan bestaan uit een of meerdere aansluitkabels. De aansluitplicht houdt in dat de netbeheerder gehouden is om de verbinding(en) tussen een netaansluitpunt tot en met het overdrachtspunt tot stand te brengen.”

Volgens de klacht miskent het hof dat de netbeheerder ook de twee genoemde punten tot stand moet brengen (en niet enkel de verbinding daartussen).

Naar mijn mening heeft O-I geen belang bij de klacht omdat het gegeven oordeel los staat van de twee dragende gronden van de beslissing van het hof.

Onderdeel 2: beoordelingsmoment onrechtmatigheid

Onderdeel 2 is gericht tegen de – in de inleiding van het onderdeel weergegeven delen van de – rov. 4.1, 5.21, 5.36, 5.37 en 5.38 van het bestreden arrest.

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het moment waartegen beoordeeld moet worden of het niet realiseren en/of offreren van de verzwaring van een aansluiting onrechtmatig is. De onrechtmatigheid dient te worden beoordeeld tegen het moment waarop de afnemer om een offerte heeft gevraagd, tegen het moment na afloop van een redelijke termijn nadat om de offerte is verzocht, althans tegen het moment waarop door de netbeheerder een onjuiste offerte is uitgebracht. Het subonderdeel verwijst naar art. 23 lid 3 (oud) E-Wet (thans art. 23 lid 4), om te betogen dat de termijn begint te lopen als het verzoek is ingediend, wat in dit geval 21 oktober 2016 was, althans ten laatste 20 september 2017 (zie hiervoor, 2.10 en 2.12). Daarbij voert O-I nog aan dat de vertraging is ontstaan doordat Stedin de voorwaarde van verplaatsing van het overdrachtspunt heeft gesteld.

Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat als de netbeheerder weigert (de verzwaring van) een aansluiting te realiseren en/of te offreren waarop een afnemer recht heeft op grond van art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet, dit de netbeheerder schadeplichtig maakt jegens de afnemer voor het geval die aansluiting op een later moment niet meer kan worden gerealiseerd, met als gevolg dat de afnemer geconfronteerd wordt met aanzienlijk hogere aansluitkosten dan het geval zou zijn geweest wanneer de netbeheerder zijn wettelijke aansluittaak correct en tijdig zou hebben uitgevoerd.

Subonderdeel 2.3 klaagt dat de bestreden overwegingen uitgaan van een onbegrijpelijke uitleg van de vorderingen 1 en 2 en van hetgeen O-I daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het subonderdeel acht het onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen zoals het in het bijzonder in rov. 5.38 heeft gedaan, in plaats van dat het de onrechtmatigheid van het gedrag van Stedin heeft beoordeeld tegen de door O-I aangegeven momenten. Volgens O-I draait het geschil evident om de kosten van de verzwaring van de aansluiting. Het hof had moeten beoordelen of, en zo ja wanneer, de redelijke termijn was afgelopen en vervolgens of Stedin onrechtmatig jegens O-I heeft gehandeld doordat zij de verzwaring van de aansluiting nog steeds niet heeft gerealiseerd.

Ik zal eerst subonderdeel 2.3 bespreken.

De klachten richten zich tegen de door het hof gegeven uitleg van de processtukken. Zoals bekend is die uitleg voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen.

O-I heeft gevorderd dat

- voor recht wordt verklaard dat Stedin onrechtmatig handelt doordat zij weigert de door O-I gewenste aansluitconstructie te realiseren en daarvoor een offerte uit te brengen (vorderingen 1 en 2) en

- Stedin wordt veroordeeld tot het realiseren van deze aansluitconstructie en tot het uitbrengen van een offerte daarvoor (vorderingen 3 en 4).

In het petitum komt een vordering tot vergoeding van door O-I geleden schade niet voor. Ook overigens heeft O-I noch in haar inleidende dagvaarding, noch in de memorie van grieven, gemotiveerd gesteld dat Stedin aansprakelijk is voor door haar geleden schade. O-I heeft in haar inleidende dagvaarding (onder 215) wel gesteld dat zij, wanneer de gevraagde verzwaring van de huidige aansluiting “over één jaar na heden” niet is gerealiseerd, aanzienlijke schade zal lijden doordat zij haar productiecapaciteit niet verder kan uitbreiden zolang haar huidige aansluiting op het openbare elektriciteitsnet van Stedin niet met 6 MVA is verzwaard. Die stelling strekt aldaar echter ter onderbouwing van de gevorderde dwangsom. In de memorie van grieven (onder 9) herhaalt O-I dat zij zonder de extra aansluitcapaciteit haar fabriek niet verder kan uitbreiden. Deze stellingen zijn echter niet nader onderbouwd.

In haar memorie van grieven heeft O-I over hetgeen zij in hoger beroep wil bereiken het volgende naar voren gebracht:

“120. O-I is tegen het Vonnis in hoger beroep gekomen teneinde alsnog te bereiken dat in rechte komt vast te staan dat Stedin jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door de door O-I verzochte en benodigde verzwaring van haar bestaande aansluiting niet te realiseren en daarvoor geen offerte aan O-I uit te brengen en teneinde alsnog te bereiken dat Stedin alsnog de door O-I benodigde verzwaring van haar aansluiting op station Leerdam realiseert en daartoe aan O-I een offerte uitbrengt.

121. Omdat een oplossing van het geschil buiten rechte niet viel te bereiken is O-l ertoe overgegaan het geschil aan de rechtbank voor te leggen teneinde alsnog te komen tot de door O-l verzochte verzwaring van de bestaande aansluiting van O-l op het door Stedin beheerde openbare net in station TT085 te Leerdam.

122. De rechtbank heeft de vorderingen van O-I echter afgewezen, ten onrechte. O-I is daarom in hoger beroep gekomen tegen het Vonnis, teneinde alsnog te komen tot de door O-I verzochte verzwaring van de bestaande aansluiting (…) en daarmee alsnog Stedin ertoe te brengen te doen waartoe zij op grond van de Elektriciteitswet 1998 en daarop gebaseerde regelgeving verplicht was en nog steeds is.”

Tegen deze achtergrond acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof het petitum van O-I zo heeft begrepen dat O-I wilde dat de gewenste verzwaring zou worden bewerkstelligd. Het hof heeft kennelijk mede in het licht hiervan de gevorderde verklaringen voor recht (vorderingen 1 en 2) zo uitgelegd dat deze enkel ten dienste staan van de daarmee corresponderende vorderingen tot veroordeling van Stedin (vorderingen 3 en 4) en geen zelfstandige betekenis hebben. Om die reden heeft het hof zijn beoordeling (hoofdzakelijk) beperkt tot de vraag of er “op dit moment” technische redenen zijn die meebrengen dat van Stedin redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam volgens de door O-I gewenste aansluitconstructie (rov. 5.21 en 5.35) en is het hof niet toegekomen aan de vraag of Stedin al op een eerder tijdstip onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 5.38).

Dat O-I er veelvuldig op heeft gewezen dat aan de door haar voorgestane wijze van realiseren van de verzwaring lagere kosten zijn verbonden dan aan de modaliteit die Stedin heeft aangeboden, staat aan de door het hof gegeven uitleg van de vorderingen niet in de weg. Daaruit volgt niet dat O-I een verschil in kosten in deze procedure bij wijze van schadevergoeding op Stedin wil verhalen indien de door haar gewenste wijze van verzwaring niet meer tot de mogelijkheden behoort. Aannemelijk is bovendien dat het hof de verwijzing naar het verschil in kosten heeft opgevat als het achterliggende belang waarom O-I aandringt op verzwaring van de aansluiting op de door haar gewenste wijze.

Mitsdien falen de subonderdelen 2.1 en 2.3. Hetzelfde geldt voor de voortbouwklacht in subonderdeel 2.4.

In het voetspoor van het voorgaande faalt ook subonderdeel 2.2. De daarin genoemde klacht gaat eveneens uit van de aanname dat Stedin onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is op de grond dat zij heeft geweigerd een aansluiting te realiseren op de wijze als waarop O-I recht meent te hebben. Het hof heeft, gelet op de strekking van de vorderingen geen oordeel gegeven, en ook niet hoeven geven, over de (algemene) vraag of een regionale netbeheerder jegens een afnemer schadeplichtig is als hij weigert een aansluiting waarom de afnemer heeft verzocht te realiseren en die aansluiting nadien niet meer kan worden gerealiseerd op de wijze als verzocht. Daarom faalt de klacht.

Onderdeel 3: tweede aansluiting

Onderdeel 3 richt zich tegen rov. 5.16, 5.17 en 5.38 waarin is geoordeeld dat het verzoek van O-I om verzwaring van haar aansluiting neerkomt op het realiseren van een tweede aansluiting: een nieuwe verbinding zou moeten worden aangelegd van een nieuw te bouwen inkoopstation naar het particuliere elektriciteitsnet waar O-I reeds mee is verbonden, terwijl het bestaande inkoopstation en de vier daaraan verbonden aansluitkabels ongewijzigd worden gehandhaafd. Volgens O-I zou in deze constellatie sprake zijn van een extra verbinding behorende tot de bestaande aansluiting. Het hof zou het systeem van de E-wet hebben miskend en met name zijn uitgegaan van een onjuist begrip van het begrip ‘aansluiting’. In haar schriftelijke toelichting merkt O-I ter adstructie van haar betoog op (onder 3.1.2):

“Legt men een extra aansluiting aan, dan blijft de eerste aansluiting ongewijzigd en wordt zij dus niet verzwaard. Wordt de eerste aansluiting verzwaard (met een extra verbinding), dan komt er geen extra aansluiting tot stand.”

Ik wijs er echter op dat een essentieel onderdeel van de door O-I aan Stedin voorgestelde aansluitconstellatie is het bouwen van een tweede inkoopstation, dat wordt aangesloten op het door Stedin beheerde elektriciteitsnet en aan de andere kant wordt verbonden met het particuliere elektriciteitsnet dat O-I beheert. Dat het hof dit heeft opgevat als een tweede aansluiting acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk. Het feit dat het verzoek van O-I was ingekleed als verzoek om verzwaring dient niet tot een andere beoordeling te leiden.

Onderdeel 4: weigering verzoek O-I in verband met n-1 redundantie

Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 5.30, waarin het hof heeft geoordeeld dat Stedin niet kan worden verplicht om de n-1 situatie in haar station Leerdam op te heffen, enkel om te bewerkstelligen dat O-I (zonder extra investeringen van Stedin) aangesloten kan worden op een lager spanningsniveau dan waar haar aansluiting na verzwaring thuishoort.

Volgens subonderdeel 4.1 gaat rov. 5.30 uit van een verkeerde rechtsopvatting, omdat onder de technische redenen genoemd in art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet niet valt de situatie waarin een netbeheerder die niet wettelijk verplicht is n-1 aan te houden, met een beroep daarop een aansluiting op het gewenste spanningsniveau weigert.

Hiervoor in 4.20 heb ik toegelicht dat met het oog op de betrouwbaarheid van het stroomnet netbeheerders voldoende reservecapaciteit dienen aan te houden zodat er bij uitval door onderhoud, storingen of calamiteiten altijd een ‘vluchtstrook’ beschikbaar is om stroom langs te vervoeren. Subonderdeel 4.1 beoogt, zo begrijp ik, dat investeringen in de uitbreiding van de capaciteit teneinde een n-1 redundantie te kunnen handhaven alleen dan om technische redenen van belang zijn als er een wettelijke verplichting bestaat tot handhaving van een n-1 redundantie. En dat is voor netten onder 110 kV niet het geval.

Ik zie in de wetsgeschiedenis noch in de rechtspraak aanknopingspunten voor dit betoog. Ook regionale netbeheerders, die geen hoogspanningsnetten beheren, hebben op grond van art. 16 lid 1, aanhef en onder b en d, E-wet tot taak de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en van het transport van elektriciteit over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen en voldoende reservecapaciteit voor het transport van elektriciteit aan te houden. Sterker, juist omdat het aanhouden van een n-1 reserve niet wettelijk verplicht is, dienen de gevolgen van het aanhouden van die reserve (zoals de noodzaak diepe investeringen in het net te doen en het waarborgen van de betrouwbaarheid en veiligheid van het net) te worden beoordeeld in het kader van art. 27 lid 2, onder a, E-wet. Het hof heeft terecht geconcludeerd (rov. 5.30, slot) dat Stedin zich op het standpunt mag stellen dat zij in station Leerdam de n-1 reserve wil handhaven en dat O-I haar niet kan verplichten die storingsreserve op te heffen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

In dit geval staat vast dat wegens de door Stedin aangehouden n-1 redundantie het honoreren van het verzoek van O-I extra investeringen vereist voor de uitbreiding van het vermogen van de transformator in station Leerdam. Dit is een omstandigheid die, reeds blijkens de toelichting op het amendement waarmee art. 27 lid 2, aanhef en onderdeel a, in de E-wet is gekomen (zie 4.18) onder het aan het slot van die bepaling vermelde begrip technische redenen valt. Volgens Stedin bedragen de kosten van een dergelijke investering in de uitbreiding van het transformatorvermogen in Leerdam € 8.000.000,-.

Subonderdeel 4.2 acht rov. 5.30 zonder nadere of andere motivering niet begrijpelijk, nu de omstandigheid dat niet is gebleken dat Stedin in het kader van haar taakuitoefening niet in redelijkheid tot het aanhouden van die n-1 reserve heeft mogen besluiten, niet meebrengt dat Stedin niet verplicht is of kan zijn de storingsreserve op te heffen teneinde O-I (zonder extra investeringen van Stedin) aan te sluiten op het door O-I als afnemer gewenste spanningsniveau.

Deze motiveringsklacht faalt in het verlengde van subonderdeel 4.1. Het in rov. 5.30 gegeven oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd, mede in het licht van de daaraan voorafgaande rov. 5.23, 5.28 en 5.29.

Onderdeel 5: relevantie van transportcapaciteit voor beoordeling aanvraag

Subonderdeel 5.1 is gericht tegen rov. 5.30-5.37 en klaagt dat het hof daarin uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, omdat de door het hof in aanmerking genomen aspecten – de n-1 redundantie en/of de (transformator)belasting en/of het investeren in uitbreiding van de transformatorcapaciteit en/of de aansluiting van nieuwe klanten – alle betrekking hebben op de transportcapaciteit en niet op de aansluitcapaciteit. Volgens het middel heeft het hof aldus miskend dat in het systeem van de E-wet aansluiting en transport van elkaar moeten worden onderscheiden, ook al kan dat ertoe leiden dat degene die om (verzwaring van) een aansluiting verzoekt, deze krijgt aangeboden zonder transportcapaciteit. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat genoemde aspecten, die betrekking hebben op de transportcapaciteit, (kunnen) meewegen bij de uitleg en toepassing van de uitzondering van art. 27 lid 2, aanhef en onder a, E-wet. Als het hof dat niet heeft miskend, dan zijn de rov. 5.30-5.37 zonder nadere of andere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat het enige doel voor de verzwaring van de aansluiting het bewerkstelligen van extra transportcapaciteit is (zie rov. 5.31). Voorts is niet gebleken dat de verzwaarde aansluiting niet tot een extra belasting van de transformators in station Leerdam leiden. In dit verband merk ik nog op dat er in cassatie van mag worden uitgegaan dát de verzwaarde aansluiting in dit geval tot een extra belasting van de transformators zal leiden. Ik verwijs naar rov. 5.31, waarin het hof voorbij gaat aan O-I’s stelling dat zij enkel extra aansluitcapaciteit wil en niet tevens heeft gevraagd om extra transportcapaciteit. Daartegen is geen klacht gericht.

Tot slot acht ik het in dit verband niet noodzakelijk om in te gaan op vraagstukken als schaarste aan transportcapaciteit en congestiemanagement, waar O-I in haar schriftelijke toelichting bij stil staat. Ingevolge art. 24 lid 2 E-wet dient de netbeheerder degene die daarom verzoekt een aanbod te doen om transport van elektriciteit uit te voeren. Die verplichting geldt echter niet voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft. Maar daarover gaat deze zaak niet.

Op het voorgaande stuiten de klachten van subonderdeel 5.1 af.

Subonderdeel 5.2 is gericht tegen rov. 5.34 (weergegeven in 3.15), waarin het hof heeft geoordeeld dat de betwisting van O-I van de stelling van Stedin dat sprake is van twee nieuwe klanten voor wie aansluitcapaciteit beschikbaar moet worden gehouden omdat zij Stedins offerte hebben geaccepteerd (zie rov. 5.23). Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Het wijst daarbij op O-I’s stellingen in hoger beroep dat, samengevat, (i) ‘klant 2’ (Campina) nog niet is aangesloten en (ii) er dat (dus) nog aansluitvelden vrij zijn. Gelet op die stellingen zou uit “’s hofs constatering in rov. 5.34 dat O-I tijdens het pleidooi zelf geconstateerd zou hebben ‘dat er al één aansluiting van een nieuwe klant is ingetekend op de technische tekening van Stedin: de aansluiting van Campina'” niet volgen dat de betwisting door O-I van genoemde stelling van Stedin niet strookt met de feiten en onvoldoende is onderbouwd.

Ik meen dat het hof op juiste gronden heeft geoordeeld dat O-I niet (voldoende) heeft weerlegd dat er twee nieuwe klanten zijn voor wie Stedin aansluitcapaciteit beschikbaar moet houden. Die twee klanten hebben de offerte van Stedin kennelijk geaccepteerd; O-I heeft dat niet gedaan (zie hiervoor, 2.10). Voor zover de stelling van O-I betrekking heeft op aansluitvelden, is verder op te merken dat het hof in rov. 5.33 het bestaan van lege aansluitvelden als irrelevant heeft aangemerkt. De in het subonderdeel aangehaalde stellingen van O-I zijn dus niet ter zake dienend.

Aan het slot van subonderdeel 5.2 wil O-I ingang doen vinden dat het hof ook had moeten ingaan op ‘de andere klant’, omdat ook als één klant ‘wegvalt’, de vrijgekomen capaciteit ten behoeve van O-I moet, althans kan worden ingezet.

Voor zover valt na te gaan heeft O-I de aansluitplicht ten aanzien van de andere klant niet gemotiveerd betwist (het middel bevat ook geen vindplaatsen waar O-I dat wel zou hebben betwist). Of van het wegvallen van een klant sprake is, lijkt mij overigens de vraag. Zie ik het goed, dan is de eerste klant al aangesloten en is de tweede klant (Campina) ingetekend op de technische tekening van Stedin, wat erop lijkt te wijzen dat zij zal worden aangesloten. Zo bezien is er dan niet een klant weggevallen. Ook in zoverre is het aangevochten oordeel niet ontoereikend gemotiveerd en evenmin onbegrijpelijk.

Subonderdeel 5.2 faalt mitsdien.

Onderdeel 6: voortbouwklacht

Deze klacht deelt het lot van de eerdere klachten.

De slotsom is dat alle klachten falen zodat het beroep geen doel treft.

6. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?